Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2002:AE6899

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-08-2002
Datum publicatie
27-08-2002
Zaaknummer
15/095487-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

KANTONGERECHT TE HAARLEM

tegenspraak

parketnummer: 15/095487-02

uitspraak: 27 augustus 2002

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

13 augustus 2002 in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres+woonplaats]

De verdachte is verschenen bij zijn schriftelijk gemachtigde de heer [GEMACHTIGDE].

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd:

dat hij op of omstreeks 7 mei 2002 te Schiphol op het luchtvaartterrein, te weten in de aankomsthal van terminal 1, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de exploitant (te weten NV Luchthaven Schiphol) (meermalen) bedrijfsactiviteiten heeft uitgeoefend en/of heeft gevent;

immers heeft hij, verdachte, (telkens) zijn taxidiensten aangeboden aan een of meer aldaar aanwezige perso(o)n(en) door in die hal rond te lopen met een bordje waarop de tekst "taxi-service" geschreven stond en/of door (telkens) aldaar een of meer perso(o)n(en) aan te spreken en mondeling zijn taxidienst aan te bieden.

2. Voorvraag

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding van verdachte geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

3. Bewezenverklaring

De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 7 mei 2002 te Schiphol op het luchtvaartterrein, te weten in de aankomsthal van terminal 1, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de exploitant (te weten NV Luchthaven Schiphol) meermalen bedrijfsactiviteiten heeft uitgeoefend; immers heeft hij, verdachte, telkens zijn taxidiensten aangeboden aan aldaar aanwezige personen door in die hal rond te lopen met een bordje waarop de tekst "taxi-service" geschreven stond en door aldaar personen aan te spreken en mondeling zijn taxidienst aan te bieden.

De kantonrechter grondt haar beslissing op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

A. Het op ambtseed opgemaakte en op 7 mei 2002 gesloten proces-verbaal (mutatienummer PL278b/02-36008) VAN [VERBALISANT], wachtmeester der Koninlijke Marechaussee District Schiphol, dat -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende inhoudt als verklaring van de verdachte:

"Ik werd op woensdag 7 mei 2002 omstreeks 21.00 uur door twee verbalisanten aangesproken omdat ik bij aankomst 1 op de luchthaven Schiphol mijn taxidiensten aanbood.

Zij hebben mij uitgelegd dat ik mijn taxidiensten niet meer mag aanbieden bij aankomsthal c.q. vertrekhal binnen in het luchthavengebouw.

Ik nam dit niet zo serieus mede gelet op het feit dat onderling bij de taxichauffeurs veel bedreigingen zijn geweest. Mede ook naar mijn richting. De bedreigingen bestaan dan uit:

"Wacht maar totdat het de 15e is want dan mag je hier je taxi diensten niet meer aanbieden".

Nadat de verbalisanten mij hadden gewaarschuwd ben ik weg gelopen. Daarna ben ik gaan kijken of ik andere collega's zag staan bij de aankomsthal om met hun over het hierbovenstaande te praten. En om te kijken of er daadwerkelijk iemand zou worden aangehouden. Ik zag iemand staan die wel zijn taxi diensten aanbood en heb toen hetzelfde gedaan."

B. Het op ambtseed opgemaakte en op 1 augustus 2002 gesloten proces-verbaal (mutatienr: PL278B/02-036008) van [VERBALISANT], wachtmeester der Koninklijke Marechaussee District Schiphol, welk proces-verbaal -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt de op 1 augustus 2002 tegenover deze verbalisant afgelegde verklaring van [GETUIGE]:

"Mijn functie is bedrijfsvoeringsmanager. Mijn dagelijkse werkzaamheden bestaan uit het bedrijfsvoering van transporten op de landzijde van Schiphol, hieronder vallen onder andere Taxi's en Hotelbussen.

Ik kan u mededelen dat er door de heer [VERDACHTE] geen toestemming is gevraagd om taxivervoer te mogen aanbieden in de hal van de Terminal.

