Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2002:AF1848

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-12-2002
Datum publicatie
12-12-2002
Zaaknummer
88224/KG ZA 02-635 en 88347/KG ZA 02-661
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/81 met annotatie van H. Nijholt
JAAN 2002/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 88224/KG ZA 02-635 en 88347/KG ZA 02-661

Vonnisdatum: 10 december 2002

303/CW

RECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak met nummer 88224/KG ZA 02-635 van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAN DE WIT AUTOCARS B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Haarlem,

eisende partij,

procureur mr. J.B. Vallenduuk,

-- tegen --

DE GEMEENTE HAARLEMMERMEER,

gevestigd en kantoorhoudende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde partij,

procureur mr. P. Heidinga,

advocaat mr. J.J. van de Vijver te Rotterdam,

--en tegen--

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERHOEF PERSONENVERVOER B.V.,

gevestigd te Uithoorn,

tussenkomende partij,

procureur mr. E. Bongers,

advocaat mr. R.A. IJsendijk te Amsterdam,

alsmede in de zaak met nummer 88347/KG ZA 02-661 van:

de naamloze vennootschap CONNEXXION N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eisende partij,

procureur mr. J.C. Binnerts,

advocaat mr. W. van de Wetering te Enschede,

--tegen--

DE GEMEENTE HAARLEMMERMEER,

gevestigd en kantoorhoudende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde partij,

procureur mr. P. Heidinga,

advocaat mr. J.J. van de Vijver te Rotterdam,

--en tegen--

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERHOEF PERSONENVERVOER B.V.,

gevestigd te Uithoorn,

tussenkomende partij,

procureur mr. E. Bongers,

advocaat mr. R.A. IJsendijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als respectieveljik Jan de Wit, Con-neXXion, de Gemeente en Verhoef.

1. Het verloop van de gedingen

1.1 De beide zaken zijn vanwege hun verknochtheid ter terechtzitting van 4 december 2002 gevoegd behandeld.

1.2 Ter terechtzitting heeft Verhoef gevorderd in beide zaken te mogen tussenkomen. In aanmerking genomen dat partijen hier geen verweer tegen hebben gevoerd heeft de voorzieningenrechter deze vordering, welke hem niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, bij mondeling vonnis toegewezen.

1.3 Vervolgens heeft Jan de Wit overeenkomstig de dagvaarding gesteld en, na verminde-ring van haar eis, gevorderd als hierna onder 3. weergegeven en die vordering toege-licht aan de hand van overgelegde pleitnotities. Nadien heeft ConneXXion gesteld en gevorderd overeenkomstig haar akte houdende formulering van eis als hierna onder 4. weergegeven en die vordering toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.4 De Gemeente heeft tegen beide vorderingen verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities. Vervolgens heeft Verhoef eveneens tegen beide vorderingen verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.5 Na verder debat in tweede termijn hebben partijen in beide zaken vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1 In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

a. In januari 2002 heeft de Gemeente het met ingang van 1 augustus 2002 verzorgen van het leerlingenvervoer ten behoeve van het basisonderwijs, speciaal basison-derwijs, speciaal voortgezet onderwijs en het schoolzwemmen openbaar aanbe-steed (publicatienummer 2002/S 20-015015).

b. In het bij deze aanbesteding behorende bestek 'Leerlingenvervoer Haarlemmer-meer' (hierna: het bestek) is de opdracht verdeeld in een zestal percelen. Voorts vermeldt het bestek in paragraaf 5 de volgende gunningscriteria:

Het criterium voor gunning van de opdracht is: De economisch meest voordelige aanbieding.

De volgende criteria zijn van belang, de belangrijkheid wordt aangegeven door middel van een wegingsfactor.

· Procedurele aspecten [Weging 1]

· Zakelijke aspecten [Weging 1]

· Selectie criteria [Weging 2]

· Productgroep, de wijze waarop de aanbieding beantwoord aan de vragen [Weging 3]

· Prijsniveau [Weging 2]

· Alg. voorwaarden leerlingenvervoer, de mate waarin de aanbieding voldoet aan de gestelde eisen [Weging 3]

· Percelen, de wijze waarop de aanbieding percelen kan combineren [Weging 1]

· Overeenkomst, de mate waarin de aanbieding voldoet aan de gestelde eisen [Weging 3]

De criteria zullen worden gewogen om te komen tot de voor de Gemeente Haarlemmermeer economisch meest voordelige aanbieding.

c. Op de aanbesteding hebben drie aanbieders ingeschreven, te weten Jan de Wit, ConneXXion en Verhoef. Alle aanbieders hebben ingeschreven op het geheel van de in het bestek genoemde percelen.

