Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AB2017

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
74547/KG ZA 01-252
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 74547/KG ZA 01-252

Vonnisdatum: 8 juni 2001

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

1. [eiser 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

4. [eiser 4]

5. [eiser 5]

6. [eiser 6]

7. [eiser 7]

8. De vereniging Volendam ‘80

allen wonende/gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

eisers,

procureur mr. B.W.M. Zegers,

-- tegen --

[gedaagde],

wonende te Haarlem,

gedaagde,

procureur: mr. P. Heidinga,

advocaat mr. D.M. Wille te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] respectievelijk [gedaagde].

1. De loop van het geding

Ter terechtzitting van 28 mei 2001 heeft [eisers] overeenkomstig de dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna onder 3 weergegeven.

Na toelichting op de vordering van de zijde van [eisers], verweer van de zijde van [gedaagde], en verder debat in tweede termijn hebben partijen onder overlegging van de stukken vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In dit geding kan van het volgende worden uitgegaan:

a. Op 2 november 2000 heeft, op verzoek van [eisers], een onderhoud plaatsgevonden met [gedaagde], commissaris der Koningin in de provincie Noord-Holland, in het bijzijn van diens kabinetschef, mr. [B.].

b. Tijdens dit onderhoud is door [eisers] aan de orde gesteld het functioneren van de [burgemeester], burgemeester van Edam-Volendam, in het licht van zijn herbenoeming. [eisers] hebben in dit onderhoud aangegeven dat zij herbenoeming van [burgemeester] niet wenselijk achtten, onder andere vanwege zijn ondemocratische opstelling in diverse aangelegenheden.

c. In maart 2001 zijn door de pers aan [gedaagde] vragen gesteld over de inhoud van het onderhoud met [eisers], welke vragen door [gedaagde] zijn beantwoord. Een (goed geïnformeerde) journalist vroeg aan hem: “Is het waar dat Volendam ’80 eind vorig jaar bij u op gesprek is geweest om over het functioneren van [burgemeester] te praten ?”, hetgeen door [gedaagde] werd bevestigd, waarop de journalist vroeg: “Is het waar dat brandpreventie toen als argument voor het ondemocratisch gedrag van [burgemeester] is gebruikt ?” Dit werd door [gedaagde] eveneens bevestigd. De journalist vroeg of dat achteraf gezien niet bijzonder kwalijk was, waarop [gedaagde] zei dat dat achteraf gezien “wel wrang” was.

d. In de Volkskrant van 17 maart 2001 wordt, naar aanleiding van de uitlatingen van [gedaagde] daarover, het onderhoud als volgt weergegeven:

“De lokale partij Volendam ‘80 heeft vorig jaar campagne gevoerd tegen een herbenoeming van burgemeester [burgemeester] van Volendam. De partij was kwaad op [burgemeester], die het verzet van Volendam ‘80 tegen professionele brandpreventie negeerde. Dat zegt de commissaris van de koningin in Noord-Holland, [gedaagde].

Volgens [gedaagde] heeft Volendam ‘80 hem vorig najaar gevraagd [burgemeester] eind 2001 niet te herbenoemen als burgemeester van de gemeente Edam-Volendam. “Ze waren van oordeel dat de burgemeester niet democratisch had gehandeld. [burgemeester] had de door hem voorgestane aanstelling van twee of drie preventie-ambtenaren rechtstreeks aan de orde gesteld in de commissie algemene zaken. Hij had dat moeten overlaten aan het college, waarin Volendam ‘80 toen nog zitting had.”

De commissaris noemt het “achteraf buitengewoon wrang” dat de partij juist over de brandpreventie bezwaar kwam maken. “Ik wist dat de brandpreventie al langer speelde in die gemeente en dat [burgemeester] voorstander was van het volgen van de aanbevelingen van de brandweer.”

e. In het Noordhollands Dagblad van 13 maart 2001 wordt het onderhoud als volgt weergegeven:

“De commissaris van de Koningin noemt het extra pijnlijk dat VD ‘80 nota bene kwam klagen over [burgemeester] omdat die, buiten zijn eigen college om, had gepleit voor meer preventieambtenaren die toezicht zouden moeten houden op de veiligheidsvoorschriften. “Daar was de fractie van VD ‘80 op dat moment tegen, maar of dat achteraf gezien nu zo gelukkig is geweest.”

