Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AD5802

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-11-2001
Datum publicatie
16-11-2001
Zaaknummer
15/030038-01; 15/035079-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

tegenspraak

parketnummer: 15/030038-01 en 15/035079-01

uitspraak: 16 november 2001

volgnummer: 1

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2001 gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum]1966 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

De zaken onder bovenstaande parketnummers zijn ter terechtzitting van 12 juli 2001 reeds gevoegd.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Kopieën van die dagvaardingals bijlage IA en IB bij dit vonnis gevoegd en maken daarvan deel uit.

De in de dagvaardingopgenomen feiten heeft de rechtbank van doorlopende nummers voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

Op vordering van de officier van justitie is de tenlastelegging van de feiten 1 t/m 8 ter terechtzitting gewijzigd. Een kopie van die vordering is als bijlage I C bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

Aan de verdachte is onder 8 ten laste gelegd de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten het plegen van handelingen zoals omschreven in de artikelen 197a, leden 1,2 en 3 (mensensmokkel) , 225 (valsheid in geschrift), 416 leden 1 en 2 (opzetheling), 326 (oplichting) en 231 (bezit vals reisdocument en/of gebruik niet op naam gesteld) van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet in vereniging gepleegd en het plegen van voorbereidingshandelingen daartoe.

Voorzover die tenlastelegging betrekking heeft op voorbereidingshandelingen is - daargelaten of een organisatie, als waarvan hier sprake is, wel beoogt om naast de voltooide misdrijven als aangeduid in de tenlastelegging ook voorbereidingshandelingen te plegen als daar omschreven - de dagvaarding nietig voorzover die voorbereidingshandelingen betrekking hebben andere misdrijven dan die omschreven in artikel 197a, derde lid van het Wetboek van Strafrecht, aangezien voorbereidingshandelingen tot de andere door de officier van justitie genoemde misdrijven, nu die niet zijn bedreigd met een maximumstraf van tenminste acht jaren, niet strafbaar zijn.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding van verdachte voor het overige geldig en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitnotities een beroep gedaan op de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging voor de feiten 2 tot en met 8 (en subsidiair op strafvermindering), aangezien het opsporingsteam heeft gehandeld in strijd met de algemene belangen van integere strafrechtspleging - door in strijd met het verbod op doorlating - niet met toepassing van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering aanstonds na ontvangst van het faxbericht van de Liaison Officer van de Canadese ambassade gericht aan de CID op Schiphol Airport d.d. 22 november 2000 tot observatie van de aviobrug (en vervolgens tot aanhouding van de verdachten) over te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat het geval van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering zich niet voordoet, reeds omdat bij de op 22 november 2000 bekende stand van zaken niet gezegd kan worden dat de officier van justitie en de marechaussee beschikten over wetenschap dat er illegale personen gesmokkeld werden. Daarenboven zou - indien deze wetenschap wel aanwezig zou zijn geweest - het verweer zijn afgestuit op het gegeven dat het in genoemd artikel weergegeven verbod niet van toepassing is in de onderhavige situatie, nu er in het onderhavige geval geen sprake is van mensenhandel of wederrechtelijke vrijheidsberoving en evenmin gezegd kan worden dat er sprake was van mensensmokkel waardoor de te smokkelen personen in mensonwaardige situaties werden gebracht.

Op grond van het vorenoverwogene kan het verweer van de raadsman niet tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van de feiten 2 tot en met 8 leiden en indien en voorzover de rechtbank tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en strafoplegging komt, zal zij dan ook geen aanleiding vinden om op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering tot strafvermindering over te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijsbeslissing

3.1. Aan de beslissing omtrent de bewezenverklaring voorafgaande beschouwingen

Aan verdachte is - onder meer -ten laste gelegd een zevental gevallen van het medeplegen van mensensmokkel, subsidiair het medeplegen van oplichting.