d. De Gemeente heeft de offertes van de drie aanbieders met elkaar vergeleken en het resultaat van die vergelijking weergegeven in de volgende puntenmatrix:

omschrijving Connexxion Jan de Wit Verhoef

(b)1 Offerte eisen + procedure 1 165 155 150

(b)2 Zakelijke aspecten 1 70 75 80

(b)3 Selectie criteria 2 230 220 210

(b)4 Productgroep 3 420 285 420

(b)5 Alg. voorwaarden leerlingenvervoer 3 297 300 300

(b)6 Prijsniveau 2 142 172 168

(b)7 Percelen 1 70 70 70

(b)8 Overeenkomst 3 450 480 480

totaal behaalde punten (gewogen) 1.844 1.757 1.878

Procentuele score 92,66% 88,29% 94,37%

Ranking 2 3 1

De in de puntenmatrix vermelde criteria (b)1 tot en met (b)8 waren in daarmee corresponderende Bijlagen 1 tot en met 8 uitgewerkt in subcriteria. Deze subcrite-ria betroffen aspecten waarop de offertes zijn beoordeeld door toekenning van 0 of 5 of 10 punten, afhankelijk van de mate waarin de offerte in de visie van de Gemeente aan de in het bestek gestelde eisen voldeed.

e. Bij brieven d.d. 23 mei 2002 heeft de Gemeente aan Jan de Wit en ConneXXion meegedeeld dat zij niet voor gunning van de opdracht tot verzorging van het leer-lingenvervoer in aanmerking komen.

f. Bij brief d.d. 27 mei 2002 heeft de Gemeente aan Verhoef meegedeeld dat zij de economisch meest voordelige aanbieding heeft gedaan en dat de opdracht daarom aan haar zal worden gegund.

g. Jan de Wit en ConneXXion hebben vervolgens in door ieder van hen afzonderlijk aanhangig gemaakte kort gedingprocedures, voor zover hier van belang, gevorderd dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank de Gemeente zal gelasten de (voorlopige) gunning aan Verhoef ongedaan te maken.

h. Na een gevoegde behandeling van beide procedures ter terechtzitting heeft de voorzieningenrechter bij op 5 juli 2002 onder zaaknummers 83973/KG ZA 02-311 en 84455/KG ZA 02-350 gewezen vonnis (hierna als 'het kort geding vonnis' aan te duiden) als volgt beslist:

In de zaak van Jan de Wit (nummer 83973/KG ZA 02-311):

7.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

(…)

In de zaak van ConneXXion (nummer 8445/KG ZA 02-350):

7.3 Verbiedt de Gemeente met onmiddellijke ingang om handelingen te verrichten, c.q. besluiten te nemen, gericht op het tot stand brengen van een (nadere) contractuele re-latie met Verhoef Personenvervoer B.V. in Uithoorn met betrekking tot het leerlin-genvervoer binnen de gemeente Haarlemmermeer, alvorens navermelde procedure is doorlopen.

7.4 Gelast de Gemeente de voorlopige gunning aan Verhoef personenvervoer B.V. te Uit-hoorn binnen twee dagen na betekening van dit vonnis ongedaan te maken.

7.5 Gelast de Gemeente om, alvorens tot gunning over te gaan, gehoord de drie inschrij-vers, een professioneel begeleidingsbureau in te schakelen die haar van advies dient bij een heroverweging van de beslissing omtrent de gunning van de opdracht tot het verzorgen van genoemd leerlingenvervoer en die heroverweging procedureel bege-leidt.

7.6 Bepaalt dat bij de totstandkoming van dit advies de volgende spelregels in acht zullen worden genomen:

· de Gemeente draagt er zorg voor dat Verhoef terzake de beoordeling van de of-fertes van de overige inschrijvers over dezelfde informatie kan beschikken als die waarover Jan de Wit en ConneXXion naar aanleiding van de onderhavige proce-dure kunnen beschikken;

· de inschrijvers worden door de adviseur in de gelegenheid gesteld om commen-taar te leveren op de (sub)criteria waarop zij op basis van de door de Gemeente uitgevoerde beoordeling van de betreffende offerte niet het maximale aantal punten hebben behaald;

· de inschrijvers worden door de adviseur in de gelegenheid gesteld hun commen-taar desgewenst mondeling aan toe te lichten;

· bij de inrichting van het advies wordt het stelsel van criteria en subcriteria als door de Gemeente gehanteerd opnieuw gebruikt, voor zover zij in dit vonnis als gunningscriteria toelaatbaar zijn geacht;

· de puntenwaardering wordt telkens gerelateerd aan de kwaliteit van het aanbod in het licht van hetgeen het bestek terzake voorschrijft;

· aan de drie inschrijvers wordt het advies, voor zover dit betrekking heeft op hun eigen aanbieding, ter kennis gebracht waarna zij de gelegenheid krijgen om hier-over gedurende twee weken schriftelijk hun zienswijze kenbaar te maken;

· de Gemeente neemt op basis van het advies een gemotiveerde beslissing omtrent de gunning en stelt de inschrijvers hiervan gelijktijdig schriftelijk in kennis;

· de formele gunning vindt niet eerder plaats dan 14 dagen na de dagtekening van evenbedoelde kennisgevingen.

