Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2002:AE7371

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-09-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
awb 00-8386 en 02-194
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

reg. nrs: Awb 00-8386 en 02-194

uitspraakdatum: 5 september 2002

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de zaken van:

[eiser 1]

eiseres,

en [eiser 2]

eiser,

beiden wonende te [woonplaats eiser 1 en 2],

gemachtigde: mr J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem,

-- tegen --

de burgemeester van Haarlem,

verweerder,

gemachtigde: mr B.C. Romijn, advocaat te Haarlem.

1. Ontstaan en loop van het geding

00-8386

Bij bevel van 2 maart 2000 heeft verweerder de sluiting gelast van de percelen Generaal Bothastraat nrs 42-44 te Haarlem voor de periode van 3 maart 2000 tot 1 oktober 2000.

Bij brieven van 3 maart 2000 is dit besluit zowel aan eiseres als aan eiser toegezonden.

Tegen dit besluit hebben zij bij brief van 15 maart 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 augustus 2000 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij heeft hij verwezen naar het advies van 13 juli 2000 van de commissie beroep- en bezwaarschriften.

Tegen dit besluit hebben eiseres bij brief van 3 oktober 2000, aangevuld bij brief van 27 oktober 2000, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van 1 december 2000 een verweerschrift ingediend.

02-194

Bij bevel van 29 september 2000 heeft verweerder met onmiddellijke ingang de permanente sluiting van de seksinrichting Club Esther, gevestigd in het perceel Generaal Bothastraat nr 44 te Haarlem gelast.

Bij brief van dezelfde datum is dit besluit aan eiseres toegezonden. Het is tevens op dezelfde dag zowel aan haar als aan eiser uitgereikt.

Tegen dit besluit hebben eiseres en eiser bij brief van 25 oktober 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 december 2001 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd. Daarbij heeft hij deels afgeweken van het advies van 19 april 2001 van de commissie beroep- en bezwaarschriften, die een sluiting adviseerde tot 1 september 2001.

Tegen dit besluit hebben eiseres en eiser bij brief van 15 januari 2002 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden en bij brief van 11 april 2002 een verweerschrift ingediend.

Beide beroepen zijn behandeld ter zitting van 20 augustus 2002, alwaar eiseres en eiser in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun voornoemde gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn voornoemde gemachtigde; tevens is verschenen [ambtenaar], ambtenaar der gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Eiseres was eigenaresse van de percelen Generaal Bothastraat nrs 42 en 44 te Haarlem. In deze panden heeft zij, samen met eiser, haar ex-echtgenoot en huidige partner,

tot en met 31 december 1998 een prostitutiebedrijf onder de naam Club Esther geëxploiteerd.

Van 1 januari 1999 tot 20 juli 1999 is pand nr 44 verhuurd aan [huurder], die de exploitatie van de sexinrichting overnam.

Per 1 januari 2000 is het pand nr 44 verhuurd aan Fresco Nederland B.V., die de exploitatie voortzette. Eiser is gevolmachtigde van deze B.V..

2.2. Op 22 februari 2000 heeft de politie in de bij de sexinrichting behorende garage, gelegen tussen de panden nr 42 en nr 44, de levenloze lichamen van vier mannen aangetroffen. Zij bleken in de vroege ochtend van 20 februari 2000 van het leven te zijn beroofd, na ruzie en schotenwisseling in de bar van de sexinrichting.

2.3. In verband daarmee en met eerdere incidenten van mishandeling, illegaliteit en burenoverlast heeft verweerder tot de tijdelijke sluiting van de inrichting bevolen. Tot de definitieve sluiting is bevolen in verband met de eerder genoemde feiten, en tevens in verband met incidenten, die na de tijdelijke sluiting hebben plaatsgevonden.

2.4. Blijkens leveringsakte van 8 oktober 2001 heeft de gemeente Haarlem de appartementsrechten van het pand Generaal Bothastraat nr 44 (en van enkele panden aan de Kloosterstraat) van eiseres aangekocht.

2.5. Op grond van het nieuwe prostitutiebeleid van de gemeente is Club Esther per 1 oktober 2001 geschrapt van de lijst van toegelaten sexinrichtingen.

2.6. De rechtbank overweegt als volgt.

2.7. In de eerste plaats komt de vraag aan de orde of verweerder eiseres en eiser terecht heeft ontvangen in hun bezwaar tegen de beide primaire besluiten. Daartoe dient de vraag te worden beantwoord of zij als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden beschouwd, waaronder ingevolge artikel 1:2, eerste lid, Awb wordt verstaan : degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.8. Aangezien eiseres de eigenaresse is van de litigieuze panden en haar, nu de gebruiksmogelijkheden daarvan worden beperkt, niet een rechtstreeks belang bij de besluiten ontzegd kan worden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder haar bezwaarschrift terecht heeft ontvangen.

