Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2002:AD9795

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
05-03-2002
Zaaknummer
O 77646/2001
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer : O 77646/2001

Datum beschikking: 5 maart 2002

EAM/JB

BESCHIKKING VAN DE RECHTBANK TE HAARLEM, ENKELVOUDIGE KAMER VOOR FAMILIEZAKEN,

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats vrouw],

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. M.M.H. van de Vijver-Aeckerlin,

--tegen--

[naam man],

wonende te [woonplaats man],

hierna mede te noemen: de man,

procureur mr. P.A.C. van Buul.

1 De loop van het geding

Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- het op 14 september 2001 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift van de vrouw met bijlagen;

- het op 31 oktober 2001 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verweerschrift van de man met bijlagen;

- de op 30 januari 2002 ter griffie van deze rechtbank ontvangen brief van mr. A.C. van Buul met bijlagen;

- het proces-verbaal van verhoor van partijen ter zitting van deze kamer van de rechtbank van 4 februari 2002.

2 De feiten en omstandigheden

Uit de stukken en bij het verhoor van partijen is onder meer het volgende gebleken.

2.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest, welk huwelijk is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank d.d. 4 augustus 1998.

Bij dezelfde beschikking van deze rechtbank is de vrouw belast met het gezag over der partijen minderjarige kinderen [naam man]:

- [naam eerste kind], geboren op 30 juli 1988 in de gemeente Heemskerk, en

- [naam tweede kind], geboren op 4 november 1990 in de gemeente Heemskerk

en is de man veroordeeld tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor deze minderjarigen met het door partijen in een door hen ondertekend convenant ter zake overeengekomen bedrag.

2.2 Ter zake de kinderalimentatie zijn partijen in genoemd convenant het volgende overeen-

gekomen (artikel 1.3):

"Met ingang van de ondertekening van dit convenant betaalt de man, bij vooruitbetaling, aan de vrouw een alimentatie voor de kinderen van ƒ 300,- per maand per kind. Vanaf de datum dat de vrouw opnieuw in het huwelijk zal treden dan wel zal gaan samenwonen met een ander als waren zij gehuwd zal de voormelde alimentatie worden verhoogd tot ƒ 500,- per maand per kind. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1: 402a BW, voor het eerst op 1 januari 1999."

3 Het verzoek van de vrouw

3.1 De vrouw verzoekt de rechtbank thans om vast te stellen dat de man met ingang van 1 juli 2001 bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam eerste kind] en [naam tweede kind] met ƒ 550,- per kind per maand.

3.2 De vrouw voert daartoe aan dat zij behoefte heeft aan de verzochte bijdrage en dat de thans door de man betaalde ƒ 300,- per kind per maand onvoldoende is gezien de leeftijd van de kinderen, haar eigen inkomen en het inkomen van de man.

Zij berust erin dat de man geen partneralimentatie meer betaalt, hoewel zij ontkent dat de omstandigheden als genoemd in artikel 1:160 BW en artikel 1.3 van het convenant (samenwonen met een ander als waren zij gehuwd) zich voordoen. Nu zij evenwel geen aanspraak meer maakt op een partneralimentatie dient de man conform hetgeen in het convenant is overeengekomen de daarin overeengekomen hogere bijdragen voor de kinderen te voldoen.

4 Het verweer van de man en tevens zelfstandig verzoek

4.1 De man heeft het verzoek van de vrouw gemotiveerd bestreden. Hij betwist de hoogte van de behoefte van de kinderen en veronderstelt dat de vrouw middels haar verzoek een verkapt partneralimentatie-verzoek doet. Bovendien stelt hij dat de vrouw eveneens dient bij te dragen in de kosten van de kinderen naar rato van haar inkomen.

4.2 De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de door hem verschuldigde partneralimentatie met ingang van 1 juli 2001 op nihil wordt gesteld.

5 Beoordeling van de verzoeken

5.1 Nu de vrouw erin berust dat de man geen partneralimentatie meer betaalt, zal het verzoek van de man om nihilstelling van de partneralimentatie worden toegewezen.

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw overweegt de rechtbank het volgende.

5.2 De man voert aan dat de vrouw een verhoging van de bijdrage in de kosten van de kinderen vraagt omdat zij geen behoefte meer heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en dit verzoek een verkapte partneralimentatie betreft. Voorts voert de man aan dat het verzoek in strijd is met de wettelijke maatstaven in dier voege dat bij het vaststellen van de kinderbijdrage zoals door de vrouw verzocht de door de man betaalde bedragen uitstijgen boven de werkelijke kosten van de kinderen. Ter zitting heeft de man nog aangevoerd dat een verhoging van de bijdragen voor de kinderen op grond van het convenant niet aan de orde is omdat zich niet de situatie voordoet waarin de vrouw is hertrouwd dan wel is gaan samenwonen met een ander als waren zij gehuwd.

