Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AD4600

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
16-10-2001
Zaaknummer
15.094072-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 15.094072-99

Uitspraak : 12 oktober 2001

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 september 2001, 24 september 2001, 25 september 2001 en 28 september 2001 gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte 1],

geboren in 1953 te Haarlem,

1. Tenlastelegging

Aan de [verdachte 1] is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I (a tot en met g) bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en / of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de [verdachte 1] daardoor niet geschaad in de verdediging.

2. Voorvragen

2.1. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De raadsman van [verdachte 1] heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe gesteld dat in het proces-verbaal van 26 juli 2000 van C. de Mooij valse informatie is gegeven ten aanzien van de waarneming van het overladen van dozen in Roelofarendsveen, op basis waarvan machtigingen zijn verkregen voor verdere observaties en afluisterpraktijken. Mede door deze vervalsing van de waarnemingen van leden van het observatieteam bestaat er geen enkel vertrouwen meer in de waarnemingen van het team, hetgeen naar zijn oordeel een zelfstandige grond vormt om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank overweegt het volgende:

De sanctie van niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie dient slechts te worden overwogen indien er sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een goede procesorde en gehandeld is ter misleiding van de rechter dan wel sprake is van een doelbewuste schending of grove veronachtzaming van verdachtes recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak.

Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende passage in voornoemd proces-verbaal doelbewust zo is geformuleerd om de officier van justitie dan wel de rechter-commissaris te bewegen tot het afgeven van de verzochte bevelen dan wel machtigingen die anders niet verkregen hadden kunnen worden.

Het gestelde gebrek aan vertrouwen in het opsporingsteam is - nog daargelaten dat een voldoende onderbouwing ervan ontbreekt - geen grond die de sanctie van niet-ontvankelijk verklaring tot gevolg zou kunnen hebben.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Ook overigens heeft de rechtbank vastgesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

2.2. Overige voorvragen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijsbeslissing

3.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de [verdachte 1] 1 onder 4 primair en subsidiair, 5 primair en subsidiair, 6 primair en subsidiair en 8 primair is tenlastegelegd. De [verdachte 1] moet daarvan worden vrijgesproken.

3.2. Beslissing op een verweer

De raadsman heeft gesteld dat de verklaring van de in Engeland berechte [getuige 1] onrechtmatig is verkregen en van het bewijs moet worden uitgesloten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er valselijk aan Engeland is bericht dat is waargenomen dat er in Roelofarendsveen dozen zijn overgeladen, tengevolge van welke valse informatie [getuige 1] is bewogen toe te geven dat de onderhavige dozen te Roelofarendsveen in zijn truck terecht zijn gekomen.

De rechtbank verwerpt dit verweer, alleen al wegens het ontbreken van voldoende feitelijke grondslag.

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 7, 8 subsidiair en 9 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 09 december 1999 te Roelofarendsveen, gemeente Alkemade, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 197.000 pillen bevattende MDEA en MDMA, middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 09 december 1999 te Roelofarendsveen, gemeente Alkemade, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 149 kilogram hennep, zijnde hennep een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in de periode van 01 januari 1996 tot en met 09 januari 2001 te Haarlem en elders in Nederland, als een van de oprichters heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven,

te weten:

het tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

en

het tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

7.

hij op tijdstippen in de periode van 01 augustus 2000 tot en met 02 augustus 2000 te Heijen, gemeente Gennep, en te Zwaanshoek, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft vervoerd ongeveer 1520 kilogram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep - hashish - waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

8. subsidiair

hij op 09 januari 2001, te Haarlem in een pand, gelegen aan de [A-laan], tezamen en in vereniging met een ander wapens van categorie II - vier automatische vuurwapens -

en

wapens van categorie III - twee revolvers en negen pistolen -

voorhanden heeft gehad;

9. primair

hij op 09 januari 2001 te Haarlem en te Amsterdam, sieraden, te weten:

in een woning, gelegen aan de [A-straat] te Haarlem:

- twee oorstiften met briljanten en

- een 18 karaats choker en

- een ring met briljant en

in een woning gelegen aan de [B-straat] te Haarlem:

- een armband - merk: Chopard - en

- een ring - merk: Chopard - en

- een armband - merk: Christian Bauer - en

- twee paar oorstekers - merk: Christian Bauer - en

- een halsketting met hanger - merk: Christian Bauer - en

- een paar oorbellen - merk: Chopard - en

bij de[firma C] te Amsterdam:

- vier parelkettingen en

- drie paar oorbellen en

- twee hangers,

voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde sieraden wist dat het door

misdrijf verkregen goederen betrof;

Hetgeen aan de [verdachte 1] onder 1, 2, 3, 7, 8 subsidiair en 9 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegevenverbod.

