Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AD6176

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
Awb 01-1642
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 13
Module Horeca 2001/1119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: Awb 01-1642

Uitspraakdatum: 23 november 2001

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM,

Fungerend president

U I T S P R A A K

op een verzoek om voorlopige voorziening

ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de zaak van:

Zilpa B.V.

h.o.d.n. Fundustry/Funfactory,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn

-- tegen --

de burgemeester van Zaanstad,

verweerder,

gemachtigde: mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 21 november 2001 heeft verweerder op grond van artikel 2.3.1.5 Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) voor de horecagelegenheid van verzoekster gelegen aan de Hemkade 48 te Zaandam tijdelijk een ander sluitingsuur vastgesteld. Voorts heeft hij bij dit besluit op grond van artikel 1.6, onder b, APV aanvullende voorwaarden verbonden aan de op 20 januari 1995 aan verzoekster verleende horeca-exploitatievergunning.

Tegen voormeld besluit heeft verzoekster bij brief van 22 november 2001 bezwaar gemaakt.

Voorts heeft zij de president gevraagd het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

Dit verzoek is behandeld ter zitting van 23 november 2001, alwaar verzoekster zich heeft doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde en verzoeksters directeur. Verweerder is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voorzover bij de behandeling van dat verzoek een oordeel met betrekking tot de hoofdzaak wordt gegeven, draagt dat oordeel een voorlopig karakter.

2.2 Artikel 2.3.1.4 APV luidt voor zover hier van belang als volgt:

1. Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers geopend te hebben of daarin een of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 uur en 07.00 uur

Artikel 2.3.1.5, eerste lid, APV luidt als volgt:

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.4. geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

2.3 Verzoekster organiseert in de onderhavige horeca-inrichting grootschalige dansfeesten waarbij het gros van de bezoekers zich door middel van gebruik van onder meer XTC-pillen op de been houdt. De “dance-party’s” beginnen omstreeks middernacht en duren voort tot in de ochtend. Bij de in 1995 aan verzoekster verleende horeca-ex-ploitatievergunning zijn haar vrije sluitingstijden toegekend. Deze tijden zijn met de thans getroffen tijdelijke maatregel als bedoeld in voormeld artikel 2.3.1.5 APV aldus beperkt dat het verzoekster tot en met zondag 30 december 2001 verboden is om haar inrichting tussen 02.00 uur en 20.00 uur voor bezoekers geopend te hebben of daarin één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven. Voorts heeft verweerder aanvullende voorwaarden aan evengenoemde vergunning verbonden.

2.4 Voorafgaand aan de thans genomen maatregel had verweerder de algehele sluiting van de inrichting voor de periode woensdag 14 november 2001 tot maandag 19 november 2001 bevolen. Aanleiding daarvoor was dat binnen een vrij korte periode twee bezoekers tijdens hun verblijf in de inrichting waarschijnlijk mede ten gevolge van overmatig drugsgebruik zijn overleden. Bij uitspraak van 16 november 2001, zaaknummer Awb 01-1599, heeft de fungerend president het door verzoekster ingediende verzoek om schorsing van het sluitingsbevel afgewezen. Daartoe heeft de president onder meer overwogen dat het voldoende is komen vast te staan dat, vooral gelet op diverse incidenten in de gezondheidssfeer die recent in en rond de organisatie van grote dansfeesten in deze discotheek hebben plaats gevonden, er meer dan normale gezond-heidsrisico’s aan de orde kunnen zijn en dat verweerder uit een opeenvolgend aantal incidenten heeft kunnen concluderen dat de situatie uit een oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen onvoldoende beheersbaar is.

2.5 Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder besloten tot een tijdelijke maatregel omdat hij nog niet beschikt over alle informatie voor een structureel besluit en hij het bij afweging van de betrokken belangen niet redelijk achtte opnieuw een algehele sluiting te gelasten.

