Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AB2183

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
73933/KG ZA 01-208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2002/113
IER 2001, 39
Module Ruimtelijke ordening 2001/5561
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 73933/KG ZA 01-208

Vonnisdatum: 18 mei 2001

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiser],

wonende te Haarlem,

eiser,

procureur mr. W.M.U. van der Blom,

advocaat mr. P. Tuinman te Leeuwarden,

-- tegen --

DE GEMEENTE HAARLEM,

zetelende te Haarlem,

gedaagde,

procureur mr. B.C. Romijn.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] respectievelijk de Gemeente.

1. De loop van het geding

In verband met het feit dat deze zaak enige samenhang vertoont met het bouwproject De Appelaar, dat onder meer voorziet in een nieuw gerechtsgebouw voor de Arrondissementsrechtbank Haarlem, heeft de behandeling van dit geding plaatsgevonden ten overstaan van mr. J.C. van Dijk, president van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar en rechter-plaatsvervanger in deze rechtbank.

[Eiser] heeft ter terechtzitting van 4 mei 2001 overeenkomstig de dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna onder 3.1 weergegeven.

Na toelichting op de vordering van de zijde van [eiser], verweer van de zijde van de Gemeente en verder debat in tweede termijn hebben partijen onder overlegging van de stukken vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In dit geding kan van het volgende worden uitgegaan:

a. Op 1 september 1971 is [eiser] door de Gemeente aangesteld in de functie van stadsarchitect bij het bedrijf voor openbare werken. Met ingang van 1 mei 1976 is deze aanstelling gewijzigd in een aanstelling als stadsarchitect in algemene dienst van de Gemeente Haarlem. Per 1 november 1988 heeft de Gemeente [eiser] op diens verzoek eervol ontslag verleend als stadsarchitect.

b. De bij de benoeming tot stadsarchitect in algemene dienst behorende taakbeschrijving vermeldt onder meer:

"Organisatie: is verantwoordelijkheid verschuldigd aan de het college c.q. de daartoe aangewezen wethouder.

Werkonderdelen:

(...)

8. kan worden belast met specifieke opdrachten."

c. In opdracht van de Gemeente heeft [eiser] vanaf 1973 ontwerpen gemaakt voor de verbouwing van het 19e eeuwse Concertgebouw te Haarlem. Deze verbouwing is in drie fases uitgevoerd. In 1973 realiseerde [eiser] het Tuinhuis met pauze- en inspeelruimte en overige faciliteiten voor podiumkunstenaars. In de tweede fase, die in 1976 plaatshad, heeft [eiser] de Grote Zaal verbouwd. De derde fase, van 1984 tot 1986, omvatte de bouw van een Kleine Zaal, het realiseren van een nieuwe gevel aan de Tuinzaal, de (ver)bouw van foyers, het verbouwen van de entree en het aanbrengen van entresols.

d. Bij de bouw van de Kleine Zaal werd als uitgangspunt gehanteerd dat de zaal mede geschikt moest zijn voor eigentijdse elektronische muziek ("Muzieklab"). De zaal heeft daarom een beperkte nagalm, hetgeen hem echter minder geschikt maakt voor klassieke muziek. De zaal bezit een verdiept gedeelte ("zitkuil") waardoor het publiek bij schoolconcerten rond de musici kan plaatsnemen.

e. In binnen- en buitenland is aandacht besteed aan de ontwerpen die [eiser] voor het Concertgebouw heeft gemaakt, met name aan het ontwerp voor de Kleine Zaal.

f. Het Concertgebouw heeft te kampen met aanzienlijk achterstallig onderhoud.

g. De Gemeente heeft een plan gepresenteerd om te komen tot een "upgrading" van het Concertgebouw. Dit vernieuwbouwplan hangt nauw samen met de herinrichting van het naast het Concertgebouw gelegen Appelaarterrein. Tussen de ontwikkelaars van het Appelaarterrein en de Gemeente zijn afspraken gemaakt over de begrenzing tussen het Concertgebouw en de overige bebouwingen van het Appelaarterrein. Deze nieuwe begrenzing heeft een verplaatsing van het Concertgebouw tot gevolg, in die zin dat de grond van het tuinhuis afgestaan wordt aan de ontwikkelaars van het Appelaarterrein, en dat er een stukje grond langs het Klokhuisplein bij het Concertgebouw wordt gevoegd.