3. Het als oprichter deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

7. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod

en

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

8. subsidiair Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd,

en

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

9. primair Opzetheling, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de [verdachte 1] uitsluit. De [verdachte 1] is dus strafbaar.

6. De motivering van sanctie en overige beslissingen

Bij de beslissing over de straf die aan de [verdachte 1] dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van [verdachte 1], zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende overwogen:

[Verdachte 1] heeft jarenlang deel uitgemaakt van een criminele organisatie, die zich gedurende die jaren bezighield met de handel in en de import en export van hard- en softdrugs. Met de handel in verdovende middelen worden ten koste van de samenleving aanzienlijke illegale winsten behaald.

[Verdachte 1] was samen met [verdachte 2 ] de oprichter van de organisatie. Hij maakte tezamen met de [verdachte 2] en [verdachte 3] deel uit van de kern van de organisatie. Tussen dit driemanschap bestond een winstverdeling, waarbij [verdachte 2] het grootste aandeel kreeg. De rol van [verdachte 1] kan worden getypeerd als die van coördinator en uitvoerder. Zo werkte de organisatie ook met contacten van verdachte. Tevens kon hij opdrachten geven aan andere leden van de organisatie, die geen deel uitmaakten van het driemanschap.

In het kader van die criminele organisatie is [verdachte 1] onder meer betrokken geweest bij een transport van hard- en softdrugs vanuit Nederland naar Engeland. Het ging daarbij - naast hennep - om een zeer grote hoeveelheid zogeheten XTC-pillen. Deze pillen zijn schadelijk voor de gezondheid van personen vanwege hun gezondheids-ondermijnende, verslavende en bewustzijnsbeïnvloedende werking.

De rechtbank gaat ervan uit dat er meerdere transporten met drugs naar Engeland hebben plaatsgevonden.

Ook heeft [verdachte 1] zich in het kader van de organisatie schuldig gemaakt aan opzettelijke invoer en vervoer van 1520 kilogram hashish vanuit Roemenië. Om het transport te realiseren heeft hij contact gelegd met een vrachtwagenchauffeur, die beroepshalve regelmatig door Europa reisde, en hem bewogen tegen een geldelijke vergoeding de lading in zijn vrachtwagen mee te nemen.

[Verdachte 1] beschikte over de sleutels van de woning van zijn medeverdachte 4 en van de zich daar bevindende kluis. In deze kluis zijn meerdere vuurwapens, waaronder 4 automatische wapens, met de bijbehorende munitie aangetroffen.

[Verdachte 1] kon derhalve beschikken over een professioneel arsenaal aan wapens.

De beschikkingsmacht van verdachte in combinatie met gesprekken waaruit de bereidheid tot het inzetten van vuurwapens is gebleken, maakt dit feit bijzonder ernstig.

Tenslotte heeft [verdachte 1] zich meerdere malen schuldig gemaakt aan heling van gestolen juwelen met een grote geldswaarde.

Naast de mate van betrokkenheid van [verdachte 1] bij de bewezenverklaarde overtredingen van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie en de heling is de hierboven beschreven rol als oprichter van de criminele organisatie bepalend voor de door de rechtbank op te leggen straf.

Gegeven de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur op zijn plaats. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat [verdachte 1] er geen enkel blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 10, 27, 47, 57, 63, 140 (oud), 140 (nieuw) en 416 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8. Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet bewezen dat de [verdachte 1] de onder 4 primair en subsidiair, 5 primair en subsidiair, 6 primair en subsidiair en 8 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de [verdachte 1] daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de [verdachte 1] de onder 1, 2, 3, 7, 8 subsidiair en 9 primair tenlastegelegde feiten, zoals vermeld in rubriek 3. van dit vonnis, heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen wat aan de [verdachte 1] onder 1, 2, 3, 7, 8 subsidiair en 9 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de [verdachte 1] daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert de hierboven in rubriek 4. vermelde strafbare feiten op.

Zij verklaart de [verdachte 1] hiervoor strafbaar.

Zij veroordeelt de [verdachte 1] wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van ACHT JAREN.

Zij bepaalt dat de tijd die de [verdachte 1] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde vrijheidsstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs Flint-van Noort, voorzitter,

De Jong-Overtoom en Honig, rechters,

in tegenwoordigheid van Van Velzen en mr Anema, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2001.