Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2002:AE4120

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-06-2002
Datum publicatie
14-06-2002
Zaaknummer
82957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Zaaknummer: 82957/KG ZA 02-236

Vonnisdatum: 11 juni 2002

134

RECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de Stichting EVEAN GEBOORTEZORG,

gevestigd en kantoorhoudende te Purmerend,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

procureur mr. J.J. Perrels,

advocaat mr. M. Boyer te Amsterdam,

-- tegen --

gedaagde,

wonende te Purmerend,

gedaagde partij in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. H.K. Garvelink,

advocaat mr. P.A. van der Waal te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Stichting, respectievelijk [gedaagde].

1. Het verloop van het geding

in conventie en in reconventie

1.1 Ter terechtzitting van 3 juni 2002 heeft de Stichting overeenkomstig de dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna onder 3. weergegeven en die vordering toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities. [gedaagde] heeft tegen deze vordering verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.2 Vervolgens heeft [gedaagde] een eis in reconventie ingesteld als hierna onder 4. vermeld. De Stichting heeft tegen deze vordering verweer gevoerd.

1.3 Na verder debat in tweede termijn hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op 17 juni 2002 of zoveel eerder als mogelijk.

2. De vaststaande feiten

In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

a. De Stichting is per 1 november 2000 opgericht toen in Purmerend en omstreken een ernstig tekort aan eerstelijns verloskundige zorg dreigde te ontstaan. De Stichting verzorgt met verloskundigen in loondienst en zelfstandig gevestigde verloskundigen de uitvoering van de eerstelijns verloskundige zorg.

b. [gedaagde] is verloskundige. Zij heeft op 15 januari 2001 met de Stichting een overeenkomst van samenwerking gesloten die, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen bevat.

Artikel 1 Aanvang en duur van de overeenkomst

1. Partijen gaan met ingang van 1 januari 2001 met elkaar een samenwerkingsverband aan voor een periode van 1 jaar. Telkens voor 1 november van elk jaar besluiten partijen tot voortzetting voor een zelfde periode. Vindt een dergelijk overleg niet plaats, dan wordt de overeenkomst steeds voor 1 jaar stilzwijgend verlengd.

2. Partijen oefenen hun praktijk uit voor eigen rekening en risico.

(...)

Artikel 3 Organisatie van de samenwerking

1. Partijen dragen er zorg voor dat cliënten in de regio Purmerend e.o. zich inschrijven op één centraal adres van Stichting GeboorteZorg. Dit gebeurt met instemming van mevrouw S. [gedaagde]. Het adres voor inschrijving is GeboorteZorg. De toedeling van cliënten naar de verloskundige praktijk van Stichting GeboorteZorg en aan de Autonome verloskundige praktijk van mevrouw S. [gedaagde] vindt plaats aan de hand van door partijen nader overeen te komen criteria.

(…)

Artikel 5 Garantie

Stichting GeboorteZorg zal ten behoeve van mevrouw S. [gedaagde] zich garant stellen voor 150 verloskundige zorgeenheden per jaar.

Artikel 6 Wijziging praktijk

Mevrouw S. [gedaagde] zal haar autonome eerstelijns verloskundige praktijk niet wijzigen zonder toestemming van Stichting GeboorteZorg. Met name zal mevrouw S. [gedaagde] het maximum van 150 verloskundige eenheden niet overschrijden en zij zal evenmin haar praktijk uitbreiden met andere verloskundigen, al dan niet in dienstverband of een samenwerking met een ander verloskundige praktijk aangaan.

(...)

