Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2001:AB1608

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00-8725 en 00-8726 NAbw H V00 G14 Kv
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: AWB 00-8725 en 00-8726 NAbw H V00 G14 Kv

Uitspraakdatum: 17 januari 2001

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM,

Fungerend president

U I T S P R A A K

op een verzoek om voorlopige voorziening (artikel 8:81 Awb)

en tevens in de hoofdzaak (artikel 8:86 Awb)

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. M.A.M. Ansink, advocaat te Zaandam,

-- tegen --

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad,

verweerder.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] respectievelijk B&W Zaanstad.

1. De loop van het geding

Voor de loop van het geding verwijst de president naar de volgende zich in het griffiedossier bevindende stukken, partijen bekend:

het verzoekschrift van 7 december 2000, met bijlagen,

het beroepschrift van 7 december 2000, met bijlagen,

de door B&W Zaanstad overgelegde op het geding betrekking hebbende stukken,

de door de gemachtigde van [verzoekster] op 15 en 16 januari 2001 nader in geding gebrachte stukken,

het verhandelde ter zitting op 17 januari 2001, alwaar [verzoekster] in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. B&W Zaanstad is verschenen bij mr. Ph. Arnold.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting, stelt de president in dit geding de volgende feiten vast:

a. [verzoekster] verblijft sedert 19 juni 1996 in Nederland. Zij is gehuwd geweest met de heer [ex-echtgenoot] (Nederlandse nationaliteit) en beschikte destijds over een vergunning tot verblijf in het kader van gezinshereniging. Uit het huwelijk is op [datum] 1994 een zoon geboren. De zoon (hierna: [zoon]) heeft de Nederlandse nationaliteit. In november 1997 is [verzoekster] met haar zoon vertrokken uit de echtelijke woning en heeft zij haar toevlucht gezocht in het [opvangcentrum]. Per 21 augustus 1998 is het huwelijk ontbonden.

b. Tot 7 november 1998 was [verzoekster] in het bezit van een verblijfsvergunning met als doel het vinden van arbeid in loondienst. Een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning is bij besluit van 8 april 1999 afgewezen en het daartegen ingediende bezwaar is ongegrond verklaard. Op 7 juli 2000 heeft [verzoekster] een nieuwe aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf om humanitaire redenen (in verband met de zorg voor een minderjarig kind en het gevoerde beleid ter zake van mishandelde vrouwen). De aanvraag is buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een machtiging voorlopig verblijf. Hiertegen is bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening ingediend, welke nog niet zijn behandeld.

c. B&W Zaanstad heeft de bijstandsuitkering van [verzoekster] met ingang van 1 mei 2000 beëindigd wegens het niet beschikken over een geldig verblijfsdocument.

d. Op 14 juni 2000 heeft [verzoekster] een aanvraag ingediend om bijstand ter voorziening in de noodzakelijke bestaanskosten ten behoeve van haar minderjarige zoon. Deze aanvraag is bij besluit van 29 juni 2000 afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 16 november 2000, verzonden 23 november 2000, (hierna: het bestreden besluit) zijn, onder wijziging van de gronden, de bezwaren ongegrond verklaard.

3. Het verzoek om een voorlopige voorziening

[verzoekster] verzoekt de president het bestreden besluit met onmiddellijke ingang te schorsen en te bepalen dat aan [verzoekster] op en na 7 december 2000 bijstand wordt toegekend ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ten behoeve van haar zoon.

B&W Zaanstad heeft getoetst of er zeer dringende reden op grond van artikel 11 Abw zijn om tot bijstandsverlening over te gaan. B&W Zaanstad stelt allereerst dat, nu er aanleiding is voor een maatregel van justitiële kinderbescherming, er vanuit een oogpunt van bijstandsverlening geen sprake kan zijn van zeer dringende redenen. Voorts stelt B&W Zaanstad dat, gelet op de handhaving van het ouderlijk gezag na echtscheiding, het financieel onvermogen van [verzoekster] geen dringende reden kan opleveren. B&W Zaanstad wijzen er op dat de beschuldigingen van mishandeling door de vader op geen enkele wijze met bewijzen wordt gestaafd en [verzoekster] ook akkoord is gegaan met het in stand laten van het gezamenlijke ouderlijke gezag.