h. Bij het opstellen van het vernieuwbouwplan heeft de Gemeente als uitgangspunt gekozen dat het gebouw berekend moet zijn op een breed aanbod aan voorstellingen, zoals concerten van symfonieorkesten, solistenrecitals, koor- en kamermuziek, alsmede popmuziek, entertainment, jazz, wereldmuziek en kleinkunst. Het is de wens van de exploitant om de beschikking te krijgen over een Kleine Zaal die geschikt is voor kamerensembles en die gelijktijdig met de Grote Zaal gebruikt kan worden. Voorts bestaat de wens het Concertgebouw geschikt te maken voor congressen, presentaties en vergaderingen.

i. Op 18 oktober 2000 heeft de gemeenteraad het Definitief Ontwerp Vernieuwbouw Concertgebouw vastgesteld. Dit ontwerp voorziet onder meer in sloop van het Tuinhuis, de Kleine Zaal met de foyers, de gevel van de Tuinzaal, en de door [eiser] ontworpen entree. Er zal een nieuwe Kleine Zaal worden gebouwd, die zal beschikken over een groter aantal zitplaatsen en een akoestiek die meer geschikt is voor ensemblemuziek (meer nagalm).

j. De Gemeente is voornemens op 6 juli 2001 met de sloop aan te vangen.

3. De vordering en de grondslag daarvan

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven, dat de president bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Gemeente zal verbieden tot sloop dan wel wijziging op zodanige manier dat sprake is van aantasting/verminking van de volgende onderdelen van het Concertgebouw: inspeelruimte, Kleine Zaal, nieuwe gevel Tuinzaal, foyers rond de Kleine Zaal inclusief aanpalende en daarmee samenhangende ruimtes, en entree over te gaan, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000.000,-- per overtreding per onderdeel;

II. de op grond van artikel 50 lid 6 TRIPs-verdrag te geven termijn zal bepalen op één jaar vanaf de datum dat het Hof van Justitie van de EG uitspraak heeft gedaan in de Route-66 zaak.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Gemeente, door de door hem ontworpen gedeelten van het Concertgebouw te slopen, inbreuk maakt op de persoonlijkheidsrechten, als bedoeld in artikel 25 Auteurswet (AW), welke [eiser] als maker en auteursrechthebbende toekomen.

4. Het verweer

Gemeente heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd. Hierop zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. Beoordeling van het geschil

Het verweer van de Gemeente valt uiteen in drie onderdelen.

Allereerst heeft de Gemeente betwist dat alle door [eiser] ontworpen onderdelen van het Concertgebouw als "werk" in de zin van artikel 10 AW zijn aan te merken. Ten aanzien van de zijbeuken in de Grote Zaal, de nieuwe gevel van de Tuinzaal en de foyers heeft de Gemeente gesteld dat hier sprake is van technische aanpassingen die een eigen, persoonlijk karakter en persoonlijk stempel van de maker ontberen.

Ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van [eiser] zich niet mede uitstrekt tot de Grote Zaal, zodat de vraag of de zijbeuken een "werk" zijn geen beantwoording behoeft. Bij de vraag of de overige bouwwerken als "werk" kunnen worden aangemerkt, dient bedacht te worden dat de bouwkunst altijd in meer of mindere mate gebonden is aan randvoorwaarden als functie, bouwkundige constructie en reeds aanwezige andere bouwwerken, doch dat het enkele feit dat de invloed van dergelijke randvoorwaarden op het ontwerp groter is nog niet meebrengt dat slechts gesproken kan worden van zuiver technische aanpassingen. Een aanwijzing dat de foyer en de gevel van de Tuinzaal wel degelijk het persoonlijk karakter en stempel van de maker dragen, is gelegen in het feit dat zowel in het door [eiser] overgelegde, ter gelegenheid van zijn afscheid als stadsarchitect aangeboden, boekwerk "[eiser]" als in het tijdschrift "Deutsche bauzeitung" afbeeldingen van deze creaties zijn opgenomen. Mede gelet op bovenomschreven uitgangspunt en de door [eiser] overgelegde foto's is de president voorshands van oordeel dat de foyer en de gevel van de Tuinzaal wel degelijk als "werk" in de zin van artikel 10 AW moeten worden aangemerkt.