VD ‘80 is met zeven zetels de grootste fractie in de raad van Edam-Volendam. Hun klaagzang bij het provinciehuis vond eind vorig jaar plaats. Voor de rampzalige nieuwjaarsnacht, dus. Toch ligt er een rechtstreeks verband met de brand, want hun kritiek spitste zich toe op de manier waarop [burgemeester] probeerde om omstreden collegebesluiten erdoor te krijgen. Dit ging met name om het benoemen van beroepsbrandweermannen en het doorvoeren van de reorganisatie van het ambtelijk apparaat. Hierover was tweestrijd binnen het college van burgemeester en wethouders. Lukte het [burgemeester] niet om bij de wethouders een meerderheid te krijgen, dan probeerde hij het binnen de commissievergadering van algemene zaken alsnog voor elkaar te boksen. Via die weg drukte hij de benoeming van de brandpreventieambtenaar erdoor en zo kreeg hij ook na veel interne strijd de reorganisatie binnen het stadskantoor voor elkaar.

f. [gedaagde] is bij brief van 23 maart 2001 door [eisers] gesommeerd zijn uitlatingen te rectificeren. Bij brief van 26 maart 2001 heeft [gedaagde] kenbaar gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan.

3. De vordering en de grondslag daarvan

[Eisers] vorderen dat de president bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

[gedaagde] op straffe van een dwangsom zal bevelen binnen tien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot publicatie in zowel het Noordhollands Dagblad als de Volkskrant van de navolgende verklaring inhoudende:

“[gedaagde] verklaart hierbij dat zijn eerdere gedane uitlatingen aan de journalisten van het Noordhollands Dagblad en de Volkskrant zoals daarin gepubliceerd respectievelijk op 13 maart en 17 maart jl. inhoudende dat de fractie van VD ’80 bij hem kwam klagen over Burgemeester [burgemeester] omdat die buiten zijn eigen college om, had gepleit voor meer preventieambtenaren, die toezicht zouden moeten houden op de veiligheidsvoorschriften, in strijd zijn met de waarheid”; althans een zodanige verklaring dan wel herroeping die de president redelijk en billijk acht, zulks met

veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

[Eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde] willens en wetens onwaarheden heeft verkondigd aan journalisten van het Noordhollands Dagblad en de Volkskrant en zodoende [eisers] in diskrediet heeft gebracht, aangezien -aldus [eisers]- door deze onjuistheden [gedaagde] de indruk heeft gewekt dat [eisers] verantwoordelijk zouden zijn voor de ambtelijke tekortkomingen binnen de gemeente Edam-Volendam, die hebben bijgedragen tot het ontstaan van de ramp op 1 januari 2001 te Volendam, die 13 dodelijke slachtoffers ten gevolge heeft gehad en circa 250 gewonden.

Eisers sub 1 tot en met 7 hebben op 15 maart 2001 door A.H.S. Thesingh, notaris te Edam-Volendam, een akte laten opmaken, waarin zij verklaren dat tijdens het onderhoud op 2 november 2000 het onderwerp brandpreventie of het aantal te benoemen preventie-ambtenaren niet aan de orde zijn geweest.

4. Het verweer

[gedaagde] heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd. Hierop zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. Beoordeling van het geschil

[gedaagde] heeft betoogd, dat [eisers] ten onrechte [gedaagde] in persoon hebben gedagvaard en niet de Provincie, of de commissaris als orgaan van de provincie. Met [gedaagde] is de president van oordeel, dat het geschil betreft uitlatingen door [gedaagde] gedaan in zijn functie van commissaris der Koningin en niet uitlatingen van [gedaagde] als natuurlijk persoon. [eisers] hebben ter zitting ook erkend dat zij zich op 2 november 2000 tot [gedaagde] in diens functie hebben gewend, gelijk ook de schrijvende pers zich heeft gewend tot [gedaagde] in diens functie met vragen over het gesprek op 2 november 2000.