De heer [VERDACHTE] heeft geen aanvraag ingediend bij de Schiphol Group. De heer [VERDACHTE] zou zo een vergunning niet hebben gekregen omdat dit in strijd zou zijn met het beleid van de Luchthaven Schiphol".

C. Het op ambtseed opgemaakte en op 11 mei 2002 gesloten proces-verbaal (dossiernummer PL278B/02-004454) van [VERBALISANT A] en [VERBALISANT B], beiden wachtmeester der Koninklijke Marechaussee District Schiphol, dat -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende inhoudt als verklaring van deze verbalisanten:

"Op dinsdag 07 mei 2002, omstreeks 20.50 uur, waren wij, verbalisanten, bezig met een voetsurveillance op Schiphol Plaza en belast met de algemene politietaak op de Luchthaven Schiphol.

Tijdens deze voetsurveillance liepen wij in de aankomsthal 1 op de Luchthaven Schiphol alwaar wij een man zagen staan. Wij, verbalisanten, zagen dat de man een geel bordje voor zich hield met daarop de tekst: "Taxi-service". Hierop spraken wij de man aan en vertelde hem dat het verboden is in het luchthavengebouw taxi vervoer aan te bieden.

Daarop vroeg de man ons sinds wanneer dit het geval is en hoeveel een boete voor dit feit kost.

Ik, verbalisant [A], deelde de man mede dat de Koninklijke Marrechaussee sinds 06 mei 2002 op deze regelgeving actief toezicht houdt. Tevens deelde ik de man mede dat er voor dit feit proces-verbaal word opgemaakt. Hierop is de man uit de aankomsthal 1 weggelopen waarna wij, verbalisanten, onze weg vervolgden.

Enkele minuten later liepen wij, verbalisanten, wederom in de aankomsthal op de Luchthaven Schiphol. Wij zagen aldaar dezelfde man in de aankomsthal drie mensen aanspreken. Wij herkende de man aan zijn grijze pak en zijn gelaat. Ik, verbalisant

[B], vroeg de aangesproken mensen wat de man hen zojuist gevraagd had. Volgens deze mensen had de man hen zojuist taxi vervoer aangeboden".

D. De kaart opgenomen in bijlage A behorende bij het aanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Schiphol d.d. 23 oktober 1996, (Stcrt. 1996,211 en gewijzigd in Stcrt. 1999,122).

De kantonrechter overweegt voorts ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende:

I. Artikel 1 van de Luchtvaartwet definieert het begrip "luchtvaartterrein" als een aangewezen terrein ingericht voor het opstijgen en landen van luchtvaartuigen.

Artikel 2 lid 2 van het aanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Schiphol d.d. 23 oktober 1996, (Stcrt. 1996,211 en gewijzigd in Stcrt. 1999,122) luidt: Tot het luchtvaartterrein Schiphol behoren de percelen en perceelsgedeelten, die met opgave van kadastrale aanduidingen als bedoeld in artikel 20, tweede lid onder a van de Luchtvaartwet zijn aangegeven op de kaart, opgenomen in bijlage A behorende bij dit besluit. De grens van het luchtvaartterrein is op deze kaart aangegeven in coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting".

Blijkens de betreffende kaart, waarvan een exemplaar door het Openbaar Ministerie ter openbare terechtzitting aan de stukken is toegevoegd, zijn aankomsthal 1 en Schiphol Plaza binnen deze grenzen gelegen.

II. Het mondeling dan wel door middel van het ophouden van een bord met de tekst "taxiservice" aanbieden van taxidiensten valt te kwalificeren als het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten. Tot zodanige bedrijfsactiviteiten van een taxiondernemer behoort ook het werven van klanten.

4. De strafbaarheid van het feit

Verdachte heeft aangevoerd dat onbegrijpelijk is, dat vanuit het Ministerie van Justitie aan alle erkende taxichauffeurs, waartoe hij behoort, informatie is verstrekt over de invoering van de Wet Personenvervoer 2000 als gevolg waarvan de vervoersgebieden per 1 januari 2002 zijn vervallen, zodat elke erkende taxiondernemer vervoer in heel Nederland mag aanbieden, en dat NV Luchthaven Schiphol deze mogelijkheid kennelijk weer ongedaan kan maken.