2.9. Omtrent de positie van eiser stelt de rechtbank vast dat deze zowel voor verweerder als voor de commissie van beroep- en bezwaarschriften kennelijk niet geheel duidelijk was en dat deze onduidelijkheid ook na de behandeling ter zitting niet geheel is opgeheven. Eiser heeft, naar hij onweersproken heeft gesteld, zijn horecapapieren ter beschikking gesteld van de exploitant van de inrichting. Voorts kan worden vastgesteld dat hij, blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, is aangesteld als gevolmachtigde van Fresco Nederland B.V., de exploitant van de sexinrichting.

De rechtbank is van oordeel dat het hebben en/of beschikbaarstellen van horecapapieren en/of de status van gevolmachtigde niet voldoende is om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij de besluiten betrokken belang van eiser. Daarbij is van belang dat eiser nimmer heeft aangegeven dat hij namens Fresco Nederland B.V. optrad. Hij heeft zich integendeel, in bezwaar zowel als in beroep, steeds op het standpunt gesteld dat hij niet als exploitant bij het prostitutiebedrijf was betrokken.

Dit betekent dat eiser wellicht een afgeleid belang heeft bij de hem toegezonden sluitingsbevelen, maar dat hij daardoor niet rechtstreeks in zijn belangen is getroffen, zodat hij derhalve niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, Awb kan worden aangemerkt.

Verweerder heeft derhalve ten onrechte eisers bezwaarschrift ontvankelijk geacht.

Dit heeft tot gevolg dat eisers beroepen in zoverre gegrond moeten worden verklaard, de bestreden besluiten in zoverre dienen te worden vernietigd en dat de rechtbank eiser alsnog niet-ontvankelijk in zijn bezwaren zal verklaren.

2.10. Voorts overweegt de rechtbank dat het bevel tot de tijdelijke sluiting is gegeven voor de panden nrs 42 en 44. In bezwaar is aangevoerd dat pand nr 42 als woonhuis (van derden) in gebruik is.

In het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften wordt dienaangaande geadviseerd dat het besluit niet geldt voor het pand nr 42 "voor zover dit pand niet als prostitutiebedrijf in gebruik is". In het bestreden besluit is omtrent het op dit punt aangevoerde bezwaar geen heroverweging kenbaar gemaakt. Ter zitting is namens verweerder

betoogd dat hij door te verwijzen naar het advies van de commissie bedoeld heeft het besluit op dit punt in te trekken.

De rechtbank is van oordeel dat het tijdens de bezwaarprocedure gebleken nieuwe gegeven tot nader onderzoek door verweerder had moeten leiden en eventueel tot een deugdelijk gemotiveerde herroeping van het bevel, voor zover dit betrekking heeft op sluiting van pand nr 42. Nu verweerder zulks heeft nagelaten lijdt het bestreden besluit aan een voorbereiding- en motiveringsgebrek en komt het besluit, gelet op de artikelen 3:2 en 7:12 Awb in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

2.11. Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling overweegt de rechtbank het volgende.

2.12. Namens verweerder is ter zitting betoogd dat verweerder ten aanzien van beide besluiten gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van de artikelen 172 en 174 van de Gemeentewet. Deze artikelen regelen de bevoegdheid van de burgemeester ten aanzien van handhaving van de openbare orde respectievelijk het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden.

De rechtbank stelt evenwel vast dat van één en ander niet blijkt uit de besluitvorming. Zowel in de primaire besluiten als in de besluiten op bezwaar genomen, wordt voor de grondslag van de uitgevaardigde bevelen (behoudens het op toepassing van bestuursdwang betrekking hebbende artikel 125 Gemeentewet) gewezen op het bepaalde in artikel 82 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De rechtbank gaat dan ook aan het ter zitting gevoerde betoog - wat daarvan overigens ook zij - voorbij en zal bij de beoordeling van de beroepen toetsen aan de in artikel 82 APV gestelde criteria.

2.13. Ingevolge artikel 82, eerste lid, APV is de burgemeester bevoegd de sluiting te bevelen van een gebouw, indien daarin wordt gehandeld in strijd met - onder andere - artikel 106, eerste lid, en het geopend blijven van de gelegenheid aantoonbaar gevaar oplevert voor de openbare orde of een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

Artikel 106, eerste lid, APV bepaalt dat het verboden is in een perceel of een perceelgedeelte waarover men de beschikking heeft bij herhaling of uit winstbejag aan derden gelegenheid te geven om ontuchtige handelingen te plegen.