Het voorgaande brengt met zich dat [eisers] de functionaris “commissaris der Koningin” onrechtmatig handelen verwijten. Naar geldend recht kunnen -in beginsel- slechts natuurlijke personen en rechtspersonen als procespartij optreden. Nu de commissaris der Koningin nóch als natuurlijk persoon nóch als rechtspersoon is aan te merken, hadden [eisers] de Provincie, als openbaar rechtspersoon, mogelijkerwijs tezamen met de commissaris der Koningin als ambtelijk orgaan van de Provincie, behoren te dagvaarden en niet de natuurlijke persoon [gedaagde]. [eisers] zijn dan ook niet-ontvankelijk in hun vorderingen en dienen de kosten van het geding te dragen. Teneinde evenwel een nieuw geding (tegen de provincie en -eventueel- de commissaris der Koningin) met als onderwerp hetzelfde geschil als thans tussen partijen aanhangig te voorkomen, zal -ten overvloede- een inhoudelijk oordeel over de zaak worden gegeven.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eisers] in deze zaak geen spoedeisend belang hebben, nu het betreft uitlatingen welke medio maart 2001 zijn gepubliceerd, terwijl eerst op 16 mei 2001 is gedagvaard. Het tijdsverloop alsmede de ontwikkelingen welke zich in die periode hebben voorgedaan, brengen met zich dat [eisers] geen spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen, aldus [gedaagde].

De president is van oordeel dat enerzijds weliswaar door [eisers] niet voortvarend is gehandeld, maar dat anderzijds het in de maand juni van dit jaar nog te verschijnen rapport van de Commissie Alders, betreffende de oorzaken van de nieuwjaarsramp in Volendam, een voldoende spoedeisend belang genereert. [eisers] zijn derhalve op dit punt ontvankelijk in hun vorderingen.

Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] door het doen van uitlatingen aan journalisten omtrent de bespreking tussen partijen op 2 november 2000, zoals deze uitlatingen zijn gepubliceerd in het Noordhollands Dagblad van 13 maart 2001 en de Volkskrant van 17 maart 2001.

Voorop moet worden gesteld dat in het kader van dit geding niet exact kan worden vastgesteld wat de inhoud was van het gesprek op 2 november 2000. Beide partijen hebben getracht -de president wil aannemen naar beste eer en geweten- zich te herinneren welke onderwerpen tussen hen zijn besproken. Het gaat dan evenwel om de herinnering aan een gesprek dat -thans- ruim zes maanden geleden heeft plaatsgevonden en een gesprek tussen negen gesprekspartners die (bijna) allen afwisselend het woord hebben gevoerd. In aanmerking genomen deze (weinig gestructureerde) wijze van gespreksvoering, het feit dat geen gespreksverslag is opgemaakt dat aanknopingspunten zou kunnen bieden, alsmede gelet op het tijdsverloop, is begrijpelijk dat partijen van mening verschillen over de vraag welke onderwerpen en voorvallen tussen hen zijn besproken.

Naar geldend recht dient [gedaagde] evenwel, waar híj stelt dat in de bespreking op 2 november 2000 de brandpreventie en de benoeming van brandpreventieambtenaren door [eisers] aan de orde is gesteld als voorbeeld van ondemocratisch gedrag van burgemeester [burgemeester], de juistheid van deze verklaring te bewijzen, nu dit door [eisers] wordt betwist. Door [gedaagde] zelf is ter zitting aangegeven dat het bewijs hiervan moeilijk te leveren valt, aangezien [eisers] het tegenovergestelde verklaren. Zonder dat daarmee de juistheid van de gespreksweergave van [eisers] is komen vast te staan, zal er daarom in dit geding veronderstellenderwijs vanuit moeten worden gegaan dat het onderwerp brandpreventie niet ter sprake is geweest.

