Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BZ2836

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
01-03-2013
Zaaknummer
129770/HA ZA 11-674
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing erfdienstbaarheid?

Eiser miskent dat art. 5:79 BW de rechter niet de mogelijkheid van een vrijelijke ‘afweging van belangen’ geeft. Als er enig belang is aan de zijde van de eigenaar van het heersend erf dat als ‘redelijk belang’ kan worden gekwalificeerd, doet het belang van de andere eigenaar daar voor onder, tenzij er een volstrekte onevenredigheid (disproportionaliteit) bestaat (het belang van de een in geen enkele verhouding staat tot het belang van de ander).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 129770 / HA ZA 11-674

Vonnis van 4 april 2012

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.A. Westers te Groningen,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J. de Graaf- Bakker te Emmen.

Partijen worden hierna eiser en gedaagde genoemd.

1. De loop van het geding

Op in de dagvaarding uiteengezette gronden heeft eiser een vordering ingesteld.

Gedaagde heeft de vordering gemotiveerd weersproken bij conclusie van antwoord.

Bij vonnis van 14 december 2011 is een comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012, waarvan proces-verbaal.

Aan het slot van de mondelinge behandeling is bepaald dat vonnis zou worden gewezen.

Mr. de Graaf-Bakker heeft naar aanleiding van de tekst van het proces-verbaal een opmerking geplaatst bij schrijven van 27 februari 2012.

2. De feiten

Het volgende kan, gezien het over en weer aangevoerde, tussen partijen als vaststaand worden aangemerkt.

2.1. Eiser en gedaagde zijn agrariërs. Tussen hen is een geschil gerezen omtrent het

(op grond van een erfdienstbaarheid gegeven recht tot) gebruik door gedaagde van een perceel van eiser.

De kwestie betreft een drietal, noordwestelijk van het dorp Losdorp aaneengesloten gelegen percelen, kadastraal genummerd Gemeente [D] L [1], L [2] en L [3].

Het perceel L [1] ligt het dichtst bij het dorp en grenst aldaar aan een openbare weg.

Dit perceel is eigendom van eiser en belast met een erfdienstbaarheid.

Het noordwestelijker gelegen (tussenliggende) perceel L [2] heeft geen directe aansluiting op de openbare weg en is wat betreft de erfdienstbaarheid het heersend erf.

Het meest noordwestelijk gelegen perceel L [3] grenst aan een openbare weg.

De twee laatstgenoemde percelen zijn eigendom van gedaagde.

Alle drie percelen worden gebruikt in de agrarische bedrijfsvoering van eiser respectievelijk gedaagde.

2.2. De erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van eiser, ten gunste van het

tussenperceel van eiser, is gevestigd in 1964, toen L [2] nog geen uitweg had op L [3].

De erfdienstbaarheid mag volgens de akte van vestiging uitsluitend worden uitgeoefend over het betonpad, tot een breedte van 4 meter. Het betonpad doorkruist het perceel van gedaagde en verdeelt dit perceel in een klein stuk (ongeveer een derde gedeelte) en een groot stuk (ongeveer tweederde gedeelte).

Het tussenliggende perceel weegt niet alleen uit naar het zojuist genoemde perceel van eiser, maar sinds gedaagde een dam heeft aangelegd tussen L [2] en L [3], weegt het óók uit op L [3]. Op het laatstgenoemde, aan de [adres] gelegen perceel zijn de bedrijfsgebouwen van gