Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:1997:AA4447

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-04-1997
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
AWB 97/1204 en AWB 97/1533
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 1997, 167
Gst. 1999-7093, 5 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM

Fungerend president

U I T S P R A A K

op verzoeken om een voorlopige voorziening ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

reg.nr.: AWB 97/1204 en AWB 97/1533

Inzake:

1. A, h.o.d.n. Jachtwerf […], wonende te B,

en

2. de inspecteur van de ruimtelijke ordening in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland,

verzoekers,

tegen

burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude, verweerders.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 31 december 1996 hebben verweerders met toepassing van de anticipatieprocedure aan Havaco B.V. te Aerdenhout vergunning verleend voor de bouw van achttien woningen op het perceel plaatselijk bekend […] te B.

Tegen dit besluit hebben verzoeker sub 1 bij brief van 27 januari 1997 en verzoeker sub 2 bij schrijven van 6 februari 1997 bij verweerders be- zwaarschriften ingediend. Voorts hebben zij de president van deze rechtbank bij schrijven van 22 januari 1997 respectievelijk 6 februari 1997 om toepassing van artikel 8:81 van de Awb verzocht.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 14 maart 1997.

Verzoeker sub 1 heeft zich doen vertegenwoordigen door ing. R.J.C. Braams.

Verzoeker sub 2 heeft zich doen vertegenwoordigen door mr H.T. Ahrens, werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).

Namens verweerders alsmede namens de raad der gemeente en vergunninghoudster heeft mr N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, het woord gevoerd.

Voor gedeputeerde staten tenslotte was aanwezig A.K. Visser, ambtenaar der provincie.

2. OVERWEGINGEN.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoekers, dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

In november 1994 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor de bouw van eenentwintig woningen op het perceel […]te B. Dit plan is in strijd met het ter plaatse vigerende Uitbreidingsplan in hoofdzaak, ingevolge hetwelk op de onderhavige gronden een agrarische bestemming rust.

Teneinde niettemin de verwezenlijking van het bouwplan mogelijk te maken heeft de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude hierop de anticipatieprocedure geëntameerd.

Nadat gedeputeerde staten bij besluit van 29 augustus 1995 de benodigde verklaringen van geen bezwaar geweigerd hadden, heeft vergunninghoudster in april 1996 tekeningen ingediend voor een gewijzigd bouwplan voor thans achttien woningen.

Bij besluit van 27 september 1996 hebben gedeputeerde staten hierop de gevraagde verklaring van geen bezwaar verleend. Vervolgens heeft de gemeenteraad vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en hebben verweerders op 31 december 1996 besloten tot afgifte van de bouwvergunning.

Vervolgens hebben verzoeker sub 1 en verzoeker sub 2 hiertegen bezwaarschriften ingediend. Verzoeker sub 1 exploiteert een jachtwerf op het naastgelegen perceel […] en vreest voor de gevolgen van de bouw voor zijn bedrijfsvoering. De kern van de bezwaren van verzoeker sub 2 is gelegen in de door hem veronderstelde strijd van het bouwplan met aspecten van nationaal ruimtelijk beleid.

De president stelt allereerst vast dat aan alle wettelijke vereisten voor het volgen van de anticipatieprocedure is voldaan met uitzondering van de in artikel 19, tweede lid, van de WRO vervatte eis dat de inspecteur van de ruimtelijke ordening wordt gehoord alvorens een besluit wordt genomen over een verklaring van geen bezwaar. Dat het horen in dit geval achterwege had kunnen worden gelaten omdat de inspecteur reeds zijn visie had gegeven omtrent het eerste bouwplan voor de onderhavige locatie, zoals ter zitting gesteld, kan dezerzijds niet worden onderschreven, reeds omdat het hier om afzonderlijke en inhoudelijk verschillende bouwplannen gaat. De omstandigheid dat het - negatieve - standpunt van de inspecteur aan gedeputeerde staten uit ander verband bekend zou zijn geweest is in dit verband niet relevant.

