Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AB2223

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
15/030179-01 en 15/132711-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

tegenspraak

parketnummer: 15/030179-01 en 15/132711-01

uitspraak: 21 juni 2001

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juni 2001 gewezen in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichtingen Haarlem te Haarlem

De rechtbank heeft ter terechtzitting de zaken onder bovenstaande parketnummers gevoegd.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaardingen is omschreven. Kopieën van die dagvaardingen zijn als bijlage I a en b bij dit vonnis gevoegd en maken daarvan deel uit.

De in de dagvaardingen opgenomen feiten heeft de rechtbank van doorlopende nummers voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen van verdachte geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II a en b van dit vonnis die daarvan deel uitmaken.

Hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten leveren op:

1. Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd;

2. Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd;

3. Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd;

4. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de straf en overige beslissingen

6.1. De hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op:

de psychiatrische rapportage van Th.W. Bos van 1 mei 2001;

de psychologische rapportage van dr. R. Verheul van 4 mei 2001;

het voorlichtingsrapport van het Leger des Heils, Unit Amsterdam-Reclassering van

16 mei 2001.

Bij de bepaling van de strafsoort en -duur heeft de rechtbank meer in het bijzonder het navolgende overwogen.

Verdachte heeft in een zeer korte periode op drie verschillende data een aantal keren brand gesticht op Schiphol. Hij heeft daartoe telkens voorwerpen in brand gestoken.

Bij de branden op 15 januari 2001 is veel materiële schade aangericht.

De branden op 30 januari 2001 zijn in een vroeg stadium ontdekt, waardoor ernstige gevolgen konden worden voorkomen.

Bij de branden op 18 januari 2001 is het echter tot een ontploffing gekomen als gevolg waarvan een levensbedreigende situatie is ontstaan voor onder andere medewerkers en reizigers op Schiphol. Door zijn handelen heeft verdachte enorme materiële schade veroorzaakt op Schiphol-Plaza en heeft hij de luchthaven genoodzaakt kostbare maatregelen te treffen om de levens van reizigers en anderen veilig te stellen.

Deze brandstichting heeft dan ook grote opschudding en paniek veroorzaakt en daarmede de rechtsorde ernstig geschokt.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan diefstal van een horloge.

Uit de over verdachte door Th.W. Bos en R. Verheul uitgebrachte rapporten blijkt onder meer dat verdachte lijdt aan een chronische psychose en dat hij verslaafd is aan cannabisproducten die zijn psychose keer op keer doen opvlammen. Tevens lijdt hij aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde zwervende en gebruikte chronisch drugs, hetgeen gecombineerd met zijn chronische psychose heeft geleid tot ernstige oordeels- en kritiekstoornissen.

Ten tijde van het delict was verdachte hierdoor (enigszins) verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank neemt deze overwegingen over en houdt er bij het bepalen van de straf rekening mee. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Op grond van het vooroverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is. Gelet op de bovengenoemde adviezen zal een deel van de straf voorwaardelijk worden opgelegd en zal daaraan een verplicht reclasseringscontact worden verbonden.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de vrijheidsbenemende straf de maximale proeftijd van drie jaar verbinden, nu de persoon van verdachte noopt tot een langdurige reclasseringsbegeleiding ter voorkoming van herhaling van het bewezenverklaarde gedrag.

6.2 De vordering van de benadeelde partij

Door de benadeelde partij N.V. Luchthaven Schiphol is een vordering tot schadevergoeding van in totaal ¦ 510.000,-- ingediend wegens materiële schade die de verdachte in verband met het hem onder 1 tenlastegelegde heeft toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering niet van een zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

De benadeelde partij dient derhalve niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 157, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten zoals vermeld in bijlage II a en b van dit vonnis heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven onder 1, 2, 3 en 4 als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert de hierboven in rubriek 4. vermelde strafbare feiten op.

Zij verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van

ZESENDERTIG MAANDEN.

Zij beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot TWAALF MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd. Zij stelt daarbij een proeftijd van DRIE jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

de verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens het Leger des Heils, Unit Amsterdam-Reclassering, thans in de persoon van

J.P. Bouman.

Zij bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij N.V. Luchthaven Schiphol niet ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ruijpers, voorzitter,

mrs. Flohil en Waesberghe, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Swagemakers en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juni 2001.