Verweerder wil “in het belang van de gezondheid en de openbare orde ieder risico zoveel mogelijk uitsluiten” en heeft om die reden de bestreden sluitingstijden vastgesteld.

2.6 Van de kant van verzoekster zijn geen gegevens overgelegd die een ander licht op de feiten werpen dan waarvan de president bij voormelde uitspraak van 16 november 2001 is uitgegaan. Deze uitspraak vormt derhalve een gegeven.

2.7 Verzoekster heeft betoogd dat de maatregel neerkomt op sluiting van haar inrichting. Zij is van mening dat het haar toegestaan moet blijven haar bedrijf uit te oefenen in de vorm van de voor haar kenmerkende horeca-activiteiten - dans-feesten - met inachtneming van de aanvullende voorwaarden die verweerder aan de exploitaitievergunning heeft verbonden. Tegen die voorwaarden maakt zij geen be-zwaar. Naar de mening van verzoekster heeft verweerder haar met de genomen maatregel tekort gedaan. Zij heeft immers in nauw overleg met hem al het denkbare gedaan om het belang van de openbare orde, veiligheid en gezondheid te waarborgen. Verzoekster heeft er voorts op gewezen dat de feesten die zij organiseert een lange voorbereidingstijd vergen. Hoewel de maatregel slechts geldt tot en met 30 december 2001, heeft zij derhalve effect op de organisatie van daarna te houden feesten. Zo dient de oudejaarsviering nu al te worden geregeld terwijl onduidelijk is welk besluit verweerder zal nemen met betrekking tot de verdere exploitatie van de inrichting.

2.8 De president acht niet onaannemelijk dat verzoekster bij een sluitingstijd van 02.00 uur niet in staat zal zijn haar bedrijf te voeren in de vorm van de voor haar kenmerkende horeca-activiteiten. Weliswaar valt niet op voorhand uit te sluiten dat zij in staat is om op zeer korte termijn, binnen het kader van de opgelegde sluitingstijden, in de onderhavige op een industrieterrein gelegen inrichting andersoortige horeca-activiteiten te ontplooien, doch de kans daarop lijkt niet groot. Concrete alternatieven zijn vooralsnog niet voorhanden. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat, ook in dien dit sluitingsuur voor verzoekster neerkomt op een sluiting, hij het sluitingsuur niet op een later tijdstip wil stellen. Naar voorlopig oordeel van de president is de gestelde sluitingstijd van 02.00 uur in het licht van de voorgeschiedenis niet onaanvaardbaar. Het verleden heeft uitgewezen dat het drugsgebruik vooral na genoemd tijdstip plaatsvindt en dat dit gedrag met controles op de aanwezigheid van drugs niet althans in onvoldoende mate kon worden verhinderd.

2.9 Tegen de hiervoor geschetste achtergrond is de beperking van het sluitingsuur op zichzelf, ook indien daardoor wat verzoekster betreft exploitatie van de inrichting fei-telijk onmogelijk wordt, noch de duur waarvoor deze maatregel is getroffen, onredelijk te achten. Overigens heeft verweerder ter zitting toegezegd om, zodra dat mogelijk is, verzoekster op de hoogte te stellen van zijn besluitvoornemens inzake de exploitatie van de inrichting na afloop van de thans opgelegde maatregel. Mede gezien de belangen van verzoekster, aan wie verweerder tot voor kort een grote mate van vrijheid bij de exploitatie van haar inrichting gunde, mag worden verwacht dat haar op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid wordt verschaft.

2.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder bij de uitoefening van de hem in artikel 2.3.1.5 APV met het oog op zijn toezichthoudende taak gegeven bevoegdheid, op goede gronden een groter gewicht heeft toegekend aan de bescherming van gezondheidsbelangen en van openbare orde en dan aan de financiële belangen van verzoekster. In de gegeven situatie is van een buitensporig te achten maatregel geen sprake.

2.11 Het verzoek om voorlopige voorziening komt niet voor toewijzing in aanmerking.

2.12 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De president

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gewezen door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.