Daar de president er van uitgaat dat deze omissie in de bezwaarfase zou kunnen worden hersteld, zal niettemin een verder inhoudelijk oordeel worden gegeven over de onderhavige geschillen.

In dit verband is allereerst de vraag van belang of bij de onderhavige stand van zaken toepassing van de anticipatieprocedure achterwege had behoren te blijven, zoals betoogd door verzoeker sub 2. Hij beroept zich er in dit verband op dat het bouwplan in strijd is met een aantal wezenlijke elementen van nationaal ruimtelijk beleid. Er bestaat naar zijn mening dan ook ernstige twijfel of het bestemmingsplan waarop wordt geanticipeerd uiteindelijk de eindstreep zou kunnen halen. Verzoeker sub 2 heeft er in dit kader nog op gewezen dat de minister van VROM niet zou hebben geaarzeld gebruik te maken van de haar op grond van artikel 29 van de WRO toekomende bevoegdheid om een besluit van gedeputeerde staten inzake de goedkeuring van een bestemmingsplan wegens kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid te vervangen door een eigen besluit, indien het betreffende bestemmingsplan reeds thans zou hebben voorgelegen.

De president overweegt als volgt.

Het bouwplan is, zoals verzoeker sub 2 terecht heeft betoogd, in strijd met het in de Planologische kernbeslissing Schiphol en omgeving neergelegde beleid ten aanzien van de ruimtelijke vrijwaringszone rond de luchthaven. Ingevolge dit beleid mogen in deze zone in beginsel geen nieuwe woningen of andere milieugevoelige bestemmingen worden gerealiseerd voor zover deze niet reeds zijn vastgelegd in vigerende bestemmingsplannen.

Incidentele woningbouw zal slechts worden toegestaan wanneer daarvoor zwaarwegende argumenten aanwezig zijn, hetgeen volgens de PKB slechts het geval is bij gebondenheid aan bedrijfsvoering, bij vervangende nieuwbouw, bij functiewijziging van gebouwen in een woonbestemming alsmede bij opvulling van kleine open gaten in een aaneengesloten bebouwing.

Het onderhavige bouwplan valt onder geen dezer uitzonderingen. Het betoog van verweerders dat het bouwplan, dat voorziet in nieuwbouw ter plaatse van te slopen bedrijfsbebouwing, als "vervangende nieuwbouw bij functiewijziging" in het beleid zou zijn begrepen kan dezerzijds niet worden gevolgd. Immers, de categorieën "vervangende nieuwbouw" en "functiewijziging van gebouwen in een woonbestemming" dienen wel van elkaar te worden onderscheiden. De eerste ziet op het vervangen van oude woningen door nieuwbouw - waarvan in dit geval geen sprake is -, bij de tweede moet blijkens de bij de PKB behorende stukken worden gedacht aan gevallen van wijziging van de functie van bestaande gebouwen, zoals bioscopen, kerken en scholen, in een woonbestemming, welke situatie zich in casu al evenmin voordoet.

Dat ten slotte de PKB-Schiphol in dezen aan de betrokken lagere overheden enige beleidsruimte beoogt te bieden, zoals ter zitting betoogd, acht de president vooralsnog niet aannemelijk, gelet op de stringente formulering van genoemd beleid.

Voorts dient ernstig te worden betwijfeld of een bouwplan als het onderhavige in overeenstemming is met de gedachten die ten grondslag liggen aan de instelling van rijksbufferzones. Als zodanig zijn en worden ingevolge de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid (PKB- NRB) aangewezen goed ingerichte open ruimten tussen stadsgewesten, waarin door zorgvuldige bestemming, inrichting en beheer en door grondaankopen door de overheid een duurzaam agra- risch grondgebruik en, in delen, een inrichting voor recreatie, bos en natuur wordt nagestreefd. De onderhavige locatie is gelegen in een zodanige bufferzone.

