Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AD4599

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
16-10-2001
Zaaknummer
15.094070-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 15.094070-99

Uitspraak : 12 oktober 2001

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 september 2001, 24 september 2001 en 28 september 2001 gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte 1],

geboren in 1960 te Haarlem,

1. Tenlastelegging

Aan de [verdachte 1] is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I (a tot en met g) bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

Op vordering van de officier van justitie is de tenlastelegging van feit 9 ter terechtzitting gewijzigd. Een kopie van die vordering is als bijlage II (a en b) bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en / of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte 1 daardoor niet geschaad in de verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijsbeslissing

3.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de [verdachte 1] onder 4 primair en subsidiair, 5 primair en subsidiair, 7 en 10 primair en subsidiair is tenlastegelegd. De [verdachte 1] moet daarvan worden vrijgesproken.

3.2. Bewijsverweer

De raadsman van [verdachte 1] heeft bepleit dat vrijspraak in alle onderdelen van de tenlastelegging dient te volgen, nu niet kan worden vastgesteld dat de startinformatie conform de destijds geldende regels (richtlijn infiltratie) is verkregen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat deze informatie in strijd met de regels is verkregen. Hij heeft daarbij gesteld dat het bekend is dat de CID Kennemerland in 1990 - 1993 de regels integraal aan de laars heeft gelapt.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Blijkens het terzake opgemaakte proces-verbaal van 29 maart 2001 van de verbalisant W. van Gaalen is op 29 januari 1999 door H. Meijer, groepschef bij de Regionale Criminele Inlichtingendienst Kennemerland, aan de chef Tactische Recherche Kennemerland medegedeeld, dat bij deze RCID in de periode van 1995 tot aan 29 januari 1999 via verscheidene bronnen informatie over verdachte 1 was binnengekomen.

Het terzake verstrekte RCID-proces-verbaal is de start van het opsporingsonderzoek geweest.

Voornoemde Meijer is op verzoek van de toenmalige advocaat van de [verdachte 1] op 11 juli 2001 door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Daarbij zijn hem behoudens vragen over de periode vanaf 1995, tevens vragen gesteld over de periode 1990 - 1993.

Nog daargelaten de juistheid van de stelling van de raadsman ten aanzien van het door de RCID Kennemerland niet-hanteren van de regels in de periode 1990 - 1993, ontbreekt ten aanzien van het gestelde met betrekking tot de startinformatie van het thans voorliggende opsporingsonderzoek iedere onderbouwing. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat er in deze zaak infiltratie heeft plaatsgevonden. Dat niet alle vragen naar de informanten door de getuige beantwoord zijn, is inherent aan de bescherming van de identiteit van betrokkenen.

De raadsman van [verdachte 1] heeft voorts gesteld dat, nu niet kan worden vastgesteld dat het direct afluisteren op rechtmatige wijze is geschied en op zijn minst aannemelijk is dat serieuze storingen in de apparatuur zijn opgetreden, alle resultaten die met toepassing van het direct afluisteren zijn verkregen uitgesloten dienen te worden van het bewijs.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

In het kader van het opsporingsonderzoek tegen (onder andere) [verdachte 1] is op 11 september 2000 door de officier van justitie met voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris in dit arrondissement een bevel gegeven tot opneming van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel als bedoeld in art 126 l van het Wetboek van Strafvordering, in een personenauto met kenteken [xx-xx-xx]. Dit bevel is bij bevelen van 4 oktober 2000, 6 november 2000, 4 december 2000 en 21 december 2000 telkens met vier weken verlengd.

In een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 12 februari 2001 heeft de opsporingsambtenaar C.P. Withuis, werkzaam als operationeel coördinator bij de Dienst specialistische recherchetoepassingen van het Korps Landelijke Politiediensten, verslag uitgebracht van de uitvoering van voormelde bevelen. Volgens deze verslaglegging zijn bij de uitvoering van de bevelen de terzake geldende regelingen in achtgenomen. Ook is vermeld welke storingen gedurende de toepassingsperiode zijn geconstateerd en dat de apparatuur die op 26 oktober 2000 was geplaatst na constatering van een technische storing op 2 november 2000 is verwijderd, waarna op 8 november 2000 opnieuw apparatuur is geplaatst.