(…)

i. Teneinde tot de gelaste heroverweging van de aanbesteding te komen, heeft de Gemeente aan het advocatenkantoor Landwell en het vervoerskundig adviesbureau Adviesgroep Verkeer en Vervoer tezamen (hierna 'Landwell/AGV' te noemen) de opdracht gegeven om de offertes opnieuw te beoordelen en op basis daarvan aan haar een advies omtrent gunning uit te brengen.

j. Landwell/AGV hebben vervolgens een 'Beoordelingsprotocol advies inzake hero-verweging van beslissing omtrent gunning van aanbestede opdracht tot het ver-richten van leerlingenvervoer' (hierna: het beoordelingsprotocol) opgesteld, waarin met betrekking tot wijze waarop de (her)beoordeling van de offertes op gunnings-criteria zal plaatsvinden voor de volgende methode is gekozen:

(…) Overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.2/2.3 'd' en 'f' van het bestek zullen de gun-ningscriteria als minimumeisen worden beschouwd, mede omdat deze in het bestek in hoofd-zaak als minimumeisen zijn geformuleerd.

Als in het bestek gevraagd is om meer te bieden dan de minimumeisen en als dit is uitgewerkt, zal, mede gezien de in paragraaf 1.2 genoemde 'zekere beoordelingsvrijheid' die de aanbeste-dende dienst heeft, deze toegevoegde waarde beoordeeld (kunnen) worden.

De puntenwaardering voor een criterium dat echter als minimumeis moet worden beschouwd kent maar twee opties of de aanbieder krijgt het volledig aantal punten (aan de minimumeisen is voldaan) of de aanbieder krijgt geen punten (aan één van de minimumeisen is niet voldaan). De aanbieder scoort alle of geen punten. Deze wijze van puntentoedeling wordt in de rest van het rapport aangeduid als binaire score.

Het maximaal per gunningscriterium te behalen aantal punten wordt daarbij blij-kens het in paragraaf 2.3 van het beoordelingsprotocol gestelde bepaald door de in het bestek vermelde wegingensfactoren.

Ten aanzien van de gunningscriteria 'Zakelijke aspecten', 'Productgroep', 'Algeme-ne voorwaarden leerlingenvervoer' en 'Overeenkomst' is in het beoordelingsproto-col geconcludeerd dat deze in het bestek als minimumcriteria zijn geformuleerd en daarom op basis van de evenbedoelde binaire score zullen worden gewaardeerd.

Voor wat betreft het gunningscriterium 'Prijsniveau' is, om vergelijking mogelijk te maken, in het beoordelingsprotocol ervoor gekozen om de goedkoopste aanbie-ding met twee punten te waarderen en bij de duurdere aanbiedingen het procentu-ele verschil ten opzichte van de goedkoopste te gebruiken om vast te stellen hoe-veel punten voor deze aanbieding toegekend dienen te worden.

Met betrekking tot het gunningscriterium 'Percelen, de wijze waarop de aanbieding percelen kan combineren' is in paragraaf 2.3.7 van het beoordelingsprotocol vol-gende opgemerkt:

Er zijn twee begrippen van combinatie die de aanbieder kan aanbieden:

1. Combinatie als de mate waarin er in het perceel met andere gemeenten of instellingen ge-combineerd wordt. (…)

2. Combinatie van percelen waardoor de aanbieder een korting op de prijs zou kunnen bie-den. (…)

Dit betekent dat aanbieders twee mogelijkheden hebben om meer te bieden dan de minimum-eis en dat hiervoor punten toegekend moeten worden die meetellen in de weging voor beoor-deling van de aanbiedingen.

In paragraaf 3.3.2 is vervolgens terzake 'Percelen, de wijze waarop de aanbieding percelen kan combineren' het volgende gesteld:

Als een combinatiekorting wordt geboden door volgens de gestelde vervoersvoorwaarden te combineren met het leerlingenvervoer van andere gemeenten of instellingen en door het com-bineren van percelen dan krijgt de betreffende aanbieding één punt.

