Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2002:AE7944

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-09-2002
Datum publicatie
24-09-2002
Zaaknummer
02/181
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 28
O&A 2002, p. 140 (nr.4)
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

ENKELVOUDIGE RAADKAMER

Registratienummer: 02/181

Parketnummer: 15/041003-01

Uitspraakdatum: 19 september 2002

BESCHIKKING (art. 591a Sv.)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 11 maart 2002 is ter griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een door mr. C.L. Kranendonk ingediend verzoekschrift, gedateerd 6 maart 2002, van

[naam], verzoekster,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Op 29 augustus 2002 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld.

Voor verzoekster is verschenen mr. Kranendonk, voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. Tillart.

Van het verhandelde in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2. Beoordeling

Het verzoekschrift strekt tot toekenning aan verzoekster van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van in totaal EUR 7.817,45, inclusief BTW, wegens de in haar strafzaak gemaakte kosten van rechtsbijstand ad EUR 7.277,45, alsmede de rechtsbijstandskosten ad (forfaitair) EUR 540,- verband houdende met de indiening en behandeling van het verzoekschrift ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), onderscheidenlijk het onderhavige, separaat ingediende verzoekschrift ex artikel 591a Sv.

De strafzaak tegen verzoekster is geëindigd door het onherroepelijk worden van het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 20 februari 2002, waarbij verzoekster van het haar tenlastgelegde is vrijgesproken.

Het verzoekschrift is derhalve tijdig ingediend.

Op de voet van het bepaalde in artikel 591a jo 90 Sv kan verzoekster - nu de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - in beginsel aanspraak maken op een vergoeding voor de te haren laste gekomen kosten van een raadsman, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de voorzitter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De officier van justitie heeft zich tegen de gevraagde vergoeding verzet. Hij heeft erop gewezen dat verzoekster voor haar inkomen afhankelijk is van hetgeen zij krijgt uitgekeerd krachtens de Algemene bijstandswet en dat moet worden aangenomen dat ook overigens wordt voldaan aan de in artikel 12 jo. 34 Wet op de rechtsbijstand neergelegde voorwaarden voor gesubsidieerde rechtsbijstand, nu mr. Kranendonk verzoekster in een ander -niet strafrechtelijk- geschil bijstaat op grond van een toevoeging.

Namens verzoekster is aangevoerd dat mr. Kranendonk haar in de strafzaak op de voet van artikel 28 jo. 40, vijfde lid Sv als gekozen raadsman heeft bijgestaan en dat bij gelegenheid van het piketbezoek van mr. Kranendonk meteen en uitdrukkelijk de afspraak is gemaakt dat hij gedurende de gehele strafprocedure voor haar, niettegenstaande haar recht op gesubsidieerde rechtsbijstand, betalend zou optreden.

Uit het bepaalde in de artikelen 43 en 44 van de Wet op de rechtsbijstand, in samenhang met de artikelen 40 tot en met 43 Sv volgt dat verzoekster in haar strafzaak recht had op kosteloze rechtsbijstand door een door het bureau rechtsbijstandvoorziening toegevoegde advocaat. Daaraan doet niet af dat verzoekster de voorkeur heeft gegeven aan een raadsman van eigen keuze, nu in raadkamer is komen vast te staan dat zij voldoet aan de krachtens de Wet op de rechtsbijstand geldende voorwaarden voor gesubsidieerde rechtsbijstand, zodat zij mr. Kranendonk als raadsman van eigen keuze door het bureau rechtsbijstandvoorziening aan zich had kunnen laten toevoegen.

De vraag die voorligt is derhalve of gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoekster de gevraagde vergoeding toe te kennen, terwijl vaststaat dat zij die kosten niet had behoeven te maken, nu zij eenvoudigweg ter dekking van de door mr. Kranendonk te maken kosten van rechtsbijstand -blijkens artikel 44, derde lid Wet op de rechtsbijstand zelfs zonder verschuldigdheid van een eventuele eigen bijdrage- een toevoeging had kunnen verkrijgen.

