Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2002:AE6454

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
14-08-2002
Zaaknummer
180482/ AL VERZ 02-2110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2003, 10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Haarlem

sector kanton, locatie Haarlem

zaaknummer: 180482/ AL VERZ 02-2110

datum uitspraak: 7 augustus 2002

Beschikking van de kantonrechter

in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

ALGEMENE BOND VAN CASINOPERSONEEL,

te Heerlen,

verzoekster,

hierna: ABC,

gemachtigde: mr. H.F.A. Bronneberg,

--tegen--

1. de stichting

NATIONALE STICHTING TOT EXPLOITATIE VAN CASINOSPELEN IN NEDERLAND,

te 's-Gravenhage,

2. de ondernemingsraad van de

NATIONALE STICHTING TOT EXPLOITATIE VAN CASINOSPELEN IN NEDERLAND

te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer

verweersters,

hierna: afzonderlijk HC en OR,

gemachtigde: respectievelijk mr. T.J.C.M. Broekman en mr. R.H.G. Klatten.

De procedure

Op 5 augustus 2002 is ter griffie een verzoekschrift ex artikel 36 WOR ontvangen van ABC. HC heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2002. Op deze zitting hebben partijen hun standpunt nader toegelicht. De gemachtigden van ABC en OR hebben pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is verhandeld.

ABC en OR hebben producties in het geding gebracht.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken wordt van het volgende uitgegaan.

a. ABC is op 13 juni 2001 opgericht met het doel in samenwerking met de regiovakbond ABW (hierna: ABW) de sociale, economische en maatschappelijke belangen van de huidige en gepensioneerde werknemers van HC en van haar leden in het bijzonder te behartigen.

b. Tussen HC en OR is een geschil ontstaan omtrent de bevoegdheid van ABC tot het indienen van een kandidatenlijst voor de OR-verkiezingen van 2002. Dit geschil betrof de vraag of ABC dient te worden beschouwd als een voortzetting van ABW in de zin van artikel 9 lid 2 WOR. OR stelde zich op het standpunt dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, zodat ABC voldoet aan de vereisten waaraan krachtens artikel 9 lid 2 WOR een werknemersvereniging moet voldoen om een kandidatenlijst te kunnen indienen. Volgens HC is dit niet het geval.

c. HC heeft de Bedrijfscommissie Financiële Dienstverlening (hierna: de Bedrijfscommissie) gevraagd om een spoedbemiddeling. De bedrijfscommissie heeft op 30 juli 2002 geconcludeerd dat ABC niet kan worden beschouwd als een voortzetting van ABW in de zin van artikel 9 lid 2 WOR en dat zij derhalve niet bevoegd is een kandidatenlijst in te dienen ten behoeve van de OR-verkiezingen 2002.

Het verzoek

ABC verzoekt, na haar verzoek ter zitting te hebben gewijzigd, - beknopt weergegeven - dat de kantonrechter de uitspraak van de Bedrijfscommissie Financiële Dienstverlening van 30 juli 2002 vernietigt en, opnieuw rechtdoende,

1. verklaart voor recht dat de door ABC ingediende kandidatenlijsten voor de OR-verkiezingen 2002 rechtsgeldig zijn;

2. HC en OR beveelt de door ABC ingediende kandidatenlijsten als rechtsgeldig te aanvaarden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

met veroordeling van HC en OR in de kosten van de procedure.

Ter toelichting heeft ABC - samengevat - het volgende gesteld.

Uit de in de oprichtingsakte genoemde samenwerking met ABW blijkt, dat ABC is opgericht om de belangen van de werknemers van HC te behartigen die aanvankelijk door ABW werden behartigd. De door de Bedrijfscommissie gehanteerde interpretatie van de tekst is louter grammaticaal en derhalve te beperkt. De Bedrijfscommissie heeft bij haar oordeel onvoldoende de relevante feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat ABC een voorzetting is van ABW, meegewogen. Deze feiten en omstandigheden bestaan hieruit dat (1) het lidmaatschap van ABC tevens het lidmaatschap van ABW inhoudt, (2) de contributiegelden van ABC ter beschikking worden gesteld aan ABW, (3) voor ABC een eigen vakbondsbestuurder werkzaam is, (4) het bestuur van ABC mede bestaat uit bestuursleden van het hoofdbestuur van ABW, (5) opheffing van ABC slechts kan met voorafgaande goedkeuring van het hoofdbestuur van ABW en (6) dit tevens geldt voor wijziging van de statuten en het reglement.

Voorts is van belang dat bij akte van 31 juli 2002 de statuten van ABC zijn gewijzigd in die zin dat thans ook uit de tekst van de statuten blijkt, dat ABC een voortzetting is van ABW.

Het verweer

HC concludeert tot afwijzing van het verzoek.

Ter toelichting heeft HC - samengevat - onder meer het volgende aangevoerd.

ABC kan niet worden beschouwd als een vereniging in de zin van artikel 9 lid 2 WOR, aangezien zij nog niet gedurende twee jaar volledige rechtsbevoegdheid bezit. Zij kan evenmin worden beschouwd als een voortzetting van een andere vereniging en met name niet van ABW. Dit blijkt uit de statuten noch uit de feitelijke situatie. ABC heeft zich bij haar ledenwerving steeds gepresenteerd als een onafhankelijke, nieuwe vakbond en heeft nimmer gesproken over voortzetting van de activiteiten van ABW. De samenwerking met AWB is louter voortgekomen uit de noodzaak van het kunnen beschikken over know-how en kantoorruimte. ABW heeft die kunnen en willen bieden. Uit die samenwerking kan geen voortzetting worden afgeleid. ABW was bovendien geen actieve vakbond binnen HC.