Artikel 11 Einde van de overeenkomst

(…)

2. De samenwerking eindigt voorts door opzegging van deze overeenkomst

a. Indien een van de partijen overweegt de praktijk op te heffen nemen beide partijen een opzegtermijn van 1 jaar in acht. De opzeggende partij is verplicht met opgaaf van redenen de opzegging te omkleden. Daarbij wordt aangemerkt dat geen van de partijen hierdoor onnodige schade mag ondervinden. Gedurende de opzegtermijn met een maximum van 1 jaar, hebben partijen de inspanningsplicht om in gezamenlijk overleg en op zo kort mogelijke termijn een oplossing te vinden voor een kwalitatief goede continuering van eerstelijns verloskundigenzorg in Purmerend e.o.

b. Indien beide partijen voornemens zijn na het opzeggen van de overeenkomst de praktijk te zetten in Purmerend e.o. zijn beide partijen gehouden om gedurende 2 jaar na opzegging van de overeenkomst de afspraken zoals benoemd in deze overeenkomst na te komen, tenzij beide partijen overeenstemming bereiken om de wederzijdse verplichtingen in een eerder stadium op te heffen

3. Opzegging vindt plaats bij aangetekend schrijven en kan alleen plaatsvinden op basis van gewichtige redenen.

c. Het merendeel van de cliënten van [gedaagde] is verzekerd bij het ziekenfonds PWZ Achmea (hierna ook: “ PWZ”). De Stichting heeft met PWZ een overeenkomst af-gesloten als bedoeld in artikel 44 lid 1 van de Ziekenfondswet. Voor aan die cliënten verleende zorg diende [gedaagde] tot oktober 2001 declaraties in bij de Stichting, die de betreffende bedragen weer bij PWZ in rekening bracht.

d. Omstreeks medio 2001 is de verhouding tussen [gedaagde] en de Stichting verstoord geraakt. Bij brief van 8 oktober 2001 heeft de Stichting de overeenkomst met [gedaagde] opgezegd tegen 31 mei 2002.

e. Vanaf november 2001 heeft [gedaagde] zonder tussenkomst van de Stichting cliënten ingeschreven.

f. Begin maart 2002 is [gedaagde] met een collega verloskundige een zelfstandige verloskundige praktijk begonnen, die geen samenwerkingsverband heeft met de Stichting. Op 11 maart 2002 is de samenwerking tussen de Stichting en [gedaagde] feitelijk beëindigd.

3. De vordering in conventie en de grondslag daarvan

3.1 De Stichting vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] op straffe van verbeurte van een dwangsom zal veroordelen om binnen drie werkdagen na betekening van het te wijzen vonnis de gegevens van alle patiënten die zij sinds 15 januari 2001 rechtstreeks, zonder tussenkomst van de Stichting in haar eigen praktijk heeft ingeschreven, aan de Stichting over te leggen.

3.2 De Stichting legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] uit hoofde van artikel 3 van de overeenkomst van samenwerking gehouden is de gevraagde gegevens te verstrekken. Doordat [gedaagde] cliënten heeft ingeschreven zonder tussenkomst van de Stich-ting, kan de Stichting voor aan die cliënten verleende zorg niet bij PWZ declareren.

Ter zitting heeft de Stichting verduidelijkt dat het haar bij haar vordering gaat om de tussen 15 januari 2001 en 11 maart 2002 ingeschreven patiënten.

4. De vordering in reconventie en de grondslag daarvan

4.1 [gedaagde] vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Stichting zal veroordelen tot betaling aan haar van een voorschot op schadevergoeding ten bedrage van € 50.000,-, althans een door de voorzieningenrechter te betalen bedrag.

4.2 [gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat de Stichting de overeenkomst van samenwerking niet rechtsgeldig heeft opgezegd, waardoor [gedaagde] schade heeft geleden respectievelijk schade lijdt.

5. Het verweer in conventie en reconventie

Partijen hebben elkaars vorderingen over en weer gemotiveerd bestreden en beiden geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de andere partij met veroordeling van die partij in de kosten van het geding. Op deze weren zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van de geschillen nader worden ingegaan.