In de onderhavige zaak is uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat er sprake was van mensensmokkel in georganiseerd verband vanuit Nederland naar Canada, waarbij de daarbij betrokken verdachten als volgt te werk gingen:

Ten behoeve van uit Pakistan of India afkomstige personen die illegaal Canada in wilden reizen (hierna te noemen de te smokkelen personen) werden in Amsterdam of elders in Nederland tickets gekocht voor een vliegreis per KLM vliegtuig naar Canada op naam van in Nederland legaal verblijvende personen aan wie het was toegestaan naar Canada uit te reizen, hierna te noemen de incheckers. Nadat vervolgens die incheckers in het bezit waren gesteld van de op hun naam gestelde vliegtickets, checkten zij zich in voor de vlucht naar Canada, waarna zij met gebruikmaking van de bij het inchecken verkregen instapkaart en hun eigen paspoort, voorzien van de handbagage van de te smokkelen personen en eventueel gekleed in een jas van die personen via de diverse controles zich ten tijde van de instapprocedure in de aviobrug van het vliegtuig naar Canada begaven.

Kort voor het betreden van de aviobrug waren de te smokkelen personen, die inmiddels op Schiphol waren aangevoerd, gekleed in een KLM jas door een of meer op Schiphol werkzame en van een schipholpas voorziene persoon/personen van het voor het publiek toegankelijke gebied op Schiphol met gebruikmaking van die schipholpas via het niet voor het publiek toegankelijke gebied en het platform naar de trap, die van buitenaf toegang geeft tot de aviobrug gebracht.

Na telefonisch contact tussen de incheckers en de schipholmedewerker(s) die de te smokkelen personen begeleidde(n), vond vervolgens tijdens de instapprocedure een contact plaats tussen die incheckers enerzijds en de te smokkelen personen en hun begeleider(s) anderzijds, waarbij de instapkaart en hun handbagage aan de te smokkelen personen werden overhandigd en de te smokkelen personen de door hen gedragen KLM jas overgaven aan de incheckers eventueel in ruil voor hun eigen jas.

Nadat vervolgens de te smokkelen personen aan boord waren gegaan van het vliegtuig naar Canada, dienden zij een telefoontje te plegen, waarna tot betaling van de - met hun afgesproken - kosten voor hun reis werd overgegaan.

De incheckers werden vervolgens door de begeleider(s) - veelal - via dezelfde route teruggebracht naar het voor het publiek toegankelijke gebied.

Zowel de incheckers als de begeleiders ontvingen voor hun hulp bij deze mensensmokkel een beloning.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht strafbaar stelt het uit winstbejag behulpzaam zijn bij of medeplichtig zijn aan het verschaffen van toegang tot of het verblijven in Nederland of een Schengenland van illegale vreemdelingen. Derhalve is niet strafbaar ingevolge dat artikel het uit winstbejag behulpzaam zijn bij of medeplichtig zijn aan het verschaffen van toegang tot of het verblijven in Canada van illegale vreemdelingen.

Bij gelegenheid van de behandeling van de wijziging van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van mensensmokkel door de Tweede Kamer in het vergaderjaar 1995-1996, heeft de minister van justitie in de nota naar aanleiding van het verslag, (TK, vergaderjaar 1995-1996, 24 269, nr 5, blz 11), waarin aan de orde was gesteld dat ook het doorsluizen van mensen via Nederland naar niet-Schengenlanden aangepakt moet kunnen worden , het volgende opgemerkt:

“Als er sprake is van onrechtmatig binnensluizen in Nederland (…) om vervolgens doorgesluisd te worden naar een ander land, dan is er sprake van het strafbare feit van artikel 197a Sr. Het doet daarvoor niet ter zake of de desbetreffende persoon naar een ander Schengen-land verder wordt vervoerd of daarbuiten.

Bepalend is de onrechtmatige toegang of het onrechtmatig verblijf in Nederland.

Anders ligt het bij personen die rechtmatig Nederland binnenkomen of er rechtmatig verblijven.”