Voor zover ABC zich thans beroept op wijziging van de statuten waaruit de voortzetting zou moeten blijken, dan kan ook hierin geen steun voor het standpunt van ABC worden gevonden. De akte van wijziging houdt geen wijziging in, maar slechts een toevoeging aan de overwegingen van de akte van oprichting. Voorts kon ABC geen wijziging verzoeken, omdat zij niet als (mede)oprichter van de vereniging geldt. Daarbij komt dat wijziging van de statuten alleen mogelijk is indien sprake is van een kennelijke misslag of schrijffout. Daarvan is hier geen sprake. Bovendien is de wijziging niet geschied conform de statuten, die voorschrijven dat voorstellen tot wijziging worden voorgelegd aan de algemene ledenvergadering, die hiertoe slechts met een meerderheid van twee/derde van de uitgebrachte stemmen kan besluiten. Geen van beide statutaire bepalingen is in het onderhavige geval gerespecteerd.

ABC is derhalve niet bevoegd tot het indienen van een kandidatenlijst voor de OR-verkiezingen 2002. Zij wordt daardoor echter niet in haar belangen geschaad, nu zij door middel van zogenaamde vrije lijsten, waaraan zij haar naam kan verbinden, aan de verkiezingen kan deelnemen.

HC daarentegen heeft er een gerechtvaardigd belang bij dat de rechtsgeldigheid van de verkiezingen is gewaarborgd, omdat zij wil voorkomen dat gedurende de zittingstermijn van de nieuwe ondernemingsraad de medezeggenschapsprocedures worden verstoord, indien komt vast te staan dat de verkiezingen niet op rechtsgeldige wijze zijn gehouden. Hiermee zouden ook de belangen van het personeel dat geen lid is van ABC kunnen worden geschaad.

OR refereert zich ten aanzien van het verzoek van ABC aan het oordeel van de kantonrechter.

De beoordeling van het verzoek

De kern van het geschil dat partijen verdeeld houdt is of ABC als voortzetting van ABW kan worden beschouwd in de zin van artikel 9 lid 2 WOR. De tekst van dit artikel luidt als volgt:

"Ten aanzien van een vereniging die krachtens haar statuten geacht kan worden een voortzetting te zijn van een of meer andere verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, wordt de duur van de volledige rechtsbevoegdheid van die vereniging of verenigingen voor de vaststelling van de tijdsduur van twee jaar mede in aanmerking genomen."

De kantonrechter is van oordeel dat ABC niet als voortzetting van ABW in de zin van de wet kan worden beschouwd. Zij baseert dit oordeel op de volgende gronden.

Vast staat dat ABW naast ABC nog steeds een zelfstandig opererende vakorganisatie is. Daartegenover heeft ABC onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zij krachtens haar statuten als voortzetting van ABW heeft te gelden. In de akte van oprichting van 13 juni 2001 wordt uitsluitend gesproken over samenwerking met ABW.

Voor zover ABC er zich op beroept dat zij de statuten na de uitspraak van de Bedrijfscommissie heeft doen wijzigen, wordt het volgende overwogen.

HC heeft een brief van mr. F. Volders, kandidaat-notaris, in het geding gebracht. Uit deze brief blijkt, dat wijziging van een oprichtingsakte dient te geschieden op verzoek van de partijen die ingevolge de akte van oprichting als de oprichters van de vereniging hebben te gelden. ABC, die op 13 juni 2001 is opgericht, was uiteraard zelf geen partij bij de oprichting. Daarbij komt dat de wijzigingsakte geen rectificatie van de statuten als zodanig bevat, maar een toevoeging in de vorm van een overweging. Nu niet is gesteld of gebleken dat de partijen bij de oprichting aan de notaris te kennen hebben gegeven dat het de intentie was dat ABC de voortzetting zou zijn van ABW, kan niet worden geconcludeerd dat uit deze overweging genoegzaam blijkt, dat er sprake is van een voortzetting door ABC van ABW.

Op de vraag of, indien er wel sprake zou zijn van een wijziging, deze wijziging op de juiste wijze, dat wil zeggen conform de statuten, heeft plaatsgevonden, behoeft dan niet te worden ingegaan.

Dat er op grond van de feitelijke situatie sprake is van een voortzetting door ABC van ABW valt uit de stellingen van ABC evenmin af te leiden. Het dubbele lidmaatschap en het feit dat de contributiegelden aan ABW toevloeien vormen veeleer een bevestiging van het naast elkaar bestaan van ABC en ABW dan van de voortzetting door ABC van ABW. Dit geldt evenzeer voor de andere argumenten die ABC heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar standpunt.

Nu ABC niet heeft betwist, dat ABW voor de oprichting van ABC slechts een geringe rol speelde binnen het bedrijf van HC - volgens haar voorzitter [voorzitter] ging het om enkele tientallen leden bij HC, terwijl ABC thans circa 1200 leden telt die werkzaam zijn binnen HC - kan ook niet op grond van de feitelijke situatie geconcludeerd worden dat ABC een voortzetting is van ABW.

Het bovenstaande leidt ertoe dat het verweer van HC slaagt, zodat aan het verzoek van ABC de grondslag komt te ontbreken. Het verzoek zal derhalve worden afgewezen.

Hetgeen partijen voor het overige te berde hebben gebracht behoeft in het licht van het voorgaande geen bespreking meer.

De kantonrechter ziet aanleiding de kosten van de procedure te compenseren, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Harts en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.