C.P. Withuis is op verzoek van de toenmalige advocaat van [verdachte 1] op 10 juli 2001 door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Dat hij daarbij niet alle vragen van de advocaat hoefde te beantwoorden is inherent aan de aard van het gehanteerde bijzondere opsporingsmiddel; plaatsing, plaatsers en de techniek daarvan dienen immers buiten beeld te blijven.

De conclusie van de advocaat, dat niet kan worden vastgesteld dat de toepassing van het middel op rechtmatige wijze is geschied, deelt de rechtbank niet. De advocaat heeft ook geen verweer gevoerd met betrekking tot de inhoudelijke informatie die met behulp van het middel verkregen is, zodat het belang van [verdachte 1] bij verder onderzoek terzake niet is gebleken.

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de[verdachte 1] de onder 1, 2, 3, 6, 8 en 9 tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 09 december 1999 te Roelofarendsveen, gemeente Alkemade, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 197.000 pillen bevattende MDEA en MDMA, middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 09 december 1999 te Roelofarendsveen, gemeente Alkemade, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 149 kilogram hennep, zijnde hennep een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in de periode van 01 januari 1996 tot en met 09 januari 2001 te Haarlem en elders in Nederland, als een van de oprichters en vanaf 26 februari 1999 als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

het tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

en

het tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6.

hij op tijdstippen in de periode van 01 augustus 2000 tot en met 02 augustus 2000 te Heijen, gemeente Gennep, en

te Zwaanshoek, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft vervoerd ongeveer 1520 kilogram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep - hashish - waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

8.

hij op 16 april 2000 in Nederland slachtoffer 1 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer1] telefonisch dreigend de woorden toegevoegd :

"Ik moet gewoon me geld hebben, klaar. Dan laat ik je leven, klaar."

en

"En als je niet betaalt, ga je er gewoon an, klaar."

en

"Als jij zeg, ik betaal je niet dan ga je er gewoon an."

en

"Kijk eh, as ik, as ik je moet hebben, dan heb ik je, hoor"

en

"Dusseh, dat ga jij mij gewoon netjes betalen en dan laat ik je leven. Dan

garandeer ik jou dat ik jou laat leven."

en

"Waar je ook bent, je gaat er gewoon an, neem het nou echt van me aan"

en

"Dus als het in me kop schiet, dan dan dan dan gooi ik er gewoon geld bij en

dan ga je er gewoon an, klaar";

9.

hij op 28 augustus 2000 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening uit een woning, gelegen aan de [A-straat] heeft weggenomen

- een dressoir en

- een TV-kast en

- een slaapkamermeubel,

toebehorende aan[slachtoffer 1] en/of aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om voornoemde diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

bestaande het geweld en de bedreiging met geweld hierin dat [verdachte 1] en/of zijn mededaders onmiddellijk nadat de voordeur van voornoemde woning werd geopend, voornoemde woning is/zijn binnengelopen en voornoemde [slachtoffer 2] opzij heeft/hebben geduwd en met stemverheffing tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd, dat hij, [verdachte 1] , had ontdekt dat zij stiekem [slachtoffer 1] had ontmoet en dat hij, [verdachte 1] , nu als straf meubels uit huis kwam halen;

Hetgeen aan de verdachte 1 onder 1, 2, 3, 6, 8 en 9 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De [verdachte 1] moet hiervan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

3. Het als oprichter deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

en

Het als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

6. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod

en

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

8. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

9. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de [verdachte 1] uitsluit. De [verdachte 1] is dus strafbaar.

6. De motivering van sancties en overige beslissingen

6.1. De hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan de [verdachte 1] dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van [verdachte 1] , zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende overwogen:

[Verdachte 1] heeft jarenlang deel uitgemaakt van een criminele organisatie, die zich gedurende die jaren bezighield met de handel in en de import en export van hard- en softdrugs. Met de handel in verdovende middelen worden ten koste van de samenleving aanzienlijke illegale winsten behaald.

