Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AB2207

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
Awb 01/14
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

Enkelvoudige Kamer voor Bestuursrechtelijke Zaken

U I T S P R A A K

ingevolge artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

- tegen -

burgemeester en wethouders van Heemstede

verweerders.

gemachtigde: mr. Y. Boonstra, ambtenaar van de gemeente.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 17 mei 2000, verzonden 25 mei 2000, hebben verweerders eiser, onder aan-zegging van bestuursdwang, gelast de erfafscheiding op het perceel [adres] te [woonplaats] binnen zes weken na de verzending van dit besluit doch uiterlijk vóór 10 juli 2000 te verlagen naar 1,00 meter.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 juli 2000 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 8 november 2000, verzonden 13 november 2000, hebben verweerders het be-zwaar-schrift gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 17 mei 2000 herroepen en in de plaats daarvan een nieuwe bestuursdwangbeschikking genomen strekkende tot verwijdering van de erfafscheiding, doch met uitzondering van een nader aangeduid gedeelte van dit bouwwerk waarvoor in 1981 een bouwvergunning is verleend.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 december 2000, aangevuld bij brief van 24 januari 2001, beroep ingesteld.

Desgevraagd hebben verweerders bij brief van 5 maart 2001 op het geding betrekking hebbende stukken, alsmede een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 5 april 2001 heeft eiser een nadere memorie ingediend.

Het beroep is op 24 april 2001 behandeld ter zitting, alwaar eiser in persoon is verschenen en verweerders zich hebben doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Het perceel [adres] te [woonplaats] ligt op de hoek [adres]. De voorgevel van de hoekwoning van eiser ligt aan [adres]. De woning maakt deel uit van een woningblok. De achterzijde van het perceel ligt tegenover de zijkant van een woningblok aan de [adres].

2.1.1 De bestreden bestuursdwangbeschikking betreft de houten schutting die eiser heeft ge-plaatst langs het perceelgedeelte aan de zijkant van zijn woning, alsmede twee vlechtwerken (plant-rekken) evenwijdig onder een ruim 3,50 m brede pergola die zich uitstrekt vanaf de zij-gevel de woning, in het verlengde van de voorgevel, tot aan de perceelsgrens. De houten schut-ting is aangebracht op een bestaand laag bakstenen muurtje, dat grenst aan het trottoir. Een van de twee vlechtwerken beslaat een ongeveer de halve lengte van de pergola en is geplaatst aan de troittoirzijde. Het andere is een smal vlechtwerk ter hoogte van de woning.

2.1.2 De gewraakte bouw is op 13 maart 2000 geconstateerd door een medewerker van de afdeling Bouw en Woningtoezicht van de gemeente. Gelet op de zienswijze die eiser heeft in-ge-diend naar aanleiding van de vooraanschrijving van 28 maart 2000 en het verslag van de in het kader van de bezwaarschriftprocedure gehouden hoorzitting, is de bouw vrij korte tijd vóór die constatering opgericht.

2.2 Het betrokken perceel is begrepen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “[gebied]”, dat op 28 augustus 1996 door de gemeenteraad van Heemstede is vastgesteld. In dit plan heeft het perceel gedeeltelijk de bestemming “Woondoeleinden” en gedeeltelijk de bestemming “Tuin”. De in geding zijnde bouw bevindt zich op grond waaraan laatstgenoemde bestemming is toegekend.

2.2.1 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat aan de gronden die voor “Woondoeleinden” zijn bestemd, de volgende doeleinden zijn toegekend: a. woningen; b. bijgebouwen; c. tuinen en erven; d. parkeervoorzieningen; e. bij de bestemming passende voorzieningen. Op deze gronden mogen gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming. Artikel 7, tweede lid, bepaalt - voorzover hier van belang - dat de bouwwerken dient te worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: a. het bouwen van gebouwen mag uitstuitend plaatsvinden binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak, met inachtneming van de aanduidingen op de kaart; b. (…); c. de bouwhoogte van erf- of terrein-afscheidingen in of achter de voorgevelrooilijn of het verlengde daarvan, mag niet meer bedra-gen dan 2,00 meter; d. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen voor de voor-ge-vel-rooi-lijn of het verlengde daarvan mag niet meer bedragen dan 1,00 meter; e. (…).

2.2.2 Ingevolge artikel 22, eerste lid, zijn aan de gronden met de bestemming “Tuin” de vol-gen-de doeleinden toegekend: - tuinen waaronder begrepen verhardingen; - bij de bestem-ming passende voorzieningen. Op deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken toegestaan ten be-hoeve van de bestemming. In artikel 22, tweede lid, is bepaald dat de bouwwerken gebouwd dienen te worden met inachtneming van de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- of ter-rein-afscheidingen voor de voorgevel van een woning of het verlengde van een woning of het ver-lengde daarvan, mag niet meer bedragen dan 1,00 meter; b. de hoogte van andere bouw-werken mag niet meer bedragen dan 3,00 meter.

