Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:1999:AA3474

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-03-1999
Datum publicatie
25-01-2002
Zaaknummer
AWB 98/539
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

Meervoudige Kamer voor Bestuursrechtelijke Zaken

U I T S P R A A K ingevolge artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

reg.nr.: AWB 98/539

Inzake:

A te B, eiser,

tegen

Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu B.V., verweerster.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij besluit van 23 januari 1997 heeft verweerster het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) om openbaarmaking van de subsidie-aanvraag van Staalstraal Brabant B.V. met bijlagen, de naar aanleiding van de aanvraag genomen subsidie-beschikking en de aan de beschikking ten grondslag gelegde beoordelingsrapporten (hierna ook: de op de subsidie-verlening betrekking hebbende stukken) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 maart 1997 een bezwaarschrift ingediend bij verweerster.

Bij besluit van 3 december 1997 heeft verweerster de bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 23 januari 1997 gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 januari 1998 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerster heeft bij brief van 2 maart 1998 een verweerschrift ingediend. Hierbij heeft verweerster tevens een brief van de vereniging van metaalbedrijven van 13 oktober 1994 in het geding gebracht.

Bij brief van 10 maart 1998 heeft verweerster de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en ten aanzien van de stukken ter zake waarvan openbaarmaking was geweigerd verzocht om toepassing van artikel 8:29 Awb.

Bij beslissing van 10 april 1998 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is en dat kennisneming hiervan aan eiser niet wordt toegestaan. Eiser heeft bij brief van 4 mei 1998 toestemming als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29 Awb verleend.

Partijen hebben nog nadere stukken in het geding gebracht, verweerster bij brieven van 24 september en 2 december 1998 en eiser bij een schrijven van 2 oktober en van 27 november 1998.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 december 1998, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr D. van Loon, advocaat te Soest.

Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr M.W.P.J. van der Heyden en ir R.E. van den Berg van Saparoea, werkzaam bij verweerster.

Voorts is verschenen Staalstraal Brabant B.V., vertegenwoordigd door haar directeur P.G.C. van Bruchem.

2. OVERWEGINGEN.

Vaststaande feiten

Verweerster heeft aan Staalstraal Brabant B.V. subsidie verstrekt in het kader van het Besluit tenders industriële energiebesparing (hierna:TIEB) voor een zogenoemd demonstratieproject.

Verweerster heeft een door eiser met een beroep op de Wob gedaan verzoek om openbaarmaking van de op de subsidie- verlening betrekking hebbende stukken, afgewezen.

Standpunten van partijen

Verweerster is van opvatting dat artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob aan openbaarmaking van de gevraagde stukken in de weg staat. Verweerster heeft voorts gesteld dat de informatie die wel voor openbaarmaking in aanmerking komt is gepubliceerd in de zogenaamde TIEB-brochure, waarin het project van Staalstraal Brabant B.V. wordt beschreven.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob restrictief dient te worden uitgelegd. Derhalve dient de gevraagde informatie, voor zover deze bedrijfs- en fabricagegevens bevat, ook aan eventueel concurrerende bedrijven te worden overgelegd aangezien het om een demon- stratieproject gaat. In elk geval behoort volgens eiser de beschikking tot subsidieverlening openbaar te zijn.

Verder is eiser van mening dat de onderliggende stukken, waaronder gegevens waarop de berekening van de energiebesparing is gebaseerd, kunnen worden aangemerkt als niet-vertrouwelijk verstrekt.

Voor zover vorenbedoelde absolute uitzonderingsgrond niet van toepassing is, is eiser van opvatting dat verweerster zich niet kan beroepen op de relatieve uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Eiser stelt zich op het standpunt dat, zo al sprake is door verstrekking van gegevens van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken rechtspersonen, natuurlijke personen of derden, hetgeen eiser betwist, thans van onevenredige bevoordeling of benadeling, gelet op het tijdsverloop, geen sprake meer kan zijn.

Eiser handhaaft voorts zijn stelling dat hij zonder de gevraagde gegevens niet kan beoordelen of door de subsidie-verlening van bevordering van oneerlijke concurrentie in de branche en daarmee van bevoordeling van Staalstraal Brabant B.V. sprake is geweest en meent dat om die reden in de bestreden beslissing melding had moeten worden gemaakt van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 10, eerste lid, en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob luidt als volgt: 2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke of rechtspersonen dan wel van derden.

De rechtbank overweegt al volgt

Verweerster is in onderdeel I sub 11 van de Bijlage als bedoeld in de artikelen 1, onder a en 2, onder b, van het Aanwijzingsbesluit bestuursorganen Wob en WNo (besluit van 16 oktober 1993, Stb. 535), aangewezen als orgaan in de zin van artikel 1, onder a, van de Wob. Op het door eiser gedane verzoek om openbaarmaking van bij verweerster berustende documenten is derhalve de Wob van toepassing.

De rechtbank verstaat het standpunt van eiser aldus dat eiser meent dat de absolute uitzonderingsgrond van artikel 10, aanhef en onder c, van de Wob toepassing mist en dat verweerster eisers verzoek om openbaarmaking had dienen te toetsen aan de relatieve uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid aanhef en onder g, van de Wob waarbij de in het kader van deze toetsing te verrichten belangenafweging had moeten leiden tot openbaarmaking van de gevraagde gegevens.

