Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2002:AE4499

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-06-2002
Datum publicatie
24-06-2002
Zaaknummer
83273
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Zaaknummer: 83273/KG ZA 02-260

Vonnisdatum: 21 juni 2002

650

RECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

DE STICHTING INTERNATIONALE TUINBOUWTENTOONSTELLING FLORIADE 2002,

gevestigd te Hoofddorp,

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

procureur mr. F.H.P. Venbroek,

advocaat mr. G.J. Schuurman te 's-Gravenhage,

-- tegen --

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid THE LICENSING CHANNEL B.V.,

gevestigd te Diemen,

gedaagde partij,

procureur mr. B.F. Eblé,

advocaat mr. B.J, van Spaendonck te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Floriade respectievelijk TLC.

1. Het verloop van het geding

in conventie en in reconventie

1.1 Ter terechtzitting van 4 juni 2002 heeft Floriade overeenkomstig de dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna onder 3. weergegeven en die vordering toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities. TLC heeft tegen deze vordering verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.2 Vervolgens heeft TLC een eis in reconventie ingesteld als hierna onder 4. vermeld. Floriade heeft tegen deze vordering verweer gevoerd.

1.3 Na verder debat in tweede termijn hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op 21 juni of zoveel eerder als mogelijk.

2. De vaststaande feiten

In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

a. Floriade organiseert de internationale tuinbouwtentoonstelling de Floriade. Het beleid van Floriade is steeds geweest om zoveel mogelijk van de voor de organisatie noodzakelijke projecten uit te besteden aan derden.

b. Een belangrijke bron van inkomsten voor Floriade is merchandising.

c. In 1998 zijn tussen Floriade en TLC gesprekken gevoerd over de mogelijkheid dat TLC het merchandising project voor Floriade zou uitvoeren.

d. Vanaf eind december 2000 is overleg gepleegd over verschillende concept contracten.

e. Op enig moment ontstond bij Floriade bezorgdheid over het feit dat TLC niet met een concreet pakket van mogelijke merchandising producten op de proppen kwam. De sponsors van Floriade drongen aan op presentatie van deze producten. TLC weet dit probleem aan het gebrek aan zekerheid dat Floriade haar bood, waardoor TLC geen afspraken met leveranciers van dergelijke producten (sublicentienemers) kon maken.

f. Op 1 oktober 2001 is een contract ondertekend door enerzijds TLC en anderzijds de directeur van de Floriade. Het opschrift van dit contract luidt "Letter of Intend" met daaronder "Overeenkomst merchandising 2002". In dit contract staat in artikel 14 de verplichting van TLC een minimum garantiesom te betalen van € 185.000,--

g. Door Floriade zijn onder potentiële licentienemers circa 80 exemplaren verspreid van het zgn. merchandising boek en bijbehorende prijslijst. In beide stukken komt de volgende tekst voor:

"De Floriade is de licentiegever van het woord- en beeldmerk van de Floriade 2002.

De Floriade heeft een overeenkomst met de Licensing Channel om licentienemers te zoeken die dit merk exclusief willen gebruiken op hun produkten. Deze produkten worden voor verkoop aangeboden.

De Floriade en The Licensing Channel hebben reeds overeenstemming met een aantal licentie-nemers."

h. De Floriade heeft aan Versluijs & Hendriks (V&H) het exclusieve recht verleend de winkel(s) op het Floriade terrein te exploiteren. Op enig moment bleek dat in deze winkel(s) niet alleen merchandisingartikelen, maar ook gewone souvenirartikelen zouden worden verkocht.

i. Vervolgens rees het probleem dat de potentiële sublicentienemer van TLC voor textielproducten, welke producten het grootste aandeel in het totale merchandising pakket innemen, de eis stelde ook deze souvenirartikelen exclusief te mogen leveren. Dit kon TLC niet toezeggen, in verband met afspraken tussen Floriade en V&H.

j. Op 12 december 2001 is tussen partijen langdurig over het merchandising contract onderhandeld. Er zijn toen een aantal wijzigingen ten opzichte van het hiervoor onder f. genoemde stuk overeengekomen. Daarbij is als opschortende voorwaarde opgenomen dat door TLC een oplossing zou worden gevonden voor het hiervoor onder i. genoemde probleem.

k. In een brief van TLC aan de Floriade van 18 januari 2002 staat onder meer de volgende passage:

"Op 17 september 2001 hebben wij de directeur van de Floriade een brief geschreven.