Er aldus vanuit gaande dat in het onderhoud tussen partijen de brandpreventie en de aanstelling van brandpreventieambtenaren niet als voorbeeld zijn genoemd van ondemocratisch optreden door de burgemeester, is de president nochtans van oordeel dat [eisers] door de uitlatingen van [gedaagde] niet in diskrediet zijn gebracht. Niet gezegd kan worden -zoals door [eisers] gesteld- dat [gedaagde] met zijn uitlatingen aan de pers “de indruk heeft gewekt dat [eisers] verantwoordelijk zouden zijn voor de ambtelijke tekortkomingen binnen de gemeente Edam-Volendam, die hebben bijgedragen tot het ontstaan van de ramp op 1 januari 2001 te Volendam, die 13 dodelijke slachtoffers ten gevolge heeft gehad en circa 250 gewonden”. Immers, door [gedaagde] is slechts, desgevraagd, aan de pers bevestigd dat VD ‘80 in november 2000 bij hem op gesprek is geweest om over het functioneren van burgemeester [burgemeester] te praten, waarbij [gedaagde] desgevraagd eveneens bevestigde dat brandpreventie toen als argument voor het ondemocratisch gedrag van [burgemeester] is gebruikt en dat dat achteraf gezien wel wrang was. Uit de artikelen gepubliceerd in het Noordhollands Dagblad en de Volkskrant, zoals hierboven geciteerd, blijkt dat de uitlatingen zoals door [gedaagde] gedaan, door de journalisten op verschillende wijze wordt weergegeven. Deze onderling verschillende -en daardoor mogelijkerwijs in meerdere of mindere mate suggestieve- weergave, kan echter niet voor rekening van [gedaagde] komen. De indruk welke aan een schriftelijke publikatie kan worden ontleend is immers subjectief en hierdoor voor meerdere uitleg vatbaar. [gedaagde] zèlf kan slechts verantwoordelijk worden gehouden voor zijn uitlatingen en de bewoordingen daarvan, zoals hij deze aan de pers heeft gedaan. Aan deze uitlatingen op zich, zonder nadere journalistieke interpretatie, kan niet de indruk worden ontleend dat [eisers] verantwoordelijk worden gesteld voor ambtelijke tekortkomingen binnen de gemeente Edam-Volendam, welke zouden hebben bijgedragen tot het ontstaan van de ramp op 1 januari 2001.

Door [eisers] is niet betwist dat zij [gedaagde] hebben bezocht teneinde hem hun ongenoegen over burgemeester [burgemeester] kenbaar te maken, waarbij zij met name hun beklag deden over zijn ondemocratisch optreden in diverse aangelegenheden. Ook indien de uitlating van [gedaagde], dat de kwestie brandpreventie hierbij als voorbeeld is genoemd, een onjuiste herinnering aan dit gesprek zou zijn, is dit op zich niet als onrechtmatig jegens [eisers] aan te merken. Door [gedaagde] is hiermee slechts gezegd, dat dit onderwerp aan de orde is gekomen bij wijze van voorbeeld, in het kader van de klacht van [eisers] omtrent ondemocratisch handelen van de burgemeester. Welk standpunt [eisers] inzake brandpreventie innemen of in het verleden hebben ingenomen, is door [gedaagde] niet aan de orde gesteld. Waar door [gedaagde] het woord wrang is gebruikt, in zijn antwoord aan de pers, ziet deze kwalificatie niet op een houding of handelwijze van VD ’80, maar duidt dit veeleer op de situatie in het algemeen.

Het vorenoverwogene leidt derhalve strikt ten overvloede tot de slotsom dat, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat [eisers] in het onderhoud op 2 november 2000 met [gedaagde] de brandpreventie en de aanstelling van brandpreventieambtenaren niet als voorbeeld van ondemocratisch gedrag van burgemeester [burgemeester] aan de orde hebben gesteld, de uitlating van [gedaagde] dat dit wel als voorbeeld is genoemd, niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt.

6. Beslissing

De president:

Verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

Veroordeelt [eisers] in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] begroot op ƒ 400,-- aan verschotten en ƒ 1.550,-- aan salaris voor de procureur;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Bakker, president van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 8 juni 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.