2.2.3 In artikel 1 van de planvoorschriften is onder meer voor de navolgende begrippen bepaald wat daar in deze voorschriften onder wordt verstaan. Rooilijn: de lijn, die behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden. Bouwgrens: een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak. Bouwvlak: een op de plankaart aangegeven vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar-op gebouwen zijn toegelaten. Erf- of terreinafscheidingen: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat primair ten doel heeft een erf of een terrein, dan wel een gedeelte hiervan af te schermen.

2.3 Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder k, Woningwet - in werking getreden op 1 januari 1999 - is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het plaatsen van een erf- of terreinafscheiding, waarvan de hoogte, van de voet af gemeten, niet meer is dan 1 m. Indien de afscheiding wordt geplaatst op of rondom een erf- of terrein waarop een gebouw staat, dan mag de afscheiding die achter de voorgevelrooilijn staat ten hoogste 2 m zijn.

2.4 Eiser heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juli 1995, nr H01.94.0078 (BR 1995 p. 857), betoogd dat aan de zijkant van zijn woning geen voorgevelrooilijn loopt, zodat aldaar vergunningvrij een erfafscheiding van ten hoogste 2 m mag worden geplaatst. Voorts is eiser van mening dat verweerders het vlecht-werk onder de pergola ten onrechte als erfafscheiding hebben aangemerkt.

2.5 In het geval waarop voornoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak betrek-king heeft, gold ter zake van het vergunningvrij plaatsen van erfafscheidingen het per 1 ja-nu-ari 1999 vervallen artikel 43, eerste lid, aanhef en onder j, Woningwet. Daarin was bepaald dat geen bouwvergunning is vereist voor het plaatsen van een erf- of terreinafscheiding waarvan de hoogte van de voet af gemeten niet meer is dan 2 m, met dien verstande dat van een erf- of terreinafscheiding die vóór de voorgevelrooilijn wordt geplaatst, de hoogte niet meer mag zijn dan 1 m.

Uit dit voorschrift vloeide voort dat indien ter plaatse van het desbetreffende perceel(sgedeelte) een voorgevelrooilijn ontbrak, aldaar vergunningvrij een erfafscheiding van ten hoogste 2 m mocht worden geplaatst. Immers van plaatsing aan de voorzijde van bedoelde lijn kon dan geen sprake zijn. In dit verband dient, mede gelet op in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, Woningwet, onder voorgevelrooilijn te worden verstaan de ingevolge het ter plaatse geldende be-stem-mingsplan als zodanig aan te merken grenslijn, dan wel indien zodanig plan ontbreekt of de gemeentelijke bouwverordening in dit opzicht aanvullende werking toekomt, de lijn die in-ge-vol-ge die verordening de voorgevellijn vormt.

Ingevolge het sedert 1 januari 1999 van kracht zijnde artikel 43, eerste lid, aanhef en onder k, Wo-ningwet, is een vergunningvrije plaatsing van een erfafscheiding die hoger is dan 1 m maar de 2 m niet te boven gaat, slechts toegestaan op of rondom een erf of terrein waarop een gebouw staat indien deze erfafscheiding áchter de voorgevelrooilijn staat. Indien zodanige lijn ontbreekt, het-geen naar de mening van eiser hier het geval is, mag ter plaatse derhalve slechts een erfaf-schei-ding van ten hoogste 1 m vergunningvrij worden opgericht. Er is dan immers geen lijn aanwezig waarachter de vergunningvrije bouw van een hogere erfafscheiding is toegelaten.

2.6 Overigens deelt de rechtbank niet de opvatting van eiser dat aan de zijkant van zijn perceel geen voorgevelrooilijn als bedoeld in voormeld wetsartikel loopt. Uit de in artikel 7 van de planvoorschriften opgenomen bebouwingsregeling blijkt dat de planwetgever uitgaat van de aanwezigheid van zodanige lijn en dat deze niet hoeft samen te vallen met de voorste begrenzing van een bebouwingsvlak. Voor het bestaan van een voorgevelrooilijn is, tenzij het bestemmingsplan zulks voorschrijft, niet vereist dat deze op de plankaart is ingetekend. De aanduidingen op de plankaart bij het bestemmingsplan “[gebied]” voorzien niet in een aanduiding die de voorgevelrooilijn weergeeft. Dat strookt met de begripsbepalingen van de planvoorschriften. Daarin is ter zake van de ligging van de rooilijn, anders dan bij de begrippen bouwgrens en bouwvlak, niet verwezen naar een desbetreffende aanduiding op de plankaart.

Bij deze stand van zaken dient de ligging van de voorgevelrooilijn te worden vastgesteld aan de hand van het ter zake van toepassing zijnde voorschrift van de gemeentelijke bouwverordening, in dit geval artikel 2.5.5, onder a.