Nu niet is gesteld of gebleken dat mr. Kranendonk van het verlenen van rechtsbijstand zou hebben afgezien als hij op grond van de Wet op de rechtsbijstand zou zijn toegevoegd -in welk geval mogelijk het volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in artikel 6, derde lid EVRM besloten liggende recht van vrije advocatenkeuze in het geding zou zijn- beantwoordt de voorzitter deze vraag, onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), gedateerd 14 februari 2002 (NJ 02, 378), ontkennend:

"The Court is not persuaded of the necessity of the costs claimed in the instant case since it fails to see why the applicant could not have applied for legal aid in the proceedings to which these costs relate. It appears more than likely that he would have been eligible for such aid….

Furthermore, such a step would not have interfered with the applicant's freedom to select a legal representative of his choice, and neither has it appeared or been argued that the lawyer in question would not have been prepared to represent the applicant at legal aid rates."

Het namens verzoekster in dit verband gedane beroep op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 20 februari 1998 (AB 1998, 247, inzake Pink art) gaat naar het oordeel van de voorzitter niet op. In die zaak gaat het, anders dan hier waar het immers gaat om een vergoeding naar billijkheid, om de vraag of de opgevoerde kosten van rechtsbijstand, ontstaan door het ongebruikt laten van een toevoeging, de dubbele redelijkheidstoetsing van HR 17 november 1989/ NJ 1990, 746, inzake Gemeente Velsen/ De Waard BV kunnen doorstaan en aldus (geheel of ten dele) zijn aan te merken als schadepost die voor vergoeding in aanmerking behoort te komen op grond van de op artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (onrechtmatige daad) gebaseerde verplichting tot volledige schadevergoeding. De verwijzing gaat ook daarom niet op omdat de Hoge Raad in genoemd arrest in zijn overwegingen mede heeft betrokken het bepaalde in artikel 31 Wet op de rechtsbijstand, waaruit voortvloeit dat kosten van rechtsbijstand niet op de voet van die wet behoren te worden vergoed indien die kosten op de wederpartij kunnen worden verhaald. Zolang het Openbaar Ministerie niet (tevens) -op de voet van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek- aansprakelijk is bevonden wegens het jegens verzoekster plegen van een onrechtmatige daad en het onderhavige verzoek slechts is gebaseerd op de op artikel 591a jo 90 Sv gebaseerde mogelijkheid van een vergoeding naar billijkheid (terzake van -vooralsnog- rechtmatige overheidsdaad: HR 7 april 1989/ NJ 1989, 532, inzake Staat/ Turksma), is naar het oordeel van de voorzitter geen sprake van een wederpartij, noch ook van een anderszins bestaande, op de wet gebaseerde mogelijkheid van verhaal op een derde als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de rechtsbijstand.

Nu verzoekster ter dekking van de door haar te maken kosten van rechtsbijstand in de strafzaak gebruik had kunnen maken van een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand, staan naar het oordeel van de voorzitter gronden van billijkheid als bedoeld in artikel 90 Sv eraan in de weg om de op de voet van artikel 591a Sv daarvoor gevraagde vergoeding van EUR 7.277,45 toe te kennen. Aangezien voor de rechtsbijstandskosten verband houdende met de indiening en behandeling van verzoekschriften als het onderhavige en het separaat ingediende verzoekschrift ex artikel 89 Sv geen toevoeging pleegt te worden verleend, ziet de voorzitter wel aanleiding daarvoor een vergoeding toe te kennen, en wel ter hoogte van het daarbij door de rechtbank gebruikelijk gehanteerde bedrag van EUR 540,- (inclusief BTW).

3. Beslissing

De voorzitter:

Kent aan verzoekster ten laste van de Staat een vergoeding toe van EUR 540,- (zegge: vijfhonderdveertig euro), welk bedrag als volgt is samengesteld:

EUR 540,-, inclusief BTW, wegens de kosten van rechtsbijstand voor indiening van en toelichting op de beide verzoekschriften;

Wijst af het meer of anders verzochte;

Beveelt de uitbetaling door de griffier van deze rechtbank van de bij deze beschikking aan verzoekster toegekende vergoeding op de derdengeldrekening van verzoeksters advocaat, bankrekening [bankrekeningnummer]

t.n.v. mr. Kranendonk, onder vermelding van [nummer].

4. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. Van Waesberghe, voorzitter,

in tegenwoordigheid van mr. V.E.A. de Hommel, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2002.