Verweerster heeft zich naar aanleiding van hetgeen door eiser is aangevoerd subsidiair op het standpunt gesteld dat ook artikel 10, aanhef en onder g, aan openbaarmaking in de weg staat, doch beroept zich primair op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Gelet hierop en op het feit dat het bij laatstgenoemd artikellid gaat om een absolute uitzonderingsgrond zal eerst beoordeeld moeten worden of artikel 10, aanhef en onder c, van de Wob aan openbaarmaking van de gevraagde gegevens in de weg staat.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bestuurs)rechtspraak van de Raad van State moet artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob naar zijn aard restrictief worden uitgelegd en is slechts sprake van bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van voormeld artikellid indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de bedrijfsvoering, het pro- duktieproces, de afzet van produkten of de kring van afnemers en leveranciers.

Door eiser is niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat de gegevens waarvan hij openbaarmaking verzoekt, bedrijfs- en fabricagegegevens betreffen in vorenbedoelde zin. Eiser kent, althans zo verstaat de rechtbank eisers standpunt, aan artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob een restrictieve uitleg toe in die zin dat waar de in geding zijnde gegevens door Staalstraal Brabant B.V. in het kader van een subsidie-aanvraag met het oog op een demonstratieproject aan de overheid zijn verstrekt, deze gegevens niet kunnen worden aangemerkt als vertrouwelijk verstrekt en om die reden desgevraagd aan de concurrentie ter beschikking dienen te worden gesteld.

De rechtbank volgt eiser in dit standpunt niet. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting omtrent de aard van een demonstratieproject en de in dat kader op grond van het TIEB-Besluit te verlenen subsidie naar voren is gekomen. Om voor bedoelde subsidie in aanmerking te komen dient de aanvrager bedrijfs- en fabricagegegevens aan de overheid over te leggen.

Voorts geldt als voorwaarde voor subsidie-verlening dat de aanvrager instemt met opneming van een substantieel aantal gegevens in de TIEB-brochure.

Doel van een demonstratieproject is immers om andere bedrijven die een bepaalde energiebe- sparende machine of techniek dan wel toepassing daarvan wellicht ook in hun produktieproces zouden kunnen gebruiken aan te sporen om de mogelijkheden daartoe te onderzoeken en daarmee ook energie te besparen. Indien een geïnteresseerde nadere informatie daaromtrent wil hebben, zal hij zich kunnen verstaan met de betreffende leverancier, wiens gegevens ook in de TIEB- brochure zijn vermeld.

Er vindt aldus in het kader van voormelde subsidie-verlening een zorgvuldige afstemming tussen partijen plaats waarbij een evenwicht wordt nagestreefd tussen openbaarheid via publicatie in de TIEB-brochure en vertrouwelijkheid. Daarbij is het verweersters verantwoordelijkheid er voor zorg te dragen dat slechts subsidieverleningen plaatsvinden indien de informatievoorziening aan de branche zodanig is dat de doelstelling van het demonstratieproject kan worden gerealiseerd, terwijl anderzijds de aanvrager er van op aan moet kunnen dat de vertrouwelijkheid van door hem verstrekte gegevens voorzover niet met zijn instemming met het oog op het "uitdragen van de demonstratie-boodschap" opgenomen in de TIEB- brochure is gewaarborgd en blijft gewaarborgd. Zonder het waarborgen van deze vertrouwelijkheid zal een bedrijf niet geneigd zijn een subsidie aan te vragen in het kader van een TIEB-demonstratieproject en kunnen derhalve de met een dergelijke subsidieverlening nagestreefde doelstellingen niet worden gerealiseerd.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het door verweerder ingenomen standpunt strekkende tot weigering van openbaarmaking van de gevraagde gegevens voor zover deze niet in de TIEB-brochure zijn gepubliceerd, niet onjuist. Ten aanzien van de documenten waarvan openbaarmaking wordt gevraagd, overweegt de rechtbank meer specifiek nog het volgende. De subsidie-aanvraag met bijlagen moet naar het oordeel van de rechtbank gezien worden als een pakket van gegevens dat als één geheel valt onder de omschrijving van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob.

Ten aanzien van de beschikking tot subsidie-verlening alsmede de daaraan ten grondslag gelegde beoordelingsstukken acht de rechtbank een zodanige verwevenheid met de aanvraag-gegevens aanwezig dat daarin voorkomende bedrijfs- en fabricagegegevens die niet in de TIEB-procedure zijn opgenomen voorzover deze al niet recht- streeks vallen onder artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob in elk geval moeten worden aangemerkt als gegevens waarvan openbaarmaking op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, onevenredige benadeling voor Staalstraal Brabant B.V. met zich zou brengen. De rechtbank acht het tijdsverloop sinds de subsidie-verlening niet zodanig dat op grond daarvan geoordeeld zou moeten worden dat van onevenredige benadeling thans geen sprake meer zou zijn.

Het beroep is derhalve ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

3. BESLISSING.

De rechtbank:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr G. Guinau, voorzitter, en mrs J.G. Kok en A.H. Schotman, leden,

in tegenwoordigheid van mr A.L.M. Steinebach-de Wit als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL.

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.