5.3 De vrouw heeft onbetwist gesteld dat partijen bij het sluiten van het convenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven voor wat betreft de hoogte van de bijdragen voor de kinderen om zo de alimentatie voor de vrouw op een hoger bedrag te kunnen stellen. Niet alleen de vrouw zou hiervan profiteren maar ook de man gezien het grotere hiermee te genereren fiscale voordeel. De doelstelling was, zo begrijpt de rechtbank, om de draagkracht van de man optimaal aan te wenden.

De rechtbank maakt hieruit op dat de hoogte van de overeengekomen kinderbijdrage nauw samenhangt met de hoogte van de overeengekomen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Dit blijkt ook uit hetgeen partijen zijn overeengekomen over het wegvallen van de bijdrage voor de vrouw indien zij zou gaan hertrouwen dan wel zou gaan samenwonen met een ander als waren zij gehuwd. In dat geval zou de bijdrage voor de kinderen worden verhoogd.

Het komt de rechtbank onjuist voor en in strijd met de redelijkheid en de billijkheid indien, zoals de man betoogt, een verhoging van de bijdragen voor de kinderen op grond van het convenant niet aan de orde is nu weliswaar de in het convenant genoemde situatie zich niet voordoet maar de vrouw vrijwillig afstand heeft gedaan van haar aanspraken op alimentatie waarbij zij overigens niet, naar de man stelt, heeft gesteld dat zij geen behoefte meer heeft aan die bijdrage maar dat zij verwikkelingen omtrent de door de man niet betaalde partneralimentatie onwenselijk acht.

Uit de inhoud en de strekking van het convenant en hetgeen hieromtrent onweersproken door de vrouw naar voren is gebracht blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond, dat bij het wegvallen van de alimentatieverplichting ten behoeve van de vrouw de bijdrage voor de kinderen - die lager is overeengekomen dan op grond van de wettelijke maatstaven mogelijk was - zou worden verhoogd. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat, nu de man niet langer gehouden is een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen, conform het convenant de bijdragen voor de kinderen dienen te worden verhoogd tot het overeengekomen bedrag. Nu de indexering van deze overeengekomen bijdragen zou ingaan op 1 januari 1999 bedragen deze thans ƒ 546,88 per kind per maand, zijnde € 248,16 per kind per maand. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

5.4 De man heeft zich nog beroepen op dwaling en stelt een procedure bij de rechtbank Alkmaar te zijn begonnen teneinde vernietiging van het convenant in te roepen. In deze procedure betreft het echter de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De man stelt evenwel dat deze dwaling zich ook uitstrekt tot de overeengekomen bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw en de kinderen.

De vrouw betwist dat de man heeft gedwaald en heeft voorts aangevoerd dat voor haar niet kenbaar was dat de man het convenant eigenlijk niet met deze inhoud heeft willen sluiten.

De rechtbank is van oordeel dat de man te weinig heeft gesteld om een beroep op dwaling te honoreren. Hij heeft niet aangegeven op grond van welke feiten en omstandigheden hij een zodanige onjuiste voorstelling van zaken had en evenmin dat bij een ontbreken van dwaling de overeenkomst een andere inhoud zou hebben gekregen met betrekking tot deze bijdragen. Het enkele feit dat een snelle ondertekening van het convenant voor hem geboden was gezien de overkomst van zijn nieuwe partner uit het buitenland, is onvoldoende voor een beroep op dwaling omdat dit niet betekent dat is gedwaald omtrent de essentie van de overeenkomst, nog daargelaten de vraag of die dwaling dan voor de vrouw kenbaar was.

5.5 Evenmin heeft de man gesteld dat zich een wijziging van omstandigheden voordoet ten gevolge waarvan de overeenkomst heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Zo heeft de man erkend dat hij voldoende draagkracht heeft om de overeengekomen bijdragen te voldoen terwijl het inkomen dat de vrouw nu verdient, geen grond is om de overeengekomen bijdragen te verlagen nu dit inkomen lager is dan de voor de vrouw geldende bijstandsnorm en van haar derhalve een substantiële bijdrage in de behoefte van de kinderen niet kan worden gevergd.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de tussen partijen gewezen beschikking van deze rechtbank van 4 augustus 1998, de door de man aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud te betalen bijdrage met ingang van 1 juli 2001 op nihil.

6.2 Bepaalt dat de man met ingang van 1 juli 2001 bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [naam man]:

- [naam eerste kind], geboren op 30 juli 1988 in de gemeente Heemskerk, en

- [naam tweede kind], geboren op 4 november 1990 in de gemeente Heemskerk,

met € 248,16 per kind per maand, voor wat betreft de nog te verschijnen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die de man op grond van geldende wetten of andere regelingen ten behoeve van deze kinderen kan of zal worden verleend.

6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.4 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A. Mink, lid van deze kamer, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.