Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2002:AE0454

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
21-03-2002
Zaaknummer
Awb 02/321 en 02/332
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Reg.nr.: Awb 02-321 en 02-332

Uitspraakdatum: 20 maart 2002

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

voorzieningenrechter

UITSPRAAK

(artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht)

op een verzoek om een voorlopige voorziening en tevens in de hoofdzaak

in de zaken van:

[eiser],

wonende te Haarlem,

eiser,

-- tegen --

de burgemeester van Haarlem,

verweerder,

gemachtigde mr. M.E. Biezenaar, advocaat te Haarlem.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij besluit van 23 mei 2001, uitgereikt aan eiser op 30 mei 2001, heeft verweerder, onder toepassing van artikel 13b van de Opiumwet, de sluiting gelast van het gedeelte van het perceel Kleine Houtstraat 118 te Haarlem, dat in gebruik is als horeca-inrichting (hierna te noemen: "Coffeeshop 2000") met ingang van 7 juni 2001 tot en met 6 december 2001, alsmede met ingang van 7 juni 2001 het verlof ex artikel 49 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Haarlem (verder: APV) voor het schenken van alcoholvrije dranken ingetrokken op grond van artikel 58, aanhef en onder a en d, van de APV.

Tegen dit besluit heeft H.B. Sodenkamp, namens eiser, bij brief van 5 juni 2001 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Kamer uit de commissie beroep- en bezwaarschriften van 5 december 2001, besloten:

- de bezwaren ongegrond te verklaren;

- het bestreden besluit voor zover dat is gebaseerd op artikel 13 onder b van de Opiumwet te handhaven;

- het bestreden besluit voorzover dat betrekking heeft op het op grond van artikel 49 APV verleende verlof in te trekken;

- de sluiting op te leggen in de periode van 1 maart 2002 tot en met 31 augustus 2002.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 februari 2002 bezwaar gemaakt bij verweerder. Verweerder heeft met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaarschrift als beroepschrift doorgezonden aan deze rechtbank.

Bij brief van 22 februari 2002, ter griffie ontvangen op dezelfde datum, heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening.

De zaken zijn behandeld ter zitting van 7 maart 2002. Eiser is niet ter zitting verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door H.B. Sodenkamp. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. Biezenaar, advocaat te Haarlem.

Voorts zijn aanwezig C. Laros - van der Jagt, medewerker afdeling veiligheid bij verweerders gemeente en P.N. Doodeman, hoofd Bijzondere Wetten van de politie, regio Kennemerland.

2. OVERWEGINGEN.

2.1 De voorzieningenrechter is van oordeel dat in deze zaak nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling daarvan en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Eiser exploiteert Coffeeshop 2000, een horeca-inrichting, gevestigd aan de Kleine Houtstraat 118 te Haarlem. Coffeeshop 2000 staat niet vermeld op de bij de Nota Beleid Coffeeshops behorende lijst van gedoogde coffeeshops in Haarlem. In Coffeeshop 2000 mogen slechts non-alcoholische dranken en versnaperingen worden verkocht en de verkoop van softdrugs niet wordt gedoogd.

2.3 Tijdens een controle op 6 december 2000 is door medewerkers van de politie Kennemerland, basisteam Centrum, vastgesteld dat eiser en een barmedewerker in een kort tijdsbestek aan vijf personen hash, zijnde een middel als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet, verkochten en afleverden. Eiser en de medewerker zijn vervolgens aangehouden ter zake van overtreding van de Opiumwet. In aanwezigheid van eiser heeft de politie het bedrijfsgedeelte van Coffeeshop 20000 en het woongedeelte, gelegen boven de inrichting, doorzocht. Hierbij werden zowel in de woning, als in de inrichting hash en met de handel in softdrugs gerelateerde goederen aangetroffen en in beslag genomen.

In de horeca-inrichting werd aangetroffen:

Achter de bar op en toonbank naast de kassa:

1. 1 sigarettendoosje met drie voorgedraaide joints;

2. een plastic zakje inhoudend ca. 20 kleinere lege gripzakjes (verpakkingsmateriaal);

3. een 2-tal kleinere gripzakjes waarin zich een kleine hoeveelheid hash bevond.

In een kast achter de bar:

4. een digitale weegschaal;

5. een plastic doosje inhoudend een kleine hoeveelheid hash.

In de keuken in een kast:

6. een plastic zakje inhoudend ca. 50 gripzakjes.

