Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2002:AD9777

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
04-03-2002
Zaaknummer
66103/2000
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2003, 5

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

Zaaknummer: 66103/2000

Datum beschikking: 29 januari 2002

IR

BESCHIKKING VAN DE ENKELVOUDIGE KAMER VOOR FAMILIEZAKEN

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats vrouw],

verzoekende partij,

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. M.D.J.M. Bruin,

--tegen--

[naam man],

wonende te [woonplaats man],

verwerende partij,

hierna mede te noemen: de man.

1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- de beschikking van deze rechtbank d.d. 30 oktober 2001 en de daarin vermelde stukken;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting d.d. 18 december 2001.

2 De verdere beoordeling

2.1 Bij voornoemde beschikking is de behandeling van de zaak ter zitting aangehouden, teneinde de man alsnog in de gelegenheid te stellen zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot de door de Raad voor de Kinderbescherming in haar rapport d.d. 13 augustus 2001 geadviseerde omgangsregeling.

2.2 Uit het rapport van de Raad d.d. 13 augustus 2001 blijkt dat de door de rechtbank bij beschikking van 12 december 2000 vastgestelde voorlopige omgangsregeling niet naar tevredenheid is verlopen. Volgens de Raad is de oorzaak hiervan de slechte communicatie tussen partijen en het vermeende drankgebruik van de man. De vrouw heeft aangegeven het belangrijk te vinden voor de kinderen om op een goede manier contact te kunnen hebben met de man, maar het vermeende alcoholgebruik staat aan dit contact in de weg.

De Raad is van mening dat een omgangsregeling tussen de man en de kinderen tot de mogelijkheden behoort, nu de minderjarigen naast negatieve ervaringen met de man ook positieve ervaringen hebben. Gezien het verloop van de omgangsregeling lijkt het een voorwaarde te zijn dat de man hulp gaat zoeken voor zijn drankgebruik. De Raad acht het gewenst dat, gelet op het verloop van de omgangsregeling, de omgang onder begeleiding van een derde plaatsvindt teneinde de veiligheid en geborgenheid van de kinderen te waarborgen. Voorts is uit de rapportage naar voren gekomen dat de grootouders(v.z.) niet meer bereid zijn de omgang te begeleiden. De Raad adviseert de rechtbank een omgangsregeling vast te stellen waarbij de man en de minderjarigen een keer per twee weken in het weekend gedurende vier uren omgang met elkaar hebben onder begeleiding van een derde en deze regeling na een half jaar ter zitting te evalueren.

2.3 De man heeft ter zitting betwist dat hij een drankprobleem heeft. Hij is daarom ook van mening dat hij geen hulp nodig heeft. Voorts heeft hij verklaard dat hij het niet eens is met hetgeen in het rapport van de Raad staat beschreven. Hij heeft verklaard dat, indien de omgang niet onder zijn voorwaarden kan plaatsvinden, hij afziet van omgang met de minderjarigen en zal wachten totdat de kinderen meerderjarig zijn.

2.4 De Raad heeft ter zitting nogmaals benadrukt dat de kinderen bang zijn voor de man wanneer hij heeft gedronken. Met name het oudste kind geeft aan niet meer naar de man te willen gaan omdat het toch steeds fout gaat.

De Raad is van mening dat het noodzakelijk is dat de man hulp zoekt voor zijn drankprobleem.

2.5 De man heeft niet aannemelijk kunnen maken dat hij niet te kampen heeft met een alcoholprobleem. De rechtbank ziet, nu de man niet bereid is mee te werken aan de door de Raad geadviseerde begeleide omgangsregeling, geen mogelijkheid een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen vast te stellen. Aan een aanhouding van de procedure teneinde een (voorlopige) omgangsregeling te evalueren komt de rechtbank dan ook niet toe. De rechtbank ziet evenmin grond de procedure aan te houden om over een half jaar de omstandigheden van de man te bezien, omdat de man op generlei wijze te kennen heeft gegeven iets aan zijn huidige situatie te willen wijzigen. Er is dan geen reƫel met een aanhouding te dienen doel aanwezig.

Daar partijen tezamen het ouderlijk gezag hebben over de minderjarigen kan de rechtbank de man het recht op omgang niet ontzeggen. Dit recht vloeit direct voort uit de uitoefening van het ouderlijk gezag.

Gelet op hetgeen in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming staat beschreven is de rechtbank evenwel van oordeel dat een onbegeleide omgangsregeling thans in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen. De rechtbank kan dan ook niet overgaan tot het vaststellen van een omgangsregeling zoals door de man gewenst en kan derhalve geen gestalte geven aan zijn recht op omgang, zodat de rechtbank het verzoek van de man hiertoe zal afwijzen.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Wijst af het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling met de minderjarigen [naam man]:

- [naam eerste kind], geboren 10 april 1991 te Amsterdam en

- [naam tweede kind], geboren 31 maart 1994 te Amsterdam.

Aldus gegeven door mr. E.A. Mink, lid van deze kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.