Wordt één van beide combinatiekortingen geboden dan wordt een halve punt toegekend.

Onder verwijzing naar het in het kort gedingvonnis overwogene zijn in het beoor-delingsprotocol de criteria 'Procedurele aspecten' en 'Selectiecriteria' tenslotte ge-schrapt.

k. Op 8 november 2002 hebben Landwell/AGV een (concept) 'Gunningsadvies inza-ke heroverweging van beslissing omtrent gunning van aanbestede opdracht tot het verrichten van leerlingenvervoer' (hierna: het advies) aan partijen toegestuurd. Het resultaat van de beoordeling van de offertes op de gunningscriteria is in paragraaf 5.2 van het advies als volgt weergegeven:

Criterium Punten ConneXXion Jan de Wit Verhoef

* Zakelijke aspecten 1 of 0 1 1 1

* Productgroep, de wijze waarop de aanbieding beant-woordt aan de vragen

3 of 0 3 3 3

* Prijsniveau = 2 1,68 2 1,82

* Alg. voorwaarden leerlingenvervoer, de mate waarin de aanbieding voldoet aan de gestelde eisen

3 of 0 3 3 3

* Percelen, de wijze waarop de aanbieding percelen kan combineren

1, 1/2 of 0 0,5 0,5 1

* Overeenkomst, de mate waarin de aanbieding voldoet aan de gestelde eisen

3 of 0 3 3 3

Totaal = 13 12,18 12,5 12,82

Op grond van deze beoordeling hebben Landwell/AGV geadviseerd de opdracht aan Verhoef te gunnen.

l. In de door ConneXXion en Jan de Wit bij brieven van 21 respectievelijk 22 no-vember 2002 naar aanleiding van het (concept) advies naar voren gebrachte ziens-wijzen hebben Landwell/AGV geen reden gezien om dit advies te wijzigen.

m. Bij brieven d.d. 22 november 2002 heeft de Gemeente aan de inschrijvers bericht dat zij voornemens is, conform het advies van Landwell/AGV, de verzorging van het leerlingenvervoer aan Verhoef te gunnen.

n. Op 26 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders namens de Gemeente, onder overneming van het advies van Landwell/AGV, besloten de opdracht tot het verzorgen van het leerlingenvervoer aan Verhoef te gunnen. De inschrijvers zijn hier bij brief van gelijke datum van in kennis gesteld.

o. De Gemeente is voornemens de tekening van de op de opdracht betrekking heb-bende overeenkomst op 11 december 2002 te doen plaats vinden.

3. De vordering van Jan de Wit

3.1 Jan de Wit vordert na eisvermindering, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningen-rechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- primair: de aanbesteding aan Jan de Wit zal gunnen;

- subsidiair: de Gemeente zal gelasten haar besluit tot gunning aan Verhoef alsnog te motiveren met inbegrip van de kritiek zijdens Jan de Wit op de beoordelings-methode, het toepassen van gunningscriteria in relatie tot het bestek, de voorge-schreven procedure in het vonnis van 5 juli 2002 en het geldende recht;

- althans meer subsidiair: maatregelen zal bevelen die de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

- de Gemeente in de kosten van de procedure zal veroordelen.

3.2 Aan deze vordering legt Jan de Wit - kort gezegd - ten grondslag dat de Gemeente zich bij haar besluit tot gunning heeft gebaseerd op een ondeugdelijk advies van Landwell/AGV.

4. De vordering van ConneXXion

4.1 ConneXXion vordering, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- de Gemeente zal gelasten om de (voorlopige) gunning aan Verhoef binnen twee dagen na betekening van dit vonnis ongedaan te maken;

- de Gemeente met onmiddellijke ingang zal verbieden om handelingen te verrich-ten c.q. besluiten te nemen, gericht op het tot stand brengen van een (nadere) con-tractuele relatie met Verhoef met betrekking tot het leerlingenvervoer binnen de gemeente Haarlemmermeer;

- de Gemeente zal verbieden om de opdracht inzake leerlingenvervoer Haarlem-mermeer op basis van het bestek van 22 januari 2002 te gunnen;

- althans een zodanige voorziening zal treffen als in deze wenselijk moet worden geacht;

in alle gevallen met veroordeling van de Gemeente in kosten van deze procedure.

4.2 Aan deze vordering legt ConneXXion - kort gezegd - ten grondslag dat de Gemeente zich bij haar besluit tot gunning heeft gebaseerd op een ondeugdelijk advies van Landwell/AGV en dat bij de totstandkoming van dit besluit bovendien niet de in het kort gedingvonnis vastgestelde procedureregels in acht zijn genomen.