[verzoekster] stelt dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Volgens [verzoekster] is B&W Zaanstad ten onrechte tot de conclusie gekomen dat zeer dringende redenen die tot bijstandsverlening nopen ontbreken. In tegenstelling tot hetgeen B&W Zaanstad stelt is er volgens [verzoekster] geen aanleiding voor het treffen van een maatregel van justitiële kinderbescherming. Door het Bureau Jeugdzorg is aangegeven dat er geen sprake kan zijn van de dergelijke maatregel omdat in dit geval de moeder ten aanzien van de ontstane situatie geen verwijt treft. Wat betreft de positie van de vader wijst [verzoekster] op de verklaring van het Blijf van mijn lijfhuis en Bureau Jeugdzorg Zaanstreek/Waterland. Zij voert verder aan dat zij zich uit angst voor een reactie niet tegen de gezagskwestie en de omgangsregeling heeft durven verzetten en er bovendien vanuit ging dat het slechts papieren afspraken zouden zijn omdat de vader in wezen nooit belangstelling heeft getoond voor zijn zoon. Zij wijst er op dat de vader de afgelopen twee- en een half jaar geen contact heeft gezocht met zijn zoon en evenmin anderszins van belangstelling blijk heeft gegeven. [verzoekster] meent daarmee genoegzaam duidelijk te hebben gemaakt dat er sprake is geweest van mishandeling van het kind en contacten met de vader de belangen van het kind zouden kunnen schaden.

4. Beoordeling van het verzoek

Onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

De president, gehoord partijen, is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, zodat in zoverre geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86 Awb.

Overwegingen

De president stelt voorop dat B&W Zaanstad de voorliggende aanvraag terecht heeft getoetst aan artikel 11 Abw. Dit artikel geeft de bevoegdheid aan B&W Zaanstad om ten behoeve van [zoon], waarvan vaststaat dat hij geen zelfstandig recht op bijstand heeft, financiële steun te verlenen, wanneer zich daartoe dringende redenen voordoen.

Het geschil spitst zich hier allereerst toe op de vraag of de aanwezigheid van een veronderstelde voorliggende voorziening, namelijk een maatregel van justitiële kinderbescherming, aan bijstandsverlening in de weg staat. De president is van oordeel dat aard en doel van deze maatregel tot gevolg heeft dat hier niet van een aan de bijstand als passend en toereikend te beschouwen voorliggende voorziening kan worden gesproken. Bovendien is de toepassing van deze maatregel niet daadwerkelijk aangewend en is op grond van de overgelegde informatie ook niet aannemelijk dat tot ondertoezichtstelling zal worden overgegaan. Er kan daarom niet gesproken worden van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17 Abw.

De president ziet zich voorts gesteld voor de vraag of in dit geval de handhaving van het gezamenlijke ouderlijke gezag - en dus de mogelijkheid tot het (mede) kunnen bijdragen aan de opvoeding/verzorging door de vader - aan bijstandsverlening in de weg staat. B&W Zaanstad stellen niet zomaar op de verklaringen van de moeder te kunnen afgaan, zonder de vader daarbij te betrekken. B&W Zaanstad meent in dit verband dat [verzoekster] haar bewering dat de vader zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling op geen enkele wijze met bewijzen heeft ondersteund. B&W Zaanstad acht daarbij met name van belang dat [verzoekster] geen aangifte heeft gedaan van mishandeling.

De president kan B&W Zaanstad hierin niet volgen. Het komt de president op grond van de voorhanden zijnde verklaringen van het [opvangcentrum] en het Bureau Jeugdzorg wel aannemelijk voor dat er sprake is geweest van een situatie van mishandeling. De president neemt daarbij in aanmerking dat [verzoekster] en haar zoon, zo blijkt uit de verklaring van 28 juli 2000 van het [opvangcentrum], daar met behulp van de politie zijn binnengekomen. In zoverre kan, naar het oordeel van de president van [verzoekster] en haar zoon niet in redelijkheid gevergd worden dat er contact wordt gezocht met de vader. Dat de vader niet bij de totstandkoming van het bestreden besluit is betrokken mag [verzoekster] niet worden tegengeworpen. De president merkt verder op aan de instandlating van het gezamenlijk gezag over het kind niet die betekenis toe te kennen als verweerder doet. Op grond van de thans geldende wettelijke bepalingen is de instandlating van het gezamenlijke gezag door beide ouders regel en wordt slechts bij uitzondering anders beslist. Ook dient in de afweging te worden betrokken het gegeven dat de vader al geruime tijd geen contact heeft gezocht met zijn zoon en ook anderszins niet heeft laten blijken belangstelling te hebben voor zijn zoon.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en op grond van artikel 7:12, lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.

