Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AD7198

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-12-2001
Datum publicatie
17-12-2001
Zaaknummer
15/030552-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK te HAARLEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/030552-01

Uitspraakdatum: 17 december 2001

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 december 2001 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht - P.I.V. Nieuwegein, te Nieuwegein.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijsbeslissing

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in de dagvaarding onder 1 t/m 6 pri-mair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

Motivering vrijspraak

Ten aanzien van de feiten.

Uit getuigenverklaringen is gebleken dat in twee kinderdagverblijven een twaalftal medische incidenten heeft plaatsgevonden met de zes kinderen die in de tenlastelegging worden genoemd. Voorts staat vast dat verdachte bij al die incidenten in de kinderdagverblijven als kinderleidster aanwezig is geweest. Bij elf van de twaalf incidenten was zij degene die het laatst met de kinderen in contact was geweest en die de incidenten bij de kinde-ren signaleerde. Bij één incident had zij het kind 's morgens verzorgd voordat het na de lunchpauze door een collega uit bed werd gehaald en gevoed, waarna het incident optrad.

Dat verdachte voorafgaand aan die incidenten handelingen zou hebben gepleegd die tot die incidenten hebben geleid (en welke die handelingen waren) is uit geen van de op dat punt relevante getuigenverklaringen af te leiden.

Overigens is van een aantal incidenten niet komen vast te staan dat deze levensbedreigend waren. In een aantal gevallen zijn immers geen medische gegevens van behandelend artsen beschikbaar of is levensbedreigendheid door de behandelend arts niet aangenomen.

Ten aanzien van het bewijs:

Allereerst een opmerking over het toeval.

Aangenomen dat statistisch gezien sprake is van samenhang tussen het werkzaam zijn van verdachte en het voorkomen van incidenten, toont dat opzichzelf nog niet aan dat verdachte de incidenten ook daadwerkelijk heeft veroorzaakt. De bewijzen daarvoor dienen mede uit andere bewijsmiddelen te komen.

De officier van justitie heeft voor het bewijs onder meer steun gezocht bij de resultaten van een medisch dossieronderzoek. De conclusie van dat onderzoek is, dat de meest waarschijnlijke verklaring voor alle incidenten een kunstmatig ingrijpen is (geweest), bijvoorbeeld door smoren of het op een andere manier belemmeren van de luchtdoorstroming en/of door het toedienen van extern bloed.

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat deze conclusie onvoldoende bijdraagt tot het bewijs van het tenlastegelegde, te weten handelingen gepleegd door verdachte.

Daarbij merkt de rechtbank nog op dat die conclusie mede is gebaseerd op het veronderstelde zeer weinig voorkomen van levensbedreigende incidenten bij baby's. Daarbij wordt verwezen naar de gegevens van SIDS (wiegendood), terwijl in feite de frequentie van levensbedreigende situaties onbekend is. Wetenschappelijk on-derzoek op dit punt ontbreekt immers, terwijl de relatie met het - wel onderzochte - SIDS niet is komen vast te staan.

Voorts hebben in die incidenten waarbij artsen zijn ingeschakeld, deze artsen weliswaar geen (duidelijke) oor-zaak voor de geconstateerde klachten gevonden, maar tegelijkertijd niet uitgesloten dat de ziekteverschijnselen in verband staan met andere oorzaken dan kunstmatig ingrijpen door verdachte.

Aldus komt de rechtbank tot de slotsom dat bewijsmiddelen in deze zaak ontbreken, danwel ongenoegzaam zijn.

4. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen dat verdachte de in de dagvaarding onder 1 t/m 6 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Beveelt opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis en beveelt onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Smit, voorzitter,

mrs. Robert en Ruijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Bruijn,

en uitgesproken bij vervroeging op de openbare terechtzitting van 17 december 2001.