5. Het verweer en de slotsom daarvan

De Gemeente heeft tegen beide vorderingen gemotiveerd verweer gevoerd en gecon-cludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van Jan de Wit respectievelijk Con-neXXion in de kosten van de betreffende procedure. Op dit verweer zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van de geschillen nader worden ingegaan.

6. Het standpunt van Verhoef

Verhoef heeft tegen beide vorderingen gemotiveerd verweer gevoerd en geconclu-deerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van Jan de Wit respectievelijk Con-neXXion in de door Verhoef in de betreffende procedure gemaakte kosten. Op dit verweer zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van de geschillen nader worden ingegaan.

7. De gronden van de beslissing

Uitgangspunten

7.1 Als uitgangspunt bij de beoordeling van de in beide zaken op de heroverweging van de aanbesteding naar voren gebrachte kritiek heeft te gelden dat het door de Gemeente genomen gunningsbesluit en het advies waarop dit besluit berust door de voorzienin-genrechter slechts marginaal kunnen worden getoetst. Dat spreekt te meer indien daarbij de inrichting van de gevolgde procedure in aanmerking wordt genomen.

7.2 Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat niet de aanbestedingsprocedure als geheel ter toetsing staat, doch slechts dat onderdeel van de procedure dat ingevolge het kort geding vonnis opnieuw diende plaats te vinden.

In de zaak van Jan de Wit

7.3 De voorzieningenrechter begrijpt het door Jan de Wit ter terechtzitting ingenomen standpunt aldus dat zij haar bezwaar tegen de door Landwell/AGV gehanteerde binai-re puntentoekenning alsmede tegen de onderlinge verhouding van de subcriteria waarin die puntentoekenning resulteert, niet langer handhaaft. Ten aanzien van de resterende kritiekpunten wordt het volgende overwogen.

7.4 Jan de Wit heeft tegen het advies ingebracht dat daarin de offerte-prijzen ten onrechte op basis van de toekomstige zitplaatsenregeling zijn beoordeeld. Daartoe heeft zij er op gewezen dat ingevolge de toekomstige regeling voor iedere leerling een eigen zit-plaats voor handen dient te zijn (de zogenaamde één-op-één-regeling) terwijl de hui-dige regeling als hoofdregel stelt dat de vervoerder niet voor iedere leerling een eigen zitplaats behoeft aan te bieden. In de visie van Jan de Wit is leerlingenvervoer op basis van de huidige zitplaatsenregeling hierdoor in beginsel goedkoper. De huidige zit-plaatsenregeling is volgens Jan de Wit in het bestek als uitgangspunt genomen nu in paragraaf 6.6 van het bestek wordt opgemerkt: 'Bij een 8-persoonsbusje geldt, evenwel voor de opdrachtgever een maximum aantal van 11 te vervoeren leerlingen'. Over-eenkomstig deze bestekseis heeft Jan de Wit, naar zij stelt, in de offerte haar prijs op de huidige zitplaatsenregeling afgestemd. In de door Landwell/AGV toegepaste ver-gelijking is bij de door Jan de Wit geboden prijs echter een bedrag aan meerkosten bijgeteld omdat het leerlingenvervoer op basis van de één-op-één-regeling zou dienen plaats te vinden, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat het verschil tussen de prijs van Jan de Wit en de hogere prijzen van de overige inschrijvers geringer is geworden.

7.5 Bij de beoordeling van deze klacht dient in de eerste plaats in aanmerking te worden genomen dat de Gemeente, met het oog op de vergelijking van de offertes, bij brief d.d. 27 februari 2002 de inschrijvers uitdrukkelijk heeft verzocht om aan te geven wat de meerkosten zullen zijn van het inwerkingtreden van de nieuwe zitplaatsenregeling. Van belang is verder dat Verhoef ter terechtzitting onweersproken heeft gesteld dat de één-op-één-regeling thans in de praktijk reeds in de overgrote meerderheid van de ge-vallen door vervoerders moet worden toegepast, omdat deze regeling ingevolge de huidige regelgeving van toepassing is indien autogordels in het voertuig aanwezig zijn, indien er sprake is van afzonderlijke zitplaatsen en indien het vervoer betreft van kinderen die speciaal onderwijs volgen. Bij deze stand van zaken is de voorzieningen-rechter voorshands van oordeel dat Landwell/AGV bij de vergelijking van de offerte-prijzen hebben kunnen uitgaan van de één-op-één-regeling. Dit neemt echter niet weg dat de onderhavige aanbestedingsprocedure in die zin smettelozer had kunnen verlo-pen dat reeds in het bestek expliciet had kunnen worden aangegeven dat de prijsver-gelijking op basis van de één-op-één-regeling zou plaatsvinden.