De essentie hiervan was dat het project eigenlijk al te veel vertraging had opgelopen om nog een fatsoenlijk merchandising beleid neer te zetten. Deze brief heeft in zoverre geholpen dat er op 1 oktober een "letter of intend" is getekend. De afspraak was dat TLC op basis daarvan de gesprekken met de Retailer en Licentienemers zou opstarten en afmaken, tevens zouden we zo snel mogelijk een definitief contract maken."

In deze brief geeft TLC tevens aan dat het hiervoor onder i. genoemde probleem niet is opgelost. Zij stelt daarom voor het hiervoor onder f. genoemde garantiebedrag te verminderen met de helft.

l. De Floriade heeft TLC bij brief van 18 januari 2002 laten weten dat aan de onderhandelingen van partijen een einde is gekomen, nu op een wezenlijk onderdeel definitief geen overeenstemming kon worden bereikt.

3. De vordering in conventie en de grondslag daarvan

3.1 Floriade vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

het ten laste van eiseres bij exploot van deurwaarder E.H.A.M. van Deursen van 7 februari 2002 onder de Coöperatieve Raiffeisen Boerenleenbank BA te Utrecht gelegde beslag en het bij exploot van deurwaarder E.H.A.M. van Deursen op 7 februari 2002 onder de Coöperatieve Rabobank Haarlemmermeer UA te Haarlemmermeer gelegde beslag op te heffen, althans gedeeltelijk op te heffen, althans het bedrag tot zekerheid waarvan de beslagen zijn gelegd nader vast te stellen op € 75.000,-- euro, althans op een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag beneden € 750.000,-- euro, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

3.2 Floriade legt aan haar vordering ten grondslag dat de door TLC gelegde beslagen een deugdelijke grondslag ontberen, primair omdat, anders dan TLC stelt, geen merchandising overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, subsidiair omdat (een groot deel van) de schade waarop het beslag is gebaseerd, te weten schade bestaande uit kosten en vorderingen van derden, niet meer bestaat en de vordering in verband met winstderving in het beslagrekest slechts is begroot op een bedrag van 125.000,-- euro.

4. De vordering in reconventie en de grondslag daarvan

4.1 TLC vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Floriade veroordeelt tot betaling aan TLC van een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag ten titel van voorschot op de schadevergoeding, met veroordeling van Floriade in de kosten van de reconventie.

4.2 TLC legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen Floriade en TLC een overeenkomst tot stand is gekomen die door Floriade niet gestand is gedaan als gevolg waarvan TLC schade heeft geleden.

5. Het verweer in conventie en reconventie

Partijen hebben elkaars vorderingen over en weer gemotiveerd bestreden en beiden geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de andere partij met veroordeling van die partij in de kosten van het geding. Op deze weren zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van de geschillen nader worden ingegaan.

6. De gronden van de beslissing

in conventie

6.1 De grondslag van het door TLC gelegde beslag en van haar vordering in reconventie berust uitsluitend op de stelling dat partijen op 1 oktober 2001 een merchandising-overeenkomst zijn aangegaan, welke overeenkomst Floriade niet gestand heeft gedaan als gevolg waarvan Floriade verplicht is de door TLC geleden schade, onder meer bestaande uit gederfde winst, te vergoeden. Een beslissing over de vordering in conventie hangt derhalve af van het antwoord op de vraag of summierlijk van de ondeugdelijkheid van de door TLC gepretendeerde vordering is gebleken. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag voorshands bevestigend.

