Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AD4043

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-10-2001
Datum publicatie
04-10-2001
Zaaknummer
73954/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

Zaaknummer : 73954/01

Datum beschikking : 2 oktober 2001 ABW-verhaal

RK/SE

BESCHIKKING ENKELVOUDIGE KAMER VOOR FAMILIEZAKEN

in de zaak van :

de gemeente Zaanstad,

zetelende te Zaandam,

hierna mede te noemen: de gemeente,

gemachtigde: [gemachtigde],

-- tegen --

[de man],

wonende te [woonplaats],

aan het adres: [adres],

hierna mede te noemen: de man,

procureur: mr. R.J. Frans.

1 Verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

· het op 20 april 2001 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift van de gemeente met bijlagen;

· het op 30 mei 2001 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verweerschrift van de man, met bijlagen;

· de dagbepalingsbeschikking van deze rechtbank van 27 augustus 2001;

· het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting d.d. 13 september 2001.

2 De vaststaande feiten

2.1 Uit de relatie tussen de man en mevrouw [de vrouw], hierna te noemen de vrouw, zijn geboren de minderjarigen [geslachtsnaam]:

· [kind 1], geboren op [geboortedag] 1986;

· [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1988 te Zaanstad.

Beide kinderen zijn door de man erkend. Bij beschikking van 24 november 1988 van het Kantongerecht Zaandam zijn de man en de vrouw met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen belast. De relatie is in 1993 verbroken en vanaf die tijd wonen de beide kinderen feitelijk gedurende de helft van de week bij de man en de andere helft van de week bij de vrouw. De man en de vrouw dragen ieder precies 50% van alle kosten van de beide kinderen. Ook de kinderbijslag komt voor 50% toe aan de man en voor 50% aan de vrouw. [kind 2] staat bij de vrouw ingeschreven en [kind 1] bij de man.

2.2 De man heeft na het uiteengaan van partijen op vrijwillige basis een bedrag van ƒ 250,-- per maand rechtstreeks aan de vrouw betaald ten behoeve van [kind 2]. Deze bijdrage is krachtens indexering opgelopen tot ƒ 282,05 per maand.

2.3 Aan de vrouw is door de gemeente vanaf 6 september 1993 een uitkering verstrekt ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) naar de norm voor een eenoudergezin.

2.4 De gemeente heeft bij beschikking van 28 december 1993 afgezien van verhaal, aangezien de door de man (vrijwillig) betaalde onderhoudsbijdrage hoger was dan het maximaal te verhalen bedrag. Bij besluit van 20 september 2000 heeft de gemeente de maandelijkse verhaalsbijdrage ten behoeve van [kind 2] met ingang van 15 september 2000 vastgesteld op ƒ 500,-- per maand. Daar de man reeds ƒ 282,05 per maand rechtstreeks voldeed aan de vrouw, werd de man aangemaand tot betaling van ƒ 217,95 per maand. De man is naar aanleiding van de verhoging van de verhaalsbijdrage met ingang van oktober 2000 opgehouden de rechtstreekse betaling aan de vrouw te voldoen en heeft, ondanks herinnering daartoe, ook geen betalingen verricht aan de gemeente.

2.5 Burgemeester en Wethouders van de gemeente hebben op 28 maart 2001 besloten over te gaan tot verhaal in rechte.

3 Het verzoek

De gemeente heeft verzocht te bepalen dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de minderjarige [kind 2], met ingang van 15 september 2000- voor wat betreft gemaakte en nog te maken kosten van bijstand - aan de gemeente ƒ 500,-- per maand dient te voldoen.

4 Het verweer

De man heeft het verzoek gemotiveerd bestreden.

5 Beoordeling

5.1 In zijn primaire verweer stelt de man dat er geen grond is voor verhaal vanwege de regeling tussen de man en vrouw waarbij eenieder 50% van alle kosten van de beide kinderen draagt.

De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat de regeling van co-ouderschap van partijen niet van invloed is op de vaststelling van de verhaalsbijdrage.

Vast staat dat de man een onderhoudsverplichting heeft jegens zijn zoon [kind 2], zodat in beginsel verhaal mogelijk is. Nu de gemeente erkent dat de man gedurende de helft van de tijd voor [kind 2] zorgt en de helft van alle kosten draagt, ligt de vraag voor of de man aan zijn onderhoudsverplichting voldoet door middel van de verzorging van [kind 2] voor de helft van de tijd en het betalen van de helft van de totale kosten.

Hierbij is van belang dat de beide ouders naar draagkracht dienen te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2]. Aangezien de vrouw geen draagkracht heeft, daar zij een bijstandsuitkering ontvangt, en de man wel draagkracht heeft, dienen deze kosten naar het oordeel van de rechtbank volledig door de man te worden gedragen. Met de feitelijke verzorging gedurende de helft van de tijd voldoet de man slechts de helft van de kosten, zodat hij in dit geval nog niet volledig heeft voldaan aan zijn onderhoudsverplichting en is er in zoverre aanleiding voor verhaal.

5.2 In zijn subsidiaire verweer stelt de man dat de verzochte verhaalsbijdrage de behoefte van het kind te boven gaat. Ter beoordeling van de behoefte dient te worden gekeken naar de kosten van de minderjarige.

Gelet op de normen ter bepaling van de kosten van kinderen stelt de rechtbank, uitgaande van een door de gemeente gesteld en door de man onweersproken netto inkomen van circa ƒ 4.300,-- per maand, de totale kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] op ƒ 400,-- per maand.

Aangezien de man door de feitelijke verzorging van [kind 2] voor de helft voldoet aan zijn onderhoudsverplichting en de vrouw geen draagkracht heeft, zal de andere helft ten bedrage van ƒ 200,-- per maand alsnog door de man dienen te worden voldaan. Het verhaal van de gemeente beperkt zich aldus tot dit bedrag.

5.3 De man verweert zich tenslotte tegen de door de gemeente verzochte ingangsdatum en voert daartoe aan dat de gemeente eerst bij brief van 22 september 2000 de verhaalsbijdrage op ƒ 500,-- per maand heeft gesteld.

Uit het voorgaande blijkt dat de man in de periode waarin hij vrijwillig een bedrag van ƒ 282,50 per maand betaalde, voldeed aan zijn onderhoudsverplichting jegens [kind 2]. Nu gebleken is dat de man eerst met ingang van 1 oktober 2000 is opgehouden deze vrijwillige bijdrage aan de vrouw te betalen, dient dit naar het oordeel van de rechtbank de ingangsdatum te zijn van waaraf op de man verhaald kan worden. Nu ter terechtzitting is gebleken dat de vrouw met ingang van augustus 2001 niet langer een bijstandsuitkering ontvangt, zal de rechtbank de verhaalsbijdrage beperken tot die datum.

5.2 De man heeft verzocht de gemeente de veroordelen in de proceskosten.

Nu de man gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Stelt het verhaalsbedrag, dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de minderjarige [kind 2] [geslachtsnaam], geboren op [geboortedag] 1988 te Zaanstad aan de gemeente wegens gemaakte kosten van bijstand verschuldigd is, vast op ƒ 200,-- per maand van 1 oktober 2000 tot en met juli 2001.

6.2 Compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.4 Wijst af het anders of meer verzochte.

Aldus gegeven door mr. R.G. Kemmers en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 oktober 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.