7.6 Als belangrijkste klacht heeft Jan de Wit naar voren gebracht dat de door Land-well/AGV binnen de gehanteerde puntensystematiek gemaakte keuze om het aanbie-den van tenminste één combinatierit met 0,5 punt te honoreren tot een onbillijke en voor haar nadelige uitkomst heeft geleid en dat deze keuze niet op een deugdelijke wijze is gemotiveerd. In dit verband heeft Jan de Wit gesteld dat het belang van de Gemeente bij combinatieritten alleen van financiële aard is, nu daarmee een korting op de vervoersprijs kan worden verkregen. Dit belang wordt echter ook gediend door te kiezen voor de aanbieder die de laagste prijs vraagt. Onbegrijpelijk is dan ook, zo heeft Jan de Wit benadrukt, dat Verhoef een voorsprong in de score heeft kunnen be-halen doordat aan haar 0,5 punt is toegekend vanwege het aanbieden van een combi-natierit welke een besparing van slechts € 9.064,20 oplevert. Immers, de aanbieding van Jan de Wit omvat weliswaar geen combinatierit(ten) maar de door haar aangebo-den prijs is in vergelijking met die van Verhoef zoveel lager dat evenbedoelde bespa-ring daarmee ruimschoots wordt overtroffen, aldus Jan de Wit.

7.7 De voorzieningenrechter stelt voorop dat, waar de klacht ziet op het gewicht dat aan het aspect combinatie is toegekend in relatie tot het gewicht dat aan het prijsniveau als zodanig is toegekend, de rechter de op dit punt door de aanbestedende dienst ge-maakte keuze in beginsel dient te respecteren, zolang het gewicht maar op basis van objectieve criteria wordt bepaald. Ook ten aanzien van de verdere inrichting van de beoordeling aan de hand van de in het bestek geformuleerde eisen moet de aanbeste-dende dienst een zekere beoordelingsvrijheid worden gegund. Dit geldt te meer nu ie-dere op dit punt gemaakte keuze tot op zekere hoogte arbitrair lijkt te zijn, hetgeen onder meer wordt geïllustreerd door het feit dat in de heroverweging is gekozen voor een beoordeling op basis van binaire scores waar de Gemeente oorspronkelijk een matrixbeoordeling heeft gehanteerd.

7.8 Aan Jan de Wit moet worden toegegeven dat noch in het bestek, noch in de de rapporten en brieven van Landwell/AGV een motivering kan worden gevonden voor de keuze om offertes op de mogelijkheid van combinatieritten afzonderlijk te beoor-delen. In het licht van het gegeven dat in de vergelijking van de drie aanbiedingen die heeft geleid tot de gunning die in het vorige kort geding centraal stond aan alle drie de inschrijvers op het criterium 'Percelen' een gelijk aantal (70) punten is toegekend, had die motivering eens te meer voor de hand gelegen. Vastgesteld moet worden dat die motivering ook ter terechtzitting niet is gegeven.

Consequenties van het voorgaande

7.9 De onder 7.5 en 7.8 gesignaleerde (mogelijke) onvolkomenheden zijn niet van dien aard dat zij een tweede ingreep in de aanbestedingsprocedure rechtvaardigen. De voorzieningenrechter kent in dit verband doorslaggevende betekenis toe aan enerzijds het gegeven dat Jan de Wit ook in de vorige beoordeling niet als inschrijver met het grootste aantal punten is geëindigd, en anderzijds de door de Gemeente aangevoerde omstandigheid dat de bij het vervoer betrokken ouders aandringen op spoedige en de-finitieve duidelijkheid over de voorziening in het vervoer van hun kinderen en daarbij een zodanig belang hebben dat de Gemeente daarmee terdege rekening heeft te hou-den. Jan de Wit zal voor de (mogelijke) onrechtmatigheid van de gunningsbeslissing via een bodemprocedure redres moeten zoeken.

7.10 De slotsom is derhalve dat de gevraagde voorzieningen dienen te worden geweigerd.

7.11 De hiervoor bedoelde (mogelijke) onvolkomenheden in de heroverweging van de aanbesteding wettigen evenwel dat de Gemeente met de kosten van deze procedure zal worden belast.

7.12 De omstandigheid dat Verhoef een niet geheel smetteloze beslissing van de Gemeente heeft verdedigd rechtvaardigt geen kostenveroordeling te haren laste, nu de kosten van de partijen in wiens nadeel deze beslissing uitwerkt reeds ten laste van de Gemeente worden gebracht.

