Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AD7659

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-12-2001
Datum publicatie
03-01-2002
Zaaknummer
15/030493-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Privacy en persoonsgegevens 2001/936
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

tegenspraak

parketnummer: 15/030493-00

uitspraak: 27 december 2001

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 december 2001 gewezen in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

ingeschreven te: [adres]

feitelijk verblijvende: [adres]

1. Telastelegging

Aan de verdachte is telastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I (a en b) bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding van verdachte geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1. Niet ontvankelijkheidsverweer

De raadsman heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Hij heeft daartoe aansluiting gezocht bij het door de raadsman van zijn vader gevoerde verweer dat het OM het door Triversum (de psychiatrische kliniek waar de zuster van verdachte werd behandeld) verstrekt medisch dossier integraal in het strafdossier heeft gevoegd en gehouden en de gegevens daaruit tot het bewijs wil laten meewerken. De raadsman acht een en ander onjuist, omdat het medisch dossier ook gegevens bevat die betrekking hebben op verdachte en verdachte geen toestemming aan Triversum of aan justitie heeft verleend om die gegevens te verstrekken, respectievelijk te gebruiken. Zo primair al niet moet worden geoordeeld dat de politie de desbetreffende informatie op onrechtmatige wijze heeft vergaard, dan is in elk geval het gebruik daarvan door het OM -in de wetenschap dat Triversum die informatie op grond van het beroepsgeheim, de privacyregelgeving en de Wet BIG niet had mogen verstrekken- onrechtmatig. De raadsman acht de handelwijze van politie en/of justitie dermate onzorgvuldig, dat het OM het recht op vervolging in casu moet worden ontzegd.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de stukken is gebleken dat de politie zich tot Triversum heeft gewend met een verzoek om afgifte van het betreffende medisch dossier, zulks naar aanleiding van verklaringen van de zuster van verdachte dat de betrokkenheid van verdachte bij het tenlaste gelegde feit daaruit zou blijken. Daarbij had de politie zich ervan vergewist dat de zuster van verdachte de behandelend therapeuten bij Triversum schriftelijk toestemming had verleend om haar medische en sociale gegevens ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek te verstrekken.

W. Weijer, eerste geneeskundige van Triversum, heeft de politie vervolgens bericht dat verstrekking van gegevens eerst zou plaatsvinden na schoning van het desbetreffende dossier. Vervolgens zijn elf medische en sociale verslagen uit dit dossier ter beschikking gesteld aan de politie.

Naar het oordeel van de rechtbank getuigt de hiervoor weergegeven handelwijze van de verbalisanten niet van optreden in zodanige strijd met een goede procesorde en evenmin van een zodanige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het OM dient te leiden. Daaraan wordt niet afgedaan doordat de verbalisanten verdachte terzake niet om toestemming hebben gevraagd.

Evenmin is de rechtbank tot het oordeel kunnen komen dat het OM geen vervolgingsrecht meer toekomt door gebruik te maken van gegevens die -beweerdelijk- in strijd met wet en regelgeving zijn verstrekt.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de door de raadsman in dit verband genoemde rechtsregels, waaronder die van het beroepsgeheim, de Wet BIG en de Wet bescherming persoonsgegevens -voor zover hier van belang- primair zien op de onderlinge relatie tussen patient c.q. betrokkene enerzijds en de behandelaar respectievelijk verantwoordelijke voor of bewerker van persoonsgegevens anderzijds, terwijl de relatie tussen verdachte en OM niet als zodanig valt aan te merken.

Daarnaast is het nog maar de vraag of Triversum zijn geheimhoudingsplicht in casu heeft geschonden; betwijfeld moet immers worden dat verdachte door deelname aan de in het kader van de behandeling van zijn zuster gevoerde gezinsgesprekken, zelf als patient van het Triversum moet worden aangemerkt. De rechtbank wijst in dit verband op hetgeen voornoemde Weijers in het gerechtelijk vooronderzoek over het karakter van de gehanteerde systeemtherapie heeft verklaard, en op het feit dat verdachte zich zelf -blijkens verschillende uitlatingen- niet als patient beschouwde en beschouwt.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat ook indien zou moeten worden aangenomen dat Triversum (door het verstrekken van gegevens) onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens verdachte, zulks nog niet zonder meer met zich brengt dat gebruikmaking van die gegevens door het OM in flagrante strijd is met een goede procesorde danwel een dermate ernstige schending oplevert van de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat het OM niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijsbeslissing

3.1. Vrijspraak

Noch uit de gedingstukken, noch uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, heeft de rechtbank de overtuiging gekregen dat verdachte de feiten, zoals die hem ten laste zijn gelegd, heeft begaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte primair danwel subsidiair is telastegelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4. Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair danwel subsidiair telastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Grosheide, voorzitter,

mrs. Smit en Vos-de Greeve, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier De Jong en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 december 2001.