Op grond van de uit het hiervoor weergegeven citaat blijkende bedoeling van de wetgever moet - gegeven de hierboven beschreven werkwijze bij de onderhavige mensensmokkel - worden geconcludeerd dat die mensensmokkel ingevolge artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht strafbaar is, indien en voorzover in de onderhavige zaak kan worden vastgesteld dat de te smokkelen personen onrechtmatig Nederland zijn binnengekomen en/of onmiddellijk voorafgaande aan hun vertrek uit Nederland onrechtmatig in Nederland hebben verbleven. Dat brengt mee dat in zo’n geval ook ten aanzien van verdachte - gelet op de rol die hij bij de onderhavige in georganiseerd verband gepleegde mensensmokkel heeft gespeeld - sprake is van het medeplegen van het misdrijf van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank merkt hierbij op dat voor de vaststelling of er sprake is van onrechtmatig Nederland binnenkomen of onrechtmatig in Nederland verblijven, meer nodig is dan de enkele constatering dat de te smokkelen persoon illegaal naar Canada wil uitreizen, nu het immers zeer wel mogelijk is dat onder de te smokkelen personen ook vreemdelingen zijn die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun verzoek om een verblijfstitel in Nederland dan wel die na afwijzing van een dergelijk verzoek Nederland nog niet hoeven te verlaten, terwijl daaronder voorts vreemdelingen kunnen zijn die in Nederland slechts in transit hebben verbleven. In de onderhavige zaak kan slechts ten aanzien van de te smokkelen personen in zaak 1 worden vastgesteld dat zij onrechtmatig in Nederland hebben verbleven.

Indien en voorzover er - gelet op het voorgaande - geen sprake kan zijn van het medeplegen van het misdrijf van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht, komt aan de orde de vraag of er sprake kan zijn van het medeplegen van oplichting.

Uitgaande van de hiervoor beschreven werkwijze bij de smokkel van personen naar Canada, stelt de rechtbank allereerst vast dat een van de voorwaarden voor het welslagen van die wijze van smokkelen is, dat anderen voor de te smokkelen personen op hun eigen naam en op vertoon van hun eigen paspoort inchecken en in het bezit worden gesteld van een instapkaart voor de betreffende vlucht naar Canada, waarmee toegang kan worden verkregen tot het vliegtuig. Nu die instapkaarten in de onderhavige zaak zijn verstrekt aan incheckers die ingevolge tevoren gemaakte afspraken met de andere bij deze mensensmokkel betrokken medeverdachten, niet voornemens zijn daadwerkelijk naar Canada uit te reizen, maar die daarmee gelegenheid geven aan personen aan wie de inreis in Canada niet is toegestaan, Canada in te reizen, tengevolge waarvan ongedocumenteerden door de KLM per vliegtuig in Canada worden aangevoerd, bij ontdekking waarvan de KLM aansprakelijk kan worden gesteld voor die - door haar niet gewenste -ongedocumenteerde aanvoer van personen, is de KLM door het aannemen van de valse hoedanigheid van passagier voor de betreffende vlucht van de incheckers bewogen tot de afgifte van die instapkaarten.

De door deze illegale wijze van handelen beoogde en verkregen beloning is mitsdien wederrechtelijk verkregen.

3.2. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair en subsidiair is tenlastegelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte onder 1 primair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 8 tenlastegelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis, welke bijlage daarvan deel uitmaakt.

Hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 8 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van de feiten

bewezenverklaarde feit op:

1 primair: Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland en hem daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van een beroep en terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd.

3, 4, 5, 6 telkens t.a.v. het subsidiaire: medeplegen van oplichting;

8: Deelneming aan een organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van sancties en overige beslissingen

6.1. De hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van feit en de omstandigheden waaronder begaan alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bij de bepaling van de strafsoort en -duur heeft de rechtbank meer in het bijzonder het navolgende overwogen.