In de woning werd aangetroffen:

- zeven in plastic verpakte plakken hash, elk met een gewicht van ca. 100 gram;

- een gripzakje inhoudend 8 kleinere gripzakjes. In ieder gripzakje bevond zich een blokje hash met een totaalgewicht van ca. 75 gram;

- een gripzakje inhoudend 5 kleinere gripzakjes. In ieder klein gripzakje bevond zich een blokje hash met een totaalgewicht van ca. 50 gram;

- een gripzakje inhoudend 8 kleinere gripzakjes. In ieder gripzakje bevond zich een blokje hash met een totaalgewicht van ca. 75 gram;

- een gripzakje inhoudend 2 kleinere gripzakjes. In beide gripzakjes bevond zich een blokje hash met een totaalgewicht van ca. 15 gram.

2.4 Eiser is op 10 januari 2001 in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op het voornemen van verweerder om vanwege de handel in softdrugs in de inrichting over te gaan tot een tijdelijke sluiting van de inrichting kenbaar te maken. Van deze gelegenheid heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 14 januari 2001 gebruik gemaakt. Verweerder heeft bij besluit van 23 mei 2001 de inrichting met ingang van 7 juni 2001 tot en met 6 december 2001 gesloten. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 5 juni 2001 bezwaar gemaakt en bij brief van gelijke datum de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 7 juni 2001 heeft de president van de rechtbank het verzoek toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het door eiser ingediende bezwaarschrift.

2.5 In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 15 januari 2002, waarbij de bezwaren van eiser ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

2.6 Eiser stelt dat aan hem geen origineel en ondertekend besluit, noch van 13 december 2001, noch van 15 januari 2002, is toegezonden. Niet gesteld, noch gebleken is dat eiser hierdoor in zijn belangen zou zijn geschaad. Eiser heeft onweersproken kennis genomen van de besluiten en hiertegen tijdig een rechtsmiddel ingesteld waarbij de besluiten als bijlagen zijn meegezonden.

2.7 Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet geeft een uitdrukkelijke bevoegdheid aan de burgemeester met toepassing van bestuursdwang op te treden indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is.

2.8 In artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Ingevolge artikel 5:28 van de Awb is de feitelijke sluiting van een inrichting, door verzegeling, mogelijk.

2.9 Aan artikel 13b, eerste lid, Opiumwet ontleent verweerder de bevoegdheid om de in de Opiumwet strafbaar gestelde gedragingen te gedogen en om in dit verband een coffeeshopbeleid vast te stellen. Zoals uit de tekst van artikel 13b, van de Opiumwet, maar ook uit de jurisprudentie, blijkt, kan de inhoud van dat beleid bijzonder restrictief zijn. In casu heeft verweerder een beleid gehanteerd neergelegd in de Nota Beleid Coffeeshops, inhoudende dat handel in kleine hoeveelheden softdrugs in maximaal 15 met name genoemde coffeeshops wordt gedoogd.

2.10 De toetsing van het beleid dient in het licht van de vergaande bevoegdheden die aan verweerder zijn toegekend een terughoudende te zijn. Het besluit van verweerder komt slechts dan voor vernietiging in aanmerking indien het beleid als kennelijk onredelijk moet worden bestempeld.

2.12 De voorzieningenrechter stelt reeds op grond van de overgelegde stukken vast dat er sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 13b Opiumwet, zodat verweerder bevoegd was ter zake gebruik te maken van de op sluiting gerichte bestuursdwangbevoegdheid ingevolge deze bepaling.

2.13 Bij het opleggen van de sluiting heeft verweerder een redelijke begunstigingstermijn, zoals bedoeld in artikel 5:24, vierde lid, Awb, in acht genomen. Ook overigens wordt voldaan aan de wettelijk voorgeschreven vereisten bij het toepassen van bestuursdwang.

2.14 Voor het overige is de voorzieningenrechter van oordeel dat er in casu geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die nopen tot een matiging, een opschorting of afzien van de sanctie.

2.15 Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het handhaven van het besluit van 23 mei 2001 tot een tijdelijke sluiting van Coffeeshop 2000 en de effectuering er van met ingang van 1 maart 2002.

2.16 Nu het bestreden besluit ook anderszins niet voor vernietiging in aanmerking komt, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Gegeven deze beslissing wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

2.17 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. BESLISSING.

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.F.W. Brouwer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P. Vrugt, als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2002

in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

5

Reg.nr.: Awb 02-321 en 02-332