2.14. Ten aanzien van het besluit tot de tijdelijke sluiting - gezien hetgeen onder punt 2.10 is overwogen te beperken tot pand nr 44 - oordeelt de rechtbank dat verweerder heeft kunnen concluderen dat aan deze criteria is voldaan. Immers het verbod van artikel 106 APV is onbetwist overtreden en gezien de gebeurtenissen op 20 en 22 februari 2000 heeft verweerder terecht kunnen oordelen dat het geopend blijven van de inrichting aantoonbaar gevaar zou opleveren voor de openbare orde alsmede een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat, mede gezien de kenbare onrust en het gevoel van onveiligheid bij de buurtbewoners. Het betoog van eiseres dat de openbare orde niet in gevaar is gekomen, omdat het schietincident zich uitsluitend binnen (in de bar van) de sexinrichting heeft plaatsgevonden doet hier niet aan af. Het incident in februari 2000 met de dodelijke afloop is dermate ernstig te noemen en had een dermate grote impact ook buiten de muren van de sexinrichting, dat de vrees voor verstoring van de openbare orde bij het geopend blijven van de inrichting als gerechtvaardigd is te beschouwen.

Evenmin gaat het betoog van eiseres dat een kortere sluitingsduur had kunnen en moeten worden bevolen op. De door het incident ontstane situatie is ook naar het oordeel van de rechtbank als dermate ernstig aan te merken dat een periode van zes maanden op zichzelf niet disproportioneel is te noemen. Bovendien speelt daarbij een rol dat uit het toen net gestarte

strafrechtelijk onderzoek tevens feiten naar voren konden komen die voor nadere bestuursrechtelijke besluitvorming van betekenis konden zijn.

2.15. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit tot sluiting van pand nr 44 tot 1 oktober 2000 en acht het beroep derhalve in zo verre ongegrond.

2.16. Ook ten aanzien van het besluit tot de definitieve sluiting oordeelt de rechtbank dat aan de criteria genoemd in artikel 82 APV is voldaan. Zij overweegt daartoe het volgende.

2.17. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zich ook na de (voorlopige, tijdelijke) sluiting van de sexinrichting incidenten hebben voorgedaan die de permanente sluiting rechtvaardigden. Daarbij heeft hij gewezen op de handgranaten die in de nacht van 10 op 11 april 2000 in pand nr 44 naar binnen zijn gegooid, op de op 19 april 2000 gepleegde brandstichting in de woning van eiseres en eiser in [woonplaats eiser 1 en 2] en op de handgranaat die op 9 september 2000 is gegooid in het bedrijf van een zakenpartner van eiser in [woonplaats eiser 1 en 2].

2.18. Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat verweerder zich in nadere besluitvorming na de tijdelijke sluiting in zijn mogelijkheden heeft beperkt doordat hij definitieve sluiting afhankelijk zou hebben gemaakt van de vraag of er een relatie tussen haar en de daders van de viervoudige moord kon worden aangetoond. Verweerder zou zijn besluit niet hebben kunnen nemen nu een zodanige relatie volgens de overwegingen in het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt. Bovendien stelt zij dat verweerder niet, althans niet zonder deugdelijke motivering, van genoemd advies had mogen afwijken.

2.19. De rechtbank verwerpt de betogen van eiseres.

In de ter beschikking staande gegevens valt geen steun te vinden voor de stelling dat verweerder zich bij verdere besluitvorming zou hebben beperkt op een wijze als eiseres doet voorkomen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat gekozen is voor eerst een tijdelijke sluiting om bij de afweging in het kader van de latere besluitvorming omtrent een eventuele definitieve sluiting de in het strafrechtelijk onderzoek gebleken feiten eventueel bij de besluitvorming te kunnen betrekken.

Blijkens haar advies heeft de commissie beroep- en bezwaarschriften gemeend dat zich in de periode vanaf 2 maart 2000 tot 29 september 2000 geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan een directe of indirecte relatie van eiseres met de daders van de viervoudige moord is aangetoond dan wel aannemelijk is geworden. Overigens merkt de commissie tevens op dat nader strafrechtelijk onderzoek daarover meer uitsluitsel zou kunnen geven, hetgeen voor de commissie reden is te adviseren tot een verlenging van de tijdelijke sluiting.

