Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2002:AE6974

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
169753 CV EXPL 02-1522
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TUSSENVONNIS

Rechtbank Haarlem

sector kanton, locatie Haarlem

zaak/rolnummer: 169753 CV EXPL 02-1522

datum uitspraak: 19 juni 2002

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

in de zaak van

[EISER]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [EISER]

gemachtigde H. Terhoeven

--tegen--

[GE[GEDAAGDE]

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [GEDAAGDE]

De procedure

[EISER] heeft [GEDAAGDE] op 1 maart 2002 gedagvaard [GEDAAGDE] heeft schriftelijk geantwoord. [EISER] heeft daarop schriftelijk gereageerd, waarna [GEDAAGDE] nog een schriftelijke reactie heeft gegeven.

De feiten

a. Van 1 maart 1996 tot 1 maart 2002 heeft (de rechtsvoorgangster van) [EISER] aan [GEDAAGDE] het jachtrecht verhuurd op de landbouwpercelen van (de rechtsvoorgangster van) [EISER] ter grootte van 2,63 ha.

b. [GEDAAGDE] heeft deze percelen de laatste 4 jaren niet bejaagd.

c. De percelen zijn als zelfstandig veld onbejaagbaar met het geweer, omdat dat veld kleiner is dan 40 ha.

d. Op 24 mei 2000 heeft [GEDAAGDE] bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een vergunning ex artikel 53 van de Jachtwet gevraagd voor de bejaging van hazen met gebruikmaking van geweer. Een dergelijke vergunning is nodig voor de bejaging van een bepaalde soort wild in het voor de jacht gesloten seizoen. Die vergunning is bij beslissing van 4 juli 2000 geweigerd.

e. Op 31 juli 2000 heeft [EISER] een bezwaarschrift ingediend tegen die beslissing. Het bezwaar is gegrond verklaard bij beslissing van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, welke beslissing op 13 februari 2001 is verzonden.

f. Door hazen is in 2000 schade toegebracht aan de door [EISER] op de percelen gekweekte anjers en solidago tot een bedrag van EUR 4.552,33 exclusief BTW.

g. De Wildschadecommissie voor de Provincie Noord Holland heeft in haar advies van 23 mei 2001 geoordeeld dat [GEDAAGDE] voor 75 % van deze schade (oftewel EUR 3.414,18) aansprakelijk is, omdat [GEDAAGDE] het perceel al enige jaren niet meer heeft bejaagd. [EISER] heeft [GEDAAGDE] voor dat deel van de schade [GEDAAGDE] aansprakelijk gesteld. Ondanks aanmaning daartoe heeft [GEDAAGDE] [EISER] niets betaald.

De vordering

[EISER] vordert (samengevat) veroordeling van [GEDAAGDE] tot betaling van EUR 3.414,18 vermeerderd met 15 % incassokosten en met rente.

[EISER] stelt daartoe onder meer dat [GEDAAGDE] voor 75 % van de schade aansprakelijk is.

[GEDAAGDE] heeft in strijd met de inspanningsverplichting die artikel 45 van de Jachtwet hem oplegt, de percelen van [EISER] de laatste jaren niet bejaagd, waardoor de hazen de voornoemde schade aan de planten hebben kunnen veroorzaken.

Weliswaar vormen de percelen geen bejaagbaar veld, maar [GEDAAGDE] had de percelen in de ter plaatse opererende Wildbeheereenheid (WBE) kunnen inbrengen, waardoor de percelen wel bejaagbaar hadden kunnen worden gemaakt. Als [GEDAAGDE] in het voor de jacht open seizoen zijn inspanningsverplichting wel was nagekomen, dan was de jacht buiten het jachtseizoen niet nodig geweest om de vraatschade in deze omvang te voorkomen en dan had het ook niet uitgemaakt dat voor die jacht buiten het seizoen geen vergunning was verleend.

