Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AD3812

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-07-2001
Datum publicatie
25-09-2001
Zaaknummer
153064/2001/2301
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2001/47 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

zaaknummer : 153064/2001/2301

datum beschikking: 16 juli 2001

afwijzing voorlopige machtiging

BESCHIKKING VAN DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM, ENKELVOUDIGE KAMER,

betreffende:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1975,

wonende [adres],

hierna ook: betrokkene,

advocaat: mr. G.J. Wilschut.

1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- de op 5 juli 2001 ter griffie van de rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot opneming en het doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis van betrokkene, met bijlagen;

- het proces-verbaal van de behandeling.

2 Beoordeling

De psychiater heeft het verzoek waarop de vordering van de Officier van Justitie is gebaseerd, als volgt toegelicht.

Primair is verzocht een voorlopige machtiging te verlenen, waarbij niet de opneming van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis het doel is, maar het thuis doen verblijven van de betrokkene, onder het opleggen van voorwaarden aan betrokkene waaronder dit verblijf thuis kan worden gehandhaafd. Bij niet-naleving van de voorwaarden zal de betrokkene in het kader van de voorlopige machtiging kunnen worden opgenomen.

Subsidiair, indien toewijzing van het primaire verzoek niet mogelijk is, is gevraagd de vordering van de Officier van Justitie toe te wijzen zodat alsdan de betrokkene zal worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis zoals is bepaald in artikel 10 Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (Wet BOPZ).

Primair staat de psychiater een voorwaardelijke machtiging voor ogen. Deze is op dit moment nog niet geregeld bij wet, wel is een wetsontwerp daartoe, wetsontwerp 27289, in behandeling bij de Tweede Kamer.

Het is nu dan ook onduidelijk in hoeverre ten aanzien van een voorlopige machtiging voorwaarden kunnen worden gesteld en ook in hoeverre de rechter daadwerkelijk een rol krijgt toebedeeld met betrekking tot het opleggen van door de psychiater voorgestelde voorwaarden en de toetsing daarvan.

Weliswaar heeft de Hoge Raad zich enige malen uitgelaten over de mogelijkheid van het verlenen van een machtiging onder het opleggen van voorwaarden (Hoge Raad 11 december 1998, kBJ1999,2 en Hoge Raad 6 oktober 2000, kBJ 2000, 56) maar in deze uitspraken betrof het machtigingen tot voortgezet verblijf en heeft de Hoge Raad niet aangegeven dat de mogelijkheid van het verlenen van een machtiging onder voorwaarden zich ook zou uitstrekken tot voorlopige machtigingen.

Temeer nu in artikel 10 Wet BOPZ is bepaald dat de voorlopige machtiging binnen twee weken ten uitvoer moet worden gelegd, terwijl de Hoge Raad in de uitspraak van 6 oktober 2000 spreekt over een tenuitvoerlegging die eerst plaatsvindt indien de betrokkene gedurende de periode waarvoor de machtiging is verleend medewerking weigert, neemt de rechtbank aan dat daaronder niet (mede) de voorlopige machtiging is begrepen.

De rechtbank acht het verlenen van een voorlopige machtiging onder het opleggen van voorwaarden gezien het vorenstaande in strijd met de Wet BOPZ, alsmede acht zij het niet aanvaardbaar vooruit te lopen op toekomstige wetgeving, zodat zij niet zal overgaan tot het verlenen van een voorlopige machtiging die alleen ten uitvoer zal worden gelegd indien aan bepaalde voorwaarden niet door de betrokkene wordt voldaan.

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek, een "gewone" voorlopige machtiging te verlenen, heeft de arts verklaard dat geen sprake is van een onmiddellijk gevaar maar dat gezien het verleden problemen zijn te verwachten als de machtiging niet doorgaat. Verder wordt aangegeven dat in de maand juni geen melding van overlast is binnengekomen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat alhoewel er reden is tot zorg over de situatie van betrokkene, onvoldoende is gebleken dat er sprake is van een stoornis van de geestvermogens die gevaar veroorzaakt dat niet door tussenkomst van een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

Gelet op het vorenstaande wordt de vordering van de Officier van Justitie afgewezen.

3 Beslissing

De rechtbank:

Wijst de vordering af.

Aldus gegeven op 16 juli 2001 door mr. E.A. Mink, lid van deze kamer, in tegenwoordigheid van de griffier.