Aan deze twijfel ligt ten grondslag de omvang van het bouwplan, zowel op zich zelf als in relatie tot de omvang van de tot de kern […] behorende woningvoorraad - die door het bouwplan nagenoeg een verdubbeling ondergaat - alsmede het landelijk karakter van de omgeving van [genoemde kern].

Dat in de recente ontwerp-partiële herziening van de PKB-NRB is voorzien in de mogelijkheid van (verdere) verstedelijking in bufferzones binnen de bebouwingscontouren van stedelijke enclaves, zoals ter zitting naar voren is gebracht, werpt naar het oordeel van de president geen ander licht op het vorenstaande. Op voorhand staat immers geenszins vast dat de kern […] gelegen zal zijn binnen de bebouwingscontour van zodanige enclave.

Gegeven deze kennelijke strijd met het beleid inzake de ruimtelijke vrijwaringszone alsmede het bestaan van ernstige twijfel aan de verenigbaarheid van het bouwplan met het als van wezenlijk belang gekenschetste rijksbufferzone- beleid, doet het belang van de bijzondere waarborgen waarmede de wetgever de gewone planprocedure heeft omgeven zich zeer sterk gevoelen. Met dat kader zijn immers de voorwaarden geschapen voor een zo goed en evenwichtig mogelijke beoor- deling van de door het gemeentebestuur beoogde planologische ontwikkeling en van de daarbij betrokken belangen. Bovendien staan de rijksoverheid bij het volgen van die procedure middelen ten dienste ter wering van door haar ongewenst geachte ontwikkelingen - gewezen zij op het bepaalde in het hiervoor reeds ter sprake gekomen artikel 29 van de WRO - die haar in het kader van anticipatieprocedures ten enen male ontbreken.

Daar staan in dit geval tegenover de belangen die zijn betrokken bij een spoedige verwezenlijking van de onderhavige bouw door middel van zodanige procedure.

Ter zitting is dienaangaande naar voren gebracht, dat voor de onderhavige woningen een grote belangstelling bestaat. Voorts is betoogd dat uitsluitend in de huidige woningmarkt met de verkoop van de woningen voldoende opbrengsten kunnen worden gegenereerd om de ernstige vervuilde grond van de bouwlocatie afdoende te kunnen saneren.

Nog daargelaten dat een en ander niet met concrete (financiële) gegevens is onderbouwd en derhalve niet zonder meer van de juistheid van deze stellingen kan worden uitgegaan, is de president van oordeel dat niet kan worden gezegd deze belangen van een dusdanig gewicht zijn, dat de gemeente in verband daarmede, de hiervoorgenoemde belangen in aanmerking nemende, in redelijkheid had kunnen besluiten de weg van de anticipatieprocedure te volgen.

Naar voorlopig oordeel van de president zal de beslissing van verweerders in de bodemprocedure reeds deswege niet in stand kunnen worden gelaten en bestaat er in verband hiermede voldoende grond om het bestreden besluit te schorsen.

Aan de bespreking van de overige grieven - met name die van verzoeker sub 1 - zal derhalve niet meer behoeven te worden toegekomen.

Nu de verzoeken worden toegewezen, is er in beginsel aanleiding verweerders te veroordelen in de kosten van het geding. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan dit beginsel in casu uitzondering zou dienen te lijden is de rechtbank niet gebleken.

3. BESLISSING.

De president,

I. wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit van 31 december 1996;

II. veroordeelt verweerders in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoeker sub 1 begroot op f 1420,- (zegge veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude aan verzoeker sub 1;

III. gelast de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude aan verzoekers het door hun gestorte griffierecht ad f 200,- voor verzoeker sub 1 en f 400,- voor verzoeker sub 2, te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr I.M. Ludwig, fungerend president,

in tegenwoordigheid van mr A.P. Vonk als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 4 april 1997 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL.

Tegen deze uitspraak staat geen afzonderlijk hoger beroep open.