6.2 TLC baseert haar stelling dat op 1 oktober 2001 een (perfecte) overeenkomst is gesloten ten eerste op het hiervoor onder 2 sub e genoemde schriftelijke stuk. Ten tweede wijst TLC op de verspreiding door Floriade onder potentiële licentienemers en andere relaties van het onder 2 sub f genoemde merchandising-boek en de prijslijst met daarin de geciteerde passage. Tenslotte heeft TLC aangevoerd dat partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst, getuige onder meer het door de directeur gegeven akkoord voor het verstekken van een sublicentie aan Unieboek voor tuinboeken.

6.3 Floriade heeft daartegen als verweer aangevoerd dat op 1 oktober 2001 op tal van belangrijke elementen van de overeenkomst nog geen overeenstemming bestond. Floriade onderkende op dat moment wel de behoefte van TLC aan enige vorm van zekerheid om licentienemers te kunnen werven en merchandising producten te kunnen inkopen. Het was ook in het belang van Floriade dat TLC deze activiteiten kon verrichten. Om TLC in de gelegenheid te stellen dit te doen is volgens Floriade op 1 oktober 2001 besloten om het concept contract dat op dat moment voorwerp van bespreking was te ondertekenen en te voorzien van de woorden "Letter of Intend", waarmee beoogd werd uit te drukken dat nog geen sprake was van een perfecte overeenkomst. Ook het feit dat de overeenkomst namens Floriade is ondertekend door haar directeur, terwijl in de aanhef van het concept staat vermeld dat Floriade rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd door haar voorzitter en secretaris, is volgens Floriade een indicatie van het feit dat het betreffende stuk slechts de intenties en zeker niet de overeenstemming van partijen beoogde weer te geven.

6.4 De onderhandelingen over het contract zijn dan ook volgens Floriade na 1 oktober 2001 gewoon doorgegaan. Op 12 december 2001 is met instemming van partijen na een langdurige bespreking een aantal wijzigingen in het concept van 1 oktober 2001 aangebracht, waaronder een verlaging van de door TLC te betalen garantievergoeding van € 185.000,-- euro naar € 175.000,-- euro. Daarbij is volgens Floriade als opschortende voorwaarde overeengekomen dat TLC een oplossing zou weten te bereiken voor het probleem dat haar belangrijkste potentiële sublicentienemer op het gebied van textiel het exclusieve recht wenste te verkrijgen van levering van alle op het Floriade terrein te verhandelen textielartikelen, hetgeen ingevolge afspraken van Floriade met de exploitant van de winkels op het Floriade terrein, Versluijs & Hendriken, niet mogelijk was. Deze oplossing is vervolgens niet bereikt. Daarop heeft TLC en voorstel gedaan tot verlaging van eerdergenoemde garantievergoeding tot € 87.500,-- euro. Dit voorstel was voor Floriade niet acceptabel en derhalve is aan de onderhandelingen een einde gekomen. Voor de schade als gevolg van het feit dat Floriade TLC op 1 oktober 2001 het groene licht had gegeven sublicentienemers te benaderen en producten in te kopen is door Floriade inmiddels een oplossing bereikt.

6.5 De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat TLC dit gemotiveerde verweer van Floriade volstrekt onvoldoende heeft weersproken. De in het merchandising boek voorkomende tekst doet niet aan de stellingen van de Floriade af, nu daarin niet meer staat dan dat de Floriade met TLC een overeenkomst heeft "om licentienemers te zoeken". Hetzelfde geldt voor de goedkeuring van de sublicentie aan Unieboek. Met name heeft TLC onvoldoende verklaard waarom op de op 1 oktober 2001 getekende merchandising overeenkomst de vermelding "letter of intend" staat, als dit stuk, zoals TLC betoogt, een perfecte overeenkomst tussen partijen beoogde vast te leggen. Daar komt bij dat de hiervoor onder 2 sub h geciteerde passage uit de brief van TLC aan de Floriade van 18 januari 2002 veeleer het standpunt van de Floriade lijkt te bevestigen dat nog tot een definitief contract moest worden gekomen.