De president overweegt voorts dat toepassing van artikel 11 Abw aan de orde kan zijn indien vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van de bijstand onvermijdelijk is. De president tekent daarbij aan dat blijkens de MvT het ontbreken van de noodzakelijke middelen om in het bestaan te voorzien op zich nog geen dringende redenen oplevert.

Vaststaat dat [verzoekster] niet beschikt over voldoende middelen. Haar bijstandsuitkering is ingaande 1 mei 2000 beëindigd omdat zij niet (langer) rechtmatig verblijf hield in Nederland in de zin van artikel 1b van de Vreemdelingenwet. Zij kan op diezelfde grond evenmin aanspraak maken op kinderbijslag voor [zoon]. Het is [verzoekster] ook niet toegestaan in Nederland te werken en dus is zij niet in staat zelf inkomen te genereren. Voorts is gesteld - en niet weersproken - dat de vader geen draagkracht heeft. Hij ontvangt een bijstandsuitkering, zodat een vordering tot alimentatie geen kans van slagen heeft. Zoals hiervoor overwogen kan in verband met [zoon]’s belangen niet gevergd worden dat de vader in de opvoeding/verzorging wordt betrokken en is dit naar moet worden aangenomen ook feitelijk niet aan de orde. Ter zitting is verder gebleken dat [verzoekster] en haar zoon vanaf mei 2000 hebben geleefd van door een maatschappelijk werkster ingezamelde giften van kerken. Deze giften zullen in de loop van deze maand worden stopgezet.

De president constateert dat [verzoekster] en haar zoon al geruime tijd in behoeftige omstandigheden verkeren en tot op heden in staat zijn geweest via giften de allerbenodigste levensbehoeften te verkrijgen. Het stopzetten van die giften zal naar verwachting voor [zoon] een bedreigende situatie opleveren. Uit de verklaring van mevrouw Beuk van het Bureau Jeugdzorg van 28 augustus 2000 begrijpt de president verder dat een hulpaanbod (daarbij wordt gedacht aan gespecialiseerde gezinsverzorging en deelname van [zoon] aan het project “Spel aan huis”) voor [zoon]s ontwikkeling onontbeerlijk is, maar dit alleen kans van slagen heeft wanneer er een stabiele situatie voor [zoon] en zijn moeder onstaat en daarvoor is nodig dat het gezin over financiële middelen beschikt. Bovendien kan op korte termijn geen concreet behandelaanbod worden gedaan omdat daartoe de middelen (ziektekostenverzekering) ontbreken.

De concrete omstandigheden in ogenschouw nemend, komt het de president voor dat in de onderhavige situatie artikel 11 Abw in casu toepasbaar lijkt. De president neemt daarbij tevens in aanmerking dat, gelet op de aannemelijke mishandeling van moeder en kind, de kans van slagen in de vreemdelingenrechtelijke procedure tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning, gelet op het thans bestaande beleid, bepaald niet kansloos moet worden geacht. Verondersteld mag worden dat de verblijfsrechtelijke procedure binnen niet al te lange tijd zal zijn afgerond.

De president ziet hierin aanleiding met toepassing van het bepaalde in artikel 8:85, lid 2, aanhef en onder c, van de Awb te bepalen dat ten behoeve van [zoon] bij wijze van voorlopige voorziening bijstand wordt toegekend zoals hieronder in het dictum aangegeven.

5. Beslissing

De president:

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 16 november 2000;

Verstaat dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Draagt verweerder op ten behoeve van [zoon] met ingang van de datum van deze uitspraak bij wijze van voorlopige voorziening bijstand te verlenen overeenkomstig de norm als bepaald in artikel 29, lid 1, aanhef en onder a, van de Abw, tot uiterlijk 6 weken na de datum van het nieuw te nemen besluit op bezwaar;

Veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van [verzoekster] begroot op ƒ 1.420,- te betalen door de gemeente Zaanstad aan de griffier;

Gelast dat de gemeente Zaanstad het door [verzoekster] betaalde griffierecht van ƒ 60,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gewezen door mr. F.F.W. Brouwer , fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2001, in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Deze uitspraak betreft zowel het verzoek om voorlopige voorziening als de bodemzaak. Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Wel kan hoger beroep worden ingesteld tegen deze uitspraak voor zover dat ziet op de bodemzaak, door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA te Utrecht, binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van deze uitspraak door de griffier.