Het verweer

[GEDAAGDE] betwist de vordering en voert daartoe onder meer aan dat hij alles heeft gedaan met betrekking tot het bejaagbaar houden van het veld en het voorkomen van schade aan de op dat veld staande gewassen. Hij heeft onder meer een naburige jager, die lid is van de plaatselijke WBE, gevraagd om voor hem een aantal hazen te schieten, maar die jager wilde dat alleen onder voor [GEDAAGDE] niet acceptabele voorwaarden doen. Daarmee houden de mogelijkheden voor [GEDAAGDE] op. Hij heeft voldaan aan de verplichting van de jachthouder om te toen wat een goed jager betaamt ter voorkoming van schade. Hij is niet verwijtbaar in gebreke gebleven.

Verder betoogt hij nog dat [EISER] zelf nog maatregelen had moeten/kunnen treffen waaronder het aanbrengen van een raster of electrisch gaas om de percelen heen.

De beoordeling van het geschil

Eerst bij dupliek heeft [GEDAAGDE] aangevoerd dat [EISER] tot 2000 chrysanten op de percelen teelde, welk gewas niet aantrekkelijk is voor hazen vanwege de bittere smaak, en dat de hazenstand tot 2000 ter plaatse matig was. In 2000 is [EISER] anjers en solidago gaan telen, welke planten wel gevoelig zijn voor schade door hazen. Jacht op hazen in het daarvoor liggende open jachtseizoen had geen soelaas geboden, aangezien ze er toen nauwelijks waren. Eerst in 2000 in het gesloten seizoen bleek bejaging nodig, waarvoor dus geen vergunning werd verleend, aldus [GEDAAGDE].

[EISER] heeft nog niet op dat verweer van [GEDAAGDE] kunnen reageren. [EISER] zal in de gelegenheid worden gesteld dat alsnog te doen, en wel op de hierna te melden rolzitting.

Beslissing

De kantonrechter:

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 17 juli 2002 voor schriftelijke uitlating door [EISER] als hiervoor bedoeld;

- bepaalt dat ter rolle geen uitstel zal worden verleend;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Harts en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.

EINDVONNIS

Rechtbank Haarlem

sector kanton, locatie Haarlem

zaak/rolnummer: 169753 CV EXPL 02-1522

datum uitspraak: 28 augustus 2002

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

in de zaak van

[EISER]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [EISER]

gemachtigde H. Terhoeven

--tegen--

[GE[GEDAAGDE]

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [GEDAAGDE]

De verdere beoordeling van het geschil

1. Bij tussenvonnis van 19 juni 2002 is de zaak naar de rol verwezen om [EISER] in de gelegenheid te stellen om te reageren op een eerst bij dupliek door [GEDAAGDE] als verweer aangevoerde stelling. [EISER] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

De kantonrechter neemt over en volhardt bij hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist.

2. Vast staat dat ingevolge artikel 45 van de in 2000 geldende Jachtwet iedere jachthouder verplicht is datgene te doen, wat een goed jager betaamt ter voorkoming van schade door in zijn jachtveld aanwezige wild. Verder staat vast dat het wild in het jachtveld dat [EISER] aan [GEDAAGDE] ter beschikking heeft gesteld, schade heeft veroorzaakt tot een bedrag van EUR 4.552,33 exclusief BTW.

3. Naar het oordeel van de kantonrechter is [GEDAAGDE] als jachthouder toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. [EISER] heeft het gelijk aan zijn kant met zijn stelling dat het [GEDAAGDE] mogelijk was geweest om, ondanks dat het jachtveld op zichzelf niet bejaagbaar was met het geweer, toch zijn verplichtingen na te komen door zijn jachtrecht in te brengen in de ter plaatse opererende Wildbeheereenheid. [EISER] heeft hierin ook de Wildschadecommissie in de provincie Noord-Holland aan haar zijde gevonden. Die commissie heeft immers op 23 mei 2001 in haar brief aan [EISER] geschreven dat naar haar oordeel de schadepercelen niet structureel onbejaagbaar zijn en dat de betreffende gronden deel uitmaken van een bejaagbaar jachtveld door een adequate huur en verhuur van jachtrecht.