6. De gronden van de beslissing

in conventie

6.1 De Stichting vordert afgifte van de gegevens van patiënten aan wie [gedaagde] vanaf januari 2001 verloskundige zorg heeft verleend. Zij stelt dat [gedaagde] daartoe gehouden is op grond van artikel 3 lid 1 van de overeenkomst van samenwerking, waarin is bepaald dat alle cliënten centraal op het adres van de Stichting worden ingeschreven.

6.2 [gedaagde] heeft zich tegen de vordering verweerd door aan te voeren dat de samenwerkingsovereenkomst geen verplichting tot afgifte van de gevraagde gegevens inhoudt en dat de Stichting niet geacht kan worden belang te hebben bij haar vordering. Dit verweer wordt verworpen. Artikel 3 lid 1 van de overeenkomst brengt met zich dat [gedaagde] verplicht is de gevraagde gegevens ter beschikking van de Stichting te stellen. De Stichting heeft daarbij ook belang, gelet op artikel 5, juncto artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst. Zonder patiëntengegevens heeft de Stichting immers geen inzicht in het aantal door [gedaagde] begeleide zwangerschappen.

6.3 Op een geheimhoudingsplicht ex artikel 7: 457 van het Burgerlijk Wetboek kan [gedaagde] zich niet met vrucht beroepen. Gezien de aard en de inhoud van de samenwerkings-overeenkomst is de Stichting rechtsreeks betrokken bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomsten die tussen 15 januari 2001 en 11 maart 2002 door [gedaagde] zijn aangegaan. Door de samenwerkingsrelatie heeft de Stichting een afgeleide geheimhoudingsplicht.

6.4 Het voorgaande voert ertoe dat de vordering zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden. [gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

in reconventie

6.5 Ter terechtzitting heeft [gedaagde] erkend dat de overeenkomst van samenwerking door opzegging zijdens Stichting op 11 maart 2002 is geëindigd, zij het dat zij van mening is dat de Stichting schadeplichtig is, omdat de Stichting tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, heeft opgezegd. Op grond van die onregelmatige opzegging vordert [gedaagde] een voorschot op schadevergoeding van € 50.000,-.

6.6 Dat [gedaagde] door de opzegging tegen 11 maart 2002 schade heeft geleden en hoeveel die schade ongeveer bedraagt is door haar onvoldoende, respectievelijk niet onderbouwd. Hierbij komt nog dat op grond van HR 14 april 2000, NJ 2000, 489 ten aanzien van de toewijzing van een geldvordering in kort geding een verzwaarde motiveringsplicht ten aanzien van het spoedeisend belang geldt. Dat [gedaagde] een spoedeisend belang heeft bij het door haar gevorderde voorschot is niet gebleken. De voorzieningenrechter heeft daarbij betrokken dat zij de mogelijkheid heeft om – gelijk zij ook voor oktober 2001 heeft gedaan – door declaratie bij de Stichting de nodige bedragen betrekking hebbend op door haar tot 11 maart 2002 verleende verloskundige zorg van het ziekenfonds PWZ te verkrijgen.

6.7 Het voorgaande voert tot afwijzing van de vordering. [gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de gedingkosten, met dien verstande dat de Stichting geacht wordt ten gevolge van de eis in reconventie geen extra kosten te hebben gemaakt.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie:

7.1 Veroordeelt [gedaagde] om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis de gegevens van alle patiënten die zij tussen 15 januari 2001 en 11 maart 2002 rechtstreeks, zonder tussenkomst van de Stichting in haar eigen praktijk heeft ingeschreven, aan de Stich-ting over te leggen.

7.2 Bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke mocht blijven aan de veroordeling onder 7.1 te voldoen, zulks tot een maximum van € 25.000,-.

7.3 Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van de Stichting begroot op € 270,56 aan verschotten en € 703,36 aan procureurssalaris.

7.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie:

7.5 Weigert de gevraagde voorziening.

7.6 Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van de Stichting begroot op nihil.

in conventie en in reconventie:

7.7 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer, voorzieningenrechter van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 11 juni 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.