[Verdachte 1] was samen met [medeverdachte 2] de oprichter van de organisatie. De kern ervan werd gevormd door [verdachte 1] , medeoprichter [verdachte 2] en [verdachte 3] . Binnen dit driemanschap was [verdachte 1] onmiskenbaar de leider. Tussen hen bestond een winstverdeling, waarbij [verdachte 1] het grootste aandeel kreeg. [Verdachte 1] gaf opdrachten aan de andere leden van de organisatie en aan hem diende verantwoording te worden afgelegd. Zijn machtspositie stelde hem in staat zelf geen uitvoeringshandelingen te verrichten.

[Verdachte 1] schuwde het gebruik van bedreigingen en geweld niet. Dit blijkt onder meer uit de bewezenverklaarde bedreigingen tegen [slachtoffer 1], die een grote som geld van [verdachte 1] had verduisterd.

Voorts heeft [verdachte 1] gedurende 11 maanden [slachtoffer 1 ] en [slachtoffer 2] geïntimideerd. Ter bestraffing van [slachtoffer 2] heeft hij op agressieve wijze meubels uit hun woning gehaald.

Dergelijke vormen van eigenrichting zijn een ernstige verstoring van de rechtsorde en dienen krachtig te worden bestreden.

Tevens komt uit afgeluisterde gesprekken waaraan [verdachte 1] deelnam, zijn bereidheid tot het gebruik van vuurwapens naar voren.

In het kader van die criminele organisatie is [verdachte 1] onder meer betrokken geweest bij een transport van hard- en softdrugs vanuit Nederland naar Engeland. Het ging daarbij - naast hennep - om een zeer grote hoeveelheid zogeheten XTC-pillen. Deze pillen zijn schadelijk voor de gezondheid van personen vanwege hun gezondheids-ondermijnende, verslavende en bewustzijnsbeïnvloedende werking.

De rechtbank gaat ervan uit dat er meerdere transporten met drugs naar Engeland hebben plaatsgevonden.

Ook heeft [verdachte 1] zich met zijn organisatie schuldig gemaakt aan opzettelijke invoer en vervoer van 1520 kilogram hashish vanuit Roemenië.

Naast de mate van betrokkenheid van [verdachte 1] bij de bewezenverklaarde overtredingen van de Opiumwet en de geweldsdelicten, is de hierboven beschreven rol als oprichter en leider van de criminele organisatie bepalend voor de door de rechtbank op te leggen straf.

Gegeven de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur op zijn plaats. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat [verdachte 1] er geen enkel blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien.

6.2. De verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en niet teruggegeven stukken papier met berekeningen dienen te worden verbeurdverklaard, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat deze verdachte toebehoren, terwijl de bewezenverklaarde feiten met behulp daarvan zijn begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 10, 24, 27, 33, 33a, 47, 57, 140 (oud), 140 (nieuw), 285, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet bewezen dat de [verdachte 1] de onder 4 primair en subsidiair, 5 primair en subsidiair, 7 en 10 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de [verdachte 1] de onder 1, 2, 3, 6, 8 en 9 tenlastegelegde feiten, zoals vermeld in rubriek 3. van dit vonnis, heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen wat aan de [verdachte 1] onder 1, 2, 3, 6, 8 en 9 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert de hierboven in rubriek 4. vermelde strafbare feiten op.

Zij verklaart de [verdachte 1] hiervoor strafbaar.

Zij veroordeelt de [verdachte 1] wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van NEGEN JAREN.

Zij bepaalt dat de tijd die de [verdachte 1] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde vrijheidsstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Zij verklaart verbeurd:

· twee stuks papier met berekeningen.

Zij gelast de teruggave aan [verdachte 1] van:

· een doos met administratieve bescheiden.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs Flint-van Noort, voorzitter,

De Jong-Overtoom en Honig, rechters,

in tegenwoordigheid van Van Velzen en mr Anema, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2001.