4. Het verweer van [GEDAAGDE] dat een naburige jager die lid is van de plaatselijke Wildbeheereenheid de inbreng in een bejaagbaar veld heeft verhinderd door aanvullende voor [GEDAAGDE] onaanvaardbare voorwaarden te stellen, kan [GEDAAGDE] niet helpen. Niet is gesteld of gebleken dat die Wildbeheereenheid zelf de inbreng heeft geweigerd; wat een lid daarover mogelijk opmerkt doet weinig ter zake. [GEDAAGDE] had zich nader moeten informeren bij (het bestuur van) die organisatie in plaats van zich enkel tot dat ene lid te wenden. Van een verhindering als door [GEDAAGDE] opgevoerd is dan ook onvoldoende gebleken. [GEDAAGDE] is dan ook tekort geschoten.

5. [GEDAAGDE] heeft bij dupliek nog gesteld dat [EISER] tot 2000 op de betreffende percelen chrysanten teelde, die voor hazen onappetijtelijk zijn en dus minder uitnodigend voor vraat, en daarna de hazenvraat gevoelige plantensoorten anjers en solidago. [EISER] heeft dat verweer bij akte ontzenuwd, gestaafd met producties; hij heeft reeds vóór 2000 anjers en solidago op de betreffende percelen geteeld, aldus [EISER]. Ook dat verweer gaat dus niet op.

6. Verder heeft [GEDAAGDE] nog gesteld dat [EISER] zelf maatregelen had moeten treffen om vraatschade door wild te voorkomen.

Wat dat aangaat vindt [GEDAAGDE] enerzijds de voornoemde Wildcommissie deels aan zijn zijde, omdat ook de Wildcommissie van mening is dat [EISER] als grondgebruiker een raster had moeten aanbrengen rondom de betreffende percelen.

Anderzijds heeft Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in diens beslissing van 13 februari 2001 op het bezwaarschrift van [EISER] omtrent het weigeren van een jachtvergunning buiten het jachtseizoen overwogen dat niet van [EISER] kan worden gevergd om de percelen af te rasteren vanwege de ligging van de percelen (omsloten door water) en de moeilijkheden bij het bewerken en bijhouden van de percelen en de slootkanten die een dergelijk raster met zich zou meebrengen.

Maar zelfs de Wildcommissie is van mening, dat ondanks het verwijt dat zij [EISER] meent te mogen maken, zij [GEDAAGDE] voor 75 % van de schade aansprakelijk houdt en dat is nu precies hetgeen [EISER] door [GEDAAGDE] vergoed wil hebben. De kantonrechter ziet geen aanleiding om anders te beslissen dan dat [GEDAAGDE] voor de gevorderde 75 % van de schade aansprakelijk is. Ook dat verweer moet daarom worden verworpen.

7. De slotsom luidt dat [GEDAAGDE] ter zake van de door zijn toerekenbare tekortkoming veroorzaakte schade, zijnde 75 % van het totale schadebedrag van EUR 4.552,33 oftewel EUR 3.414,18, aan [EISER] moet vergoeden.

8. [GEDAAGDE] heeft op zichzelf geen verweer gevoerd tegen de tevens gevorderde incassokosten die eveneens kunnen worden toegewe-zen. [GEDAAGDE] dient deze incassokosten te voldoen. Het staat [EISER] immers vrij om ter verzekering van haar rechten incas-somaatregelen te nemen. [GEDAAGDE] heeft niet betwist dat [EISER] deze buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, zodat dit vast staat. Deze kosten worden toegewezen tot het bedrag van EUR 609,43, zijnde 15 % van de hoofdsom, vermeerderd met de BTW. Ook de gevorderde rente is toewijsbaar, nu [GEDAAGDE] met tijdige betaling in verzuim is gekomen.

9. De proceskosten komen voor rekening van [GEDAAGDE] omdat deze in het ongelijk is gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [GEDAAGDE] tot betaling aan [EISER] van EUR 4.023,61 te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 3.414,18 vanaf 15 december 2001 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt [GEDAAGDE] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [EISER] tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd en bepaalt dat de explootkosten worden verhoogd met een percentage dat overeenkomt met het percentage, bedoeld in art. 9, 1e lid, van de Wet op de Omzetbelasting 1968:

exploot EUR 65,18

vastrecht EUR 152,--

salaris gemachtigde EUR 562,50

- verklaart dit vonnis uitverbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Harts en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.