2.7 Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de plaatsing van de in geding zijnde houten schutting, waarvan de top hoger ligt dan 1 m gemeten vanaf de voet van de erfafscheiding, een bouwvergunning noodzakelijk is.

2.8 Volgens vaste jurisprudentie kan slechts in bijzondere gevallen van het bestuursorgaan worden gevergd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Van een bijzonder geval kan sprake zijn indien concreet en reëel zicht op legalisering bestaat.

2.8.1 De houten schutting is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 22, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften. Weliswaar is de in deze bepaling maximaal toegestane hoogte van 1 m gerelateerd aan de voorgevel van een woning of het verlengde daarvan en houdt de bestemming “Tuin” hier verband met de bestemming “Woondoeleinden”, doch juist uit die context blijkt dat genoemd voorschrift aldus moet worden verstaan dat maatgevend is de lijn die loopt langs de voorgevels van de aanwezige woningen met inbegrip van het verlengde van die lijn. Bij een hoekperceel als het onderhavige betekent dit dat wat betreft het stuk grond aan de zijkant van de woning twee van die lijnen lopen die op de hoek samenkomen. Vast staat dat de houten schutting vóór die lijn staat. Legalisering is derhalve niet mogelijk.

2.8.2 Ook overigens is niet gebleken dat sprake is van een bijzonder geval. Het door eiser gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel is door verweerders voldoende weerlegd. Gezien de door verweerders overgelegde stukken en naar ook blijkt uit door eiser ingediende nadere memorie voeren verweerders een actief en consistent handhavingsbeleid met betrekking tot niet toegestane erfbebouwing. Voor het oordeel dat verweerders situaties die gelijk zijn te stellen met die van eiser ongemoeid laten, bestaat geen grond. Voorzover verweerders (nog) niet in alle daarvoor in aanmerking gevallen hebben opgetreden, valt daaraan niet de conclusie te verbinden dat zij in de houten schutting van eiser hadden behoren te berusten.

2.9 De grief van eiser dat de vlechtwerken onder de ter hoogte van de voorgevel van zijn woning staande pergola niet zijn aan te merken als erfafscheiding, treft doel. De vlechtwerken vormen gezien de situering daarvan geen naar buiten toe gekeerde afscheiding van het perceel. Het perceel blijft aan weerszijden van de vlechtwerken open. Gezien de overgelegde foto’s is hier sprake van tuinmeubilair in de zin van de artikel 43, eerste lid, aanhef en onder h, Wo-ningwet. De hoogte van de vlechtwerken en de pergola waarvan zij deel uitmaken, bedraagt gemeten vanaf de voet niet meer dan 2 m. Derhalve is sprake van een vergunningvrije bouw. Verweerders waren mitsdien niet bevoegd ter zake van bedoelde vlechtwerken bestuursdwang aan te zeggen.

2.10 Met betrekking tot de klacht van eiser dat de in de bezwaarschriftprocedure gehouden hoor-zitting werd voorgezeten door de burgemeester tevens de ondertekenaar van de bestuurs-dwang-beschik-king, merkt de rechtbank op dat in artikel 7:5, eerste lid, Awb het horen door de voorzitter of een lid van het betrokken bestuursorgaan juist voorop is gesteld. Voorts is gebleken dat in de gemeente Heem-stede ten behoeve van de beslissing op bezwaar tegen een besluit van burgemeester en wethouders geen adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb bestaat. De Awb verplicht niet tot de instelling van zodanige commissie.

2.11 Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het beroep voorzover gericht tegen de last tot verwijdering van de vlechtwerken (plantrekken) gegrond is. Voor het overige is het beroep ongegrond.

2.12 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten gunste van eiser. Eiser heeft in dit verband opgave gedaan van verletkosten ter zake van 4 uur onbetaald verlof. Gelet op het door de rechtbank in dezen gehanteerde tarief bedraagt de voor deze kosten toe te kennen ver-goeding ƒ 120,--. Van overige proceskosten die ingevolge het Besluit proceskosten be-stuurs-recht voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank:

I. verklaart het beroep gegrond, voorzover gericht tegen de in het bestreden besluit van 17 mei 2000 vervatte last tot verwijdering van vlechtwerken (plantrekken) onder de pergola in het verlengde van de voorgevel van de woning van eiser;

II. vernietigt het bestreden besluit van 17 mei 2000, wat betreft hiervoor onder I genoemde onderdeel daarvan;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van Heemstede in de door eiser in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van ƒ 120,-- (ver-let-kosten) , welk bedrag de gemeente Heemstede aan eiser dient te betalen;

V. gelast dat de gemeente Heemstede het door eiser betaalde griffierecht van ƒ 225,00 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gewezen door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer voor be-stuurs-rechtelijke zaken, in tegenwoordigheid van mr. N. van den Brink als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2001

in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL.

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.