Voorts heeft verdachte aangevoerd dat taxichauffeurs, die niet een samenwerkingsover-eenkomst met NV Luchthaven Schiphol hebben, op het particulier terrein van NV Lucht-haven Schiphol wel passagiers mogen aanleveren tot aan de vertrek- of aankomsthal, daarmee bedrijfsactiviteiten uitoefenend.

De kantonrechter honoreert dit laatste verweer, dat zij verstaat als een beroep op de onbegrensde reikwijdte van de verbodsbepaling, en overweegt daartoe als volgt:

Artikel 2 lid 3 van het Aanvullend Luchthaven Reglement Luchthaven Schiphol (ALRLS) luidt: " Het is op het luchtvaartterrein verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de exploitant:

a. bedrijfsactiviteiten uit te oefenen, te doen of laten uitoefenen;

b. te venten of te colporteren.

Blijkens de door het Openbaar Ministerie ter zitting aan het dossier toegevoegde kaart behoren tot het luchtvaartterrein ook de toegangswegen vanaf de Rijksweg A4 tot het luchthavengebouw en alle daartussen gelegen percelen. Gelet op de bewoordingen van het geciteerde artikellid strekt het daarin vervatte verbod zich ook uit tot die toegangswegen, aangezien deze behoren tot het aangewezen luchtvaartterrein. Dit brengt mee dat het taxi- chauffeurs niet toegestaan zou zijn, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming hun passagiers bij het luchthavengebouw af te zetten.

Door deze reikwijdte omvat de verbodsbepaling niet alleen de beoogde bedrijfsmatige gedragingen in vertrek- en aankomsthal van het luchthavengebouw en Schiphol Plaza, doch vrijwel iedere bedrijfsmatige gedraging op het gehele aangewezen luchtvaartterrein, waaronder het aanvoeren van passagiers door taxichauffeurs uit den lande. Niet beoogd zal zijn, taxichauffeurs hun passagiers aan de grens van het luchtvaartterrein, derhalve bij de oprit van de A4 naar dit terrein, te doen afleveren. Aldus is onduidelijk voor taxi-chauffeurs op welke wijze zij wel en op welke wijze zij niet aan de (ook) tot hen gerichte norm voldoen. Daarmede is de tot de verdachte gerichte norm, vervat in de verbodsbepaling in artikel 2 lid 3 ALRLS, onvoldoende concreet en duidelijk omlijnd om hem in staat te stellen, zijn gedrag daarop af te stemmen en is aldus niet voldaan aan het zogenoemde lex certa-vereiste. De geschetste onduidelijkheid wordt nog versterkt door de inwerkingtreding van de Wet Personenvervoer 2000, op grond waarvan per 1 januari 2002 de vervoersgebieden zijn vervallen.

De verbodsbepaling van artikel 2 lid 3 ALRLS is daarom onverbindend.

Het bewezen verklaarde feit levert derhalve geen strafbaar feit op.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervol-ging.

5. Beslissing

De kantonrechter:

- verklaart bewezen dat de verdachte op 7 mei 2002 te Schiphol op het luchtvaartterrein, te weten in de aankomsthal van terminal 1, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de exploitant (te weten NV Luchthaven Schiphol) meermalen bedrijfsactiviteiten heeft uitgeoefend; immers heeft hij, verdachte, telkens zijn taxidiensten aangeboden aan aldaar aanwezige personen door in die hal rond te lopen met een bordje waarop de tekst "taxi-service" geschreven stond en door aldaar personen aan te spreken en mondeling zijn taxidienst aan te bieden.

- verklaart het bewezen feit niet een strafbaar feit te zijn;

- ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr C.E. van Oosten-van Smaalen, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

27 augustus 2002.