In de zaak van ConneXXion

7.13 Voor zover ConneXXion haar standpunt heeft gehandhaafd dat de Gemeente in strijd met het kort geding vonnis heeft gehandeld omdat zij haar voornemen tot gunning op 22 november 2002 ter kennis van de inschrijvers heeft gebracht en reeds vier dagen nadien, op 26 november 2002, omtrent gunning heeft besloten, kan zij hierin niet wor-den gevolgd. Het in het kort geding vonnis onder 7.6 bepaalde (hiervoor onder 2.h. geciteerd) legt dienaangaande immers op de Gemeente een niet verderstrekkende ver-plichting op dan dat zij met de formele gunning, waaronder in dit verband het sluiten van de opdrachtovereenkomst moet worden begrepen, dient te wachten tot veertien dagen na de dagtekening van de kennisgeving van het advies. Het door ConneXXion gemaakte verwijt dat het gunningsbesluit in weerwil van het in het kort geding vonnis bepaalde een motivering zou ontberen, faalt eveneens, nu de Gemeente ter motivering van haar besluit naar het advies van Landwell/AGV heeft verwezen en dit haar op zichzelf ook na kennisneming van de zienswijzen van Jan de Wit en ConneXXion - het in artikel 3:49 Awb bepaalde naar analogie toepassend - vrij stond nu Land-well/AGV in die zienswijzen geen aanleiding hebben gezien om hun advies aan te passen.

7.14 ConneXXion heeft verder betoogd dat Landwell/AGV (onder 'Aanpassingen beoordelingsprotocol') de in het bestek opgenomen selectiecriteria terzake het over-leggen van reacties van referenten op door de betreffende inschrijver verleende dien-sten en het verschaffen van informatie over door de inschrijver ondernomen milieu-maatregelen in hun advies ten onrechte hebben geëcarteerd. Het schrappen van deze criteria heeft er volgens ConneXXion toe geleid dat de onderlinge concurrentiever-houding tussen de inschrijvers en de kring van potentiële aanbieders zodanig is gewij-zigd dat zulks de Gemeente aanleiding had moeten geven om de aanbesteding te sta-ken.

7.15 Dit betoog kan ConneXXion niet baten. In het kort gedingvonnis is geoordeeld dat alle drie de inschrijvers moeten worden geacht zich voor gunning te hebben gekwali-ficeerd, hetgeen impliceert dat de gelaste heroverweging slechts een beoordeling op gunningscriteria diende te omvatten. Door de inschrijvers op selectiecriteria te beoor-delen hebben Landwell/AGV een en ander in hun advies weliswaar miskend, doch nu zij tot de slotsom zijn gekomen dat alle drie de inschrijvers zich hebben gekwalifi-ceerd sluiten zij aan bij het hiervoor in overweging 7.2 centraal gestelde uitgangspunt.

7.16 ConneXXion acht voorts niet toelaatbaar dat de in hoofdstuk 6 (productgroep) van het bestek onder paragraaf 6.2 opgenomen voorwaarde 'Inschrijver dient in de offerte ex-pliciet aan te geven welk gedeelte van de door hem te leveren prestaties hij voorne-mens is aan derden in onderaanneming te geven, onder de vermelding van de naam , adres en vestigingsplaats van voornoemde derde (…)' in het advies niet als subcriteri-um voor de gunning is gehanteerd omdat deze voorwaarde als een selectiecriterium zou hebben te gelden. Aan deze stellingname heeft ConneXXion ten grondslag gelegd dat het schrappen van deze voorwaarde tot gevolg heeft dat het door de Gemeente in paragraaf 6.2 gemaakte voorbehoud dat daadwerkelijke onderaanneming alleen met haar toestemming kan plaatsvinden is komen te vervallen en dat hierdoor de (concur-rentie)verhoudingen tussen partijen in essentiële zin zijn gewijzigd omdat een in-schrijver die in vergelijking met zijn mededingers afhankelijker is van onderaanne-mers ten opzichte van die mededingers in een gunstiger positie is gekomen.

7.17 Zonder een nadere toelichting, die is uitgebleven, valt echter niet in te zien waarom het ecarteren van de door Landwell/AGV bedoelde voorwaarde als gunningscriterium met zich mee zou brengen dat de Gemeente in de opdrachtovereenkomst niet meer het voorbehoud van toestemming bij onderaanneming zou kunnen bedingen. Ook overi-gens heeft ConneXXion niet onderbouwd dat de door haar geschetste wijziging van de concurrentieverhouding tussen de drie geselecteerde inschrijvers zich in het onderha-vige geval zou voordoen, te meer niet nu in de door de Gemeente uitgevoerde matrix-beoordeling aan alle drie de inschrijvers op dit aspect 10 punten is toegekend. De door ConneXXion tegen het schrappen van paragraaf 6.2 geuite kritiek dient dan ook als onvoldoende onderbouwd te worden verworpen.