Vervolgens heeft de Gemeente met een beroep op artikel 7 AW aangevoerd dat niet [eiser] als maker van de werken moet worden beschouwd, maar de Gemeente, omdat [eiser] de ontwerpen in dienst van de Gemeente heeft vervaardigd. Uit de hiervoor onder 2.1 b. geciteerde taakomschrijving kan evenwel hooguit worden afgeleid dat het vervaardigen van ontwerpen voor specifieke projecten tot de taak van de stadsarchitect behoorde, doch niet dat de Gemeente ook zeggenschap had over de vorm waarin de ontwerpen/bouwwerken tot stand kwamen. Mede gelet op het gegeven dat voor de kunst van het ontwerpen enige vrijheid een voorwaarde is, heeft de Gemeente mitsdien onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij invloed had op de totstandkoming van de ontwerpen van [eiser]. Het enkele feit dat [eiser] organisatorisch verantwoordelijkheid verschuldigd is aan het college van Burgemeester en Wethouder is hiervoor niet genoeg. Bij de verdere beoordeling zal er derhalve van uitgegaan worden dat [eiser] als maker in de zin van de Auteurswet heeft te gelden.

Ten slotte heeft de Gemeente bepleit dat sloop niet aan te merken valt als een aantasting van het werk in de zin van artikel 25 lid 1 sub d. AW, alsmede dat, indien sloop wèl als aantasting gezien kan worden, de reputatie van [eiser] als architect door deze sloop geen nadeel ondervindt. Met [eiser]is de president evenwel van oordeel dat sloop wel degelijk valt binnen het in artikel 25 lid 1 sub d. gebezigde begrip "aantasting". Sloop leidt echter niet in alle gevallen tot nadeel aan de eer of naam van de maker.

Bij de beoordeling van de vraag of sloop in het onderhavige geval leidt tot nadeel aan de reputatie van [eiser] dient onder meer gewicht te worden toegekend aan de omstandigheid dat [eiser] de werken heeft gemaakt in dienst van de Gemeente. Verder is van belang dat de voorgenomen sloop is ingegeven door de gewijzigde inzichten en ambities van de exploitant en derhalve niet door een gebrek aan waardering voor het werk van[eiser]. Gesteld noch gebleken is dat de Gemeente zich denigrerend heeft uitgelaten omtrent de werken van[eiser]. Hierbij dient tevens in aanmerking te worden genomen dat voor de mate van succes van een ontwerp voor een concertzaal van doorslaggevende betekenis is of het ontwerp voldoet aan specifieke aan een concertzaal in het onderhavige geval te stellen eisen. Onbetwist is dat de huidige Kleine Zaal als gevolg van haar akoestiek en inrichting minder geschikt is voor het ten gehore brengen van klassieke muziek, hetgeen nu juist de wens is van de exploitant, en dat gelijktijdig gebruik van de Grote en de Kleine Zaal als gevolg van geluidsoverlast bezwaarlijk mogelijk is. Hierdoor worden de programmering en exploitatiemogelijkheden beperkt. Voor schoolconcerten, met het oog waarop de zogenaamde zitkuil is aangebracht, wordt de Kleine Zaal zo goed als nooit gebruikt. De Gemeente beschikt thans, anders dan in de periode dat [eiser]het Concertgebouw verbouwde, over voldoende financiële middelen om het Concertgebouw in overeenstemming te brengen met de gewijzigde ambities. Bovendien zijn de mogelijkheden van de Gemeente voor de herinrichting van het Concertgebouw beperkt doordat zij zich ten opzichte van de ontwikkelaars van het Appelaarterrein verplicht heeft de begrenzing tussen het Concertgebouw en het Appelaarterrein te wijzigen, hetgeen meebrengt dat zowel het Tuinhuis als de Kleine Zaal niet op dezelfde plek gehandhaafd kunnen worden. Dit laatste brengt mee dat de Gemeente in redelijkheid mocht besluiten dat renovatie - al aangenomen dat hiermee volledig aan de gebruikswensen van de exploitant tegemoet kan worden gekomen, hetgeen door de Gemeente is ontkend - geen optie was.

Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de sloop van onderdelen van het Concertgebouw nadeel zou kunnen toebrengen aan de reputatie van [eiser]als architect, hoe zeer het ook begrijpelijk is dat de sloop [eiser] aan het hart gaat. Dit geldt te meer nu de goede naam van [eiser] als architect van onderdelen van het Concertgebouw zal blijven voorleven in de diverse foto's, beschrijvingen en andere documentatie van zijn werk.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de voorgenomen sloop niet nodeloos of onzorgvuldig is jegens[eiser], zodat de gevraagde voorzieningen moeten worden geweigerd. [eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het geding te dragen.

6. Beslissing

De president:

Weigert de gevraagde voorzieningen.

Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van de Gemeente begroot op ƒ 400,-- aan verschotten en ƒ 1.550,-- aan salaris voor de procureur.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. van Dijk, fungerend-president van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 18 mei 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.