De vraag naar de relatie tussen eiseres en de gepleegde misdaad is, naar het oordeel van de rechtbank, evenwel voor de toepassing van artikel 82 APV, gelet op de daarin gestelde criteria, niet direct van belang. In dat kader is de vraag aan de orde is of het geopend blijven van de betreffende inrichting aantoonbaar gevaar oplevert voor de openbare orde of een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder terecht tot een bevestigende beantwoording van deze vraag kunnen komen. Uit de door hem daaraan ten grondslag gelegde incidenten mag worden afgeleid dat, ook al speelden twee van de incidenten zich af in [woonplaats eiser 1 en 2], eiser en eiseres kennelijk nog steeds in verband met de sexinrichting werden gebracht. Verweerder heeft de door hem genoemde incidenten dan ook kunnen betrekken bij zijn oordeel dat door

deze incidenten voor wat betreft de sexinrichting in de Generaal Bothastraat in Haarlem gevaar voor de openbare orde gevreesd kon worden en onrust en gevoelens van onveiligheid in de buurt werden opgeroepen. De rechtbank wil daarbij overigens nogmaals benadrukken dat daarmee niet gezegd is dat er een relatie bestaat tussen het plegen van de strafbare feiten op 20 februari 2000 en eiseres en eiser in persoon. Wel is voldoende komen vast te staan dat er een zodanige sfeer van onrust is ontstaan rond de exploitatie van de sexinrichting Club Esther, dat deze exploitatie een zeer negatieve weerslag kon hebben op het openbare leven in de omgeving van deze inrichting. Daarbij hoeft niet ieder incident, op zichzelf bezien, voldoende aanleiding te zijn voor een sluiting als hier aan de orde, zoals eiseres kennelijk heeft willen betogen. Wel kan ieder incident relevant zijn voor de uiteindelijke vaststelling dat bij de exploitatie van een sexinrichting de criteria als zijn opgenomen in artikel 82 APV aan de orde zijn.

Mede gelet op het gegeven dat de litigieuze sluiting niet een sanctie betreft maar een reparatoire maatregel is, die genomen wordt uit oogpunt van vrees voor verstoring van de openbare orde, is verweerder in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat er een dermate negatieve sfeer rond de sexinrichting heeste, dat bij heropening wederom gevaar voor de openbare orde en aantasting van het woon- en leefklimaat dreigde en dat definitieve sluiting derhalve gerechtvaardigd was.

2.20. Eiseres heeft voorts nog betoogd dat het besluit tot definitieve sluiting is genomen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir (artikel 3:3 Awb).

De rechtbank verwerpt ook deze grief. In de gedingstukken en evenmin in het verhandelde ter zitting kan geen steun voor de juistheid van deze stelling worden gevonden, behoudens de omstandigheid dat de besluitvorming met betrekking tot de beslissing op bezwaar betrekkelijk lang heeft geduurd. Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat de oorzaak daarvoor gelegen is in de daarbij te betrachten zorgvuldigheid. Zo vergden de beraadslagingen telkens de benodigde tijd, mede in verband met de verschillende gemeentelijke geledingen in het besluitvormingstraject.

Eiseres had overigens tegen het uitblijven van een (tijdige) beslissing bezwaar en beroep kunnen instellen. Zij heeft dit om haar moverende redenen niet gedaan. Ter zitting is namens haar aangegeven dat er gedurende de betreffende periode regelmatig overleg is geweest met de gemeente, mede in verband de voorgenomen koop en verkoop van de panden.

Onder deze omstandigheden kan een beroep op schending van artikel 3:3 Awb niet slagen.

2.21. Ook ten aanzien van de definitieve sluiting van pand nr 44 is de rechtbank derhalve van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Zij acht het beroep in zoverre ongegrond.

2.22. Nu beide bestreden besluiten in essentie in stand gelaten worden en slechts op niet-inhoudelijke gronden deels vernietigd worden (zie r.o. 2.9 en 2.10) ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Nu niet is gebleken dat eiser afzonderlijk griffierecht heeft voldaan wordt evenmin bepaald dat het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1. verklaart de beroepen van eiser tegen beide bestreden besluiten gegrond, voor zover hij daarbij in zijn bezwaren is ontvangen en vernietigt de besluiten op dit punt;

3.2. verklaart de bezwaren van eiser tegen de bevelen van 2 maart 2000 en 29 september 2000 alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het bij 3.1 gedeeltelijk vernietigde besluit;

3.3. verklaart het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 28 augustus 2000, voor zover betrekking hebbend op Generaal Bothastraat nr 42 gegrond en vernietigt het besluit in zoverre;

3.4. verklaart het beroep van eiseres tegen het besluit van 28 augustus 2000 voor het overige ongegrond;

3.5. verklaart het beroep van eiseres tegen het besluit van 14 december 2001 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr F.F.W. Brouwer, voorzitter, en mrs P.M.B. Schrijvers en D. Samkalden, leden, in tegenwoordigheid van mr M. Hekelaar als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2002

in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op :

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State , postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

reg. nrs: Awb 00-8386 en 02-194 - 7 -