7.18 ConneXXion heeft voorts aangevoerd dat haar op het gunningscriterium 'Percelen, de wijze waarop de aanbieding percelen kan combineren' in het advies ten onrechte 0,5 punt is onthouden op de grond dat haar offerte terzake de mogelijkheid van combina-tieritten geen concrete aanbieding zou behelzen. ConneXXion stelt dat het voor iedere inschrijver onmogelijk was om ten tijde van de sluiting van de inschrijvingstermijn in februari 2002 aan te geven in welke mate in de periode van augustus 2002 tot en met 1 augustus 2007 combinaties van routes kunnen worden gemaakt, aangezien de route-indeling ieder schooljaar aan verandering onderhevig is en het al dan niet bestaan van vervoerscontracten met andere gemeenten en/of instellingen in de loop van de tijd eveneens kan wijzigen. In de visie van ConneXXion kan dan ook van haar niet wor-den verlangd dat zij op concretere wijze de mogelijkheid van combinatieritten aangaf dan zij in haar offerte heeft gedaan.

7.19 In aanmerking genomen de aan de aanbestedende dienst bij de beoordeling en interpretatie van de aanbiedingen toekomende beoordelingsvrijheid moet op voorhand worden geoordeeld dat de Gemeente ook op dit punt in redelijkheid het advies heeft kunnen volgen dat de door ConneXXion aangeboden combinatieritten onvoldoende concreet zijn om als een aanbieding te kunnen worden beschouwd. Bij dit oordeel is van belang dat het bestek een grondslag biedt voor het verlangen van een voldoende concreet aanbod nu daarin onder paragraaf 6.4 is bepaald 'Bij mogelijkheden van hier-boven bedoeld combinatievervoer dient dit vervoer apart en in combinatievorm te worden aangeboden' terwijl voorts niet ter discussie staat dat Verhoef klaarblijkelijk wel in staat is geweest om terzake de combinatieritten een zodanig concreet aanbod te doen.

7.20 De door ConneXXion met betrekking tot de zitplaatsenregeling naar voren gebrachte klacht faalt reeds nu uit haar betoog niet kan worden opgemaakt dat hantering van de zogenaamde één-op-één-regeling, mede gelet op de samenval van de onder 7.19 be-sproken klacht met die van Jan de Wit, ertoe zou kunnen leiden dat de opdracht alsnog aan haar moet worden gegund.

7.21 Naar uit het voorgaande volgt is er ook ten aanzien van ConneXXion sprake van twee (mogelijke) onvolkomenheden waarvan een verdergaande beoordeling van invloed zou kunnen zijn op haar kans op gunning, zij het dat het er op lijkt dat vanwege de samenval van de klachten terzake met die van Jan de Wit ook bij gegrondbevinding van die klachten Jan de Wit een voorsprong op ConneXXion zal blijven houden. De door de voorzieningenrechter in het kader van de beoordeling van de klachten van Jan de Wit gemaakte belagenweging, als hiervoor onder 7.9 weergegeven, is in dit ver-band dan ook a fortiori aangewezen.

7.22 De slotsom is derhalve dat de gevraagde voorzieningen dienen te worden geweigerd.

7.23 De hiervoor bedoelde (mogelijke) onvolkomenheden in de heroverweging van de aanbesteding wettigen evenwel dat de Gemeente met de kosten van deze procedure zal worden belast.

7.24 De omstandigheid dat Verhoef een niet geheel smetteloze beslissing van de Gemeente heeft verdedigd rechtvaardigt geen kostenveroordeling te haren laste, nu de kosten van de partijen in wiens nadeel deze beslissing uitwerkt reeds ten laste van de Gemeente worden gebracht.

8. De beslissing

De voorzieningenrechter:

In de zaak van Jan de Wit (nummer 88224/KG ZA 02-635):

8.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

8.2 Veroordeelt de Gemeente in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van Jan de Wit begroot op € 258,18 aan verschotten en € 703,36 aan salaris voor de procureur.

In de zaak van ConneXXion (88347/KG ZA 02-661):

8.3 Weigert de gevraagde voorzieningen.

8.4 Veroordeelt de Gemeente in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van ConneXXion begroot op € 193,-- aan verschotten en € 703,36 aan salaris voor de procureur.

In de beide zaken:

8.5 Verklaart dit vonnis wat betreft het onder 8.2 en 8.4 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter van deze recht-bank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 10 december 2002, in te-genwoordigheid van de griffier.