Verdachte heeft deelgenomen aan de hiervoor onder 3.1. beschreven criminele organisatie en had in deze organisatie een belangrijke rol. Hij had regelmatig contact met andere bij de organisatie betrokken personen, hij kocht in een groot aantal gevallen de vliegtickets, hij ronselde incheckers en hij heeft meermalen met behulp van zijn Schipholpas ongedocumenteerden buiten alle controles om begeleid naar het vliegtuig dat gereed stond om naar Canada te vertrekken.

In de thans bewezen verklaarde zaken heeft verdachte met zijn mededaders misbruik gemaakt van de afhankelijke situatie waarin de te smokkelen personen die veelal voor hun reis naar Canada zeer veel geld moeten betalen, verkeerden. Verdachte heeft bij deze mensensmokkel zijn diensten verleend om daarmee extra inkomsten te verwerven. Aldus is door hem uit winstbejag gehandeld.

De bewezenverklaarde feiten zijn ernstig, met name nu verdachte bij het begaan van deze feiten misbruik heeft gemaakt van de hem, ten behoeve van de uitoefening van zijn werkzaamheden op Schiphol, verstrekte pas. Hij heeft daardoor het vertrouwen dat zijn werkgever in hem heeft gesteld en moet kunnen stellen, ernstig beschaamd. De ernst van het misbruik van zijn schipholpas klemt temeer, nu verdachte die werkzaam is op de Luchthaven Schiphol doordrongen had moeten zijn van het belang van de veiligheid van het vliegverkeer , terwijl hij door zijn handelwijze personen zonder dat die onderworpen zijn aan enige veiligheidscontrole aan boord brengt van een vliegtuig, hetgeen ernstige veiligheidsrisico’s voor het luchtverkeer kan teweeg brengen.

Op het handelen van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van na te melden duur.

Hoewel de rechtbank anders dan de officier van justitie de onder 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 primair tenlastegelegde mensensmokkel niet bewezen geacht, maar de subsidiair tenlastegelegde - met een beduidend lagere maximumstraf bedreigde - oplichting, rekent de rechtbank verdachte die door hem medegepleegde oplichtingen zwaar aan mede vanwege het hiervoor bedoelde gevaarzettend karakter van deze oplichtingen. Daarnaast acht de rechtbank de onder feit 7 bewezen verklaarde deelneming van verdachte aan de criminele organisatie zeer ernstig.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank zal daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, mede om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen.

6.2. De verbeurd verklaring

De rechtbank is van oordeel dat de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder 1, 2 en 4 vermelde voorwerpen dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen, aan verdachte , begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen sancties zijn gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24, 27, 33, 33a, 47, 57, 140, 197a en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart de dagvaarding nietig voor wat betreft het onder 8 tenlastegelegde feit, voorzover de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen betrekking hebben op de misdrijven bedoeld in artikel 197a, leden 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht (mensensmokkel), en de misdrijven van de artikelen 225 (valsheid in geschrift), 416 leden 1 en 2 (opzetheling), 326 (oplichting) en 231 (bezit vals reisdocument en/of gebruik niet op naam gesteld) van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet in vereniging gepleegd.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte onder 2 primair en subsidiair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte onder 1 primair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 8 tenlastegelegde feit zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 8 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert hierboven in rubriek 4. vermelde strafbare feit op.

Zij verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte wegens feit tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZESENDERTIG MAANDEN.

Zij beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot TWAALF MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd. Zij stelt daarbij een proeftijd van twee jaar vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Zij bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Zij verklaart verbeurd: de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder 1, 2 en 4 vermelde voorwerpen.

Zij gelast de teruggave van: het op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder 3 vermelde voorwerp aan de uitgevende instantie.

Zij gelast de teruggave van het op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder 5 vermelde voorwerp aan de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Vogel, voorzitter,

mrs. Toeter en Evers-Ederveen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. Muntjewerf en Struijk en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 november 2001.