Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AD5920

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
21-11-2001
Zaaknummer
15/030415-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

tegenspraak

parketnummer: 15/030415-01

uitspraak: 20 november 2001

volgnummer: 6

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 november 2001 gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding van verdachte geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3A.Beslissingen op verweren en verzoeken om aanhouding

De raadsman heeft betoogd dat er gerede twijfel bestaat of bij het onderzoek naar het alcoholgehalte van verdachtes bloed wel is voldaan aan de eisen van - naar de rechtbank begrijpt - artikel 16 van het Besluit Alcoholonderzoeken. Indien de rechtbank het resultaat van de bloedproef voor het bewijs zou willen bezigen, is -aldus de raadsman - nader onderzoek noodzakelijk naar de vraag of verdachte wel in staat was zijn toestemming te geven voor een bloedafname. Daarnaast stelt hij dat verdachte die - zoals de politie wist - gedetineerd was, niet ingevolge artikel 20 van voornoemd besluit zo spoedig mogelijk op zijn detentieadres het resultaat van het bloedonderzoek is meegedeeld.

De rechtbank ziet - wat er ook zij van het betoog van de raadsman - geen aanleiding om het onderzoek ter terechtzitting voor nader onderzoek op dit punt te heropenen, reeds omdat de rechtbank het resultaat van het bloedonderzoek niet voor het bewijs zal gebruiken.

De raadsman heeft voorts verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen voor nader onderzoek, wanneer de rechtbank de juistheid van zijn bevindingen bij de door hem gehouden verkeerstelling op zondag 4 november 2001, zoals weergegeven in de aan zijn pleitnota gehechte verkeerstelling zou betwisten.

De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding heeft te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de raadsman, maar merkt overigens op dat de bevindingen van de raadsman op zichzelf niets zeggen over de verkeersdrukte op de plaats, datum, en tijd van de aan verdachte verweten strafbare gedragingen.

De rechtbank acht zich omtrent de verkeersdrukte op tijd, plaats en omgeving van het ongeval voldoende voorgelicht door hetgeen daaromtrent in het proces-verbaal van de verbalisanten Hart en Ter Horst is vermeld.

Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding het onderzoek ter terechtzitting te heropenen voor nader onderzoek als door de raadsman (subsidiair) verzocht.

Tenslotte heeft de raadsman tijdens het onderzoek ter terechtzitting de volledigheid en betrouwbaarheid van het door de klinisch psycholoog en psychotherapeut R.A. Sterk ten aanzien van de verdachte verrichtte onderzoek - zulks bezien in het licht van de eerder over verdachte uitgebrachte rapportage - betwist en heeft verzocht om een aanvullende rapportage.

De rechtbank is - in aanmerking genomen dat de rapporterend psycholoog naast uitgebreid eigen onderzoek van verdachte ook bij dat onderzoek kennis heeft genomen van het omtrent verdacht opgemaakte persoonlijkheidsonderzoek van verdachte d.d. 17 september 1998 en het adviesrapport van de Reclassering Nederland d.d. 8 juni 2001 - de noodzaak tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting voor nader onderzoek als verzocht, niet gebleken. Het verzoek tot heropening van het onderzoek op dit punt wordt dan ook afgewezen.

3B. Bewijsbeslissing

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis die daarvan deel uitmaakt.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op: doodslag, en poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de hoofdstraf en de bijkomende straf

Bij de beslissing over de hoofdstraf en de bijkomende straf die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en het aldaar besproken omtrent de verdachte door de psycholoog R.A. Sterk uitgebrachte psychologisch rapport van 3 november 2001.

Bij de bepaling van de strafsoort en strafmaat heeft de rechtbank meer in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte, die niet in het bezit is van een rijbewijs, is 's nachts na zodanig alcoholgebruik dat hij - zoals hij ook zelf ter terechtzitting heeft verklaard - dronken was en na het gebruik van softdrugs met een personenauto gaan rijden in het centrum van Zaandam zonder de verlichting van die auto te ontsteken. Toen de politie hem een stopteken gaf, heeft hij dat stopteken welbewust genegeerd en heeft hij de snelheid van zijn auto opgevoerd tot ruim boven de zeventig kilometer per uur om aan aanhouding door de politie te ontkomen, waarna de politie - mede omdat ter plaatse veel uitgaanspubliek zich fietsend en lopend over de Westzijde begaf, de achtervolging heeft gestaakt.

Verdachte is vervolgens met die veel te hoge snelheid met de door hem bestuurde auto tegen de fietsende en/of lopende jeugdige slachtoffers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gereden en hierna een aan de Westzijde gelegen winkel ingereden, waarbij die [slachtoffer 1], onder de auto is terecht gekomen en aldaar om het leven is gekomen en waarbij die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zodanig door die auto zijn geraakt dat zij zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

De dood van [slachtoffer 1] betekent voor zijn familie onherstelbaar leed. De vader van [slachtoffer 1] heeft ter terechtzitting nog eens aangegeven hoe diep het verlies van zijn zoon in zijn leven en dat van zijn naasten heeft ingegrepen.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging er rekening mee dat - zoals blijkt uit de aanvullende processen-verbaal - de slachtoffers, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], nog steeds niet hersteld zijn van de door hen opgelopen verwondingen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij, nadat hij eerder terzake van het rijden zonder rijbewijs is veroordeeld en nadat hij - zoals ter terechtzitting is gebleken - eerder, zij het als inzittende, bij een ernstig verkeersongeval betrokken is geweest, desondanks met veel alcohol op en bovendien zonder licht een auto is gaan besturen.

In de strafoplegging zal de rechtbank tot uitdrukking brengen dat verdachte door zonder rijbewijs, dronken en bij nacht zonder licht te rijden in een personenauto op de Westzijde waar toen nog veel uitgaanspubliek aanwezig was op de wijze zoals hiervoor omschreven, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij opzettelijk zich op die Westzijde bevindende personen van het leven zou beroven. De rechtbank acht daarom een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur op haar plaats.

Daarnaast acht de rechtbank het geboden verdachte voor de - als bestuurder van een personenauto - door hem begane doodslag op [slachtoffer 1] de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid voor na te melden lange duur op te leggen. Die bijkomende straf beoogt tevens om daardoor de samenleving gedurende langere tijd te beschermen tegen herhaling van verkeersgevaarlijk gedrag van verdachte.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 9, 10, 27, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

8. Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert de hierboven in rubriek 4. vermelde strafbare feiten op.

Zij verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van VIER JAREN.

Zij bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Zij ontzegt de verdachte wegens de bewezen verklaarde doodslag de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van VIJF JAREN

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Toeter, voorzitter,

mrs., Franke en Hol, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Nicholson en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 november 2001.

Mr. Hol is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.