6.6 Voorts is het feit dat TLC zonder protest heeft ingestemd met de op 12 december 2001 bereikte oplossing voor het gerezen probleem met haar beoogde sublicentienemer voor textielproducten niet te rijmen met haar standpunt dat reeds op 1 oktober 2001 een overeenkomst was bereikt. Immers, ter zitting heeft de raadsman van TLC betoogd dat TLC op grond van die overeenkomst (en in het bijzonder artikel 2 lid 2) het exclusieve recht had tot levering van alle door Floriade en op het Floriade terrein te verkopen producten (uiteraard behoudens de blijkens artikel 2 lid 3 aan Floriade zelf voorbehouden producten). Op het moment dat bleek dat Floriade V&H evenwel het recht had gegeven gewone souvenirartikelen (d.w.z. artikelen niet voorzien van het Floriade logo) te verkopen, had het voor de hand gelegen dat TLC zich op het standpunt stelde dat Floriade in strijd handelde met de overeenkomst van 1 oktober 2001, als gevolg waarvan TLC in de onmogelijkheid kwam te verkeren te voldoen aan de eerdergenoemde verplichting tot betaling van een garantievergoeding. Het feit dat TLC dit niet heeft gedaan, maar op 12 december 2001 heeft (door)onderhandeld over (onder meer) de hoogte van deze vergoeding en tot overeenstemming is gekomen over een verlaging van het garantiebedrag en voornoemde ontbindende voorwaarde, is onverenigbaar met haar thans ingenomen standpunt dat reeds op 1 oktober 2001 een overeenkomst tot stand is gekomen.

6.7 De voorzieningenrechter acht op grond van de overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting evident dat tekening van de "letter of intend" op 1 oktober 2001 niet meer is geweest dan een stap in een onderhandelingsproces waarin op een gegeven moment door partijen beide cruciaal is geacht de oplossing van het probleem met betrekking tot de beperking op de exclusiviteit bij de verkoop van souvenirartikelen. Ook is evident dat die oplossing niet is bereikt. Daarop is door TLC gereageerd met het doen van nieuwe voorstellen die voor Floriade niet aanvaardbaar waren. De slotsom kan geen andere zijn dan dat de onderhandelingen over de overeenkomst zijn afgesprongen.

6.8 Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat tussen partijen de door TLC gestelde overeenkomst tot stand is gekomen. Dit leidt tot geen andere conclusie dan dat de grondslag van de vordering van TLC ondeugdelijk is, zodat de door TLC gelegde beslagen moeten worden opgeheven. Ter zitting heeft TLC aangevoerd dat het beslag onder de Coöperatieve Raiffeisen Boerenleenbank BA te Utrecht reeds is opgeheven en Floriade heeft dit niet weersproken. De te treffen voorziening kan derhalve worden beperkt tot het beslag onder de Coöperatieve Rabobank Haarlemmermeer UA. TLC zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de conventie.

In reconventie

6.9 Nu TLC ook haar reconventionele vordering uitsluitend heeft gebaseerd op de stelling dat een perfecte overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, welke stelling zoals hiervoor aangegeven, niet aannemelijk is geworden, ontbeert deze vordering eveneens een deugdelijke grondslag. De voorzieningenrechter zal deze vordering derhalve afwijzen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal TLC worden veroordeeld in de kosten van de reconventie.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie:

7.1 Heft op het op 7 februari 2002 onder de Coöperatieve Rabobank Haarlemmermeer UA te Haarlemmermeer gelegde conservatoire derdenbeslag.

7.2 Veroordeelt TLC in de kosten van dit geding, tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van Floriade begroot op € 270,56 euro aan verschotten en € 703,36 euro aan salaris procureur.

7.3 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

7.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie:

7.5 Wijst de vordering af.

7.6 Veroordeelt TLC in de kosten van dit geding, tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van Floriade begroot op € 703,36 euro aan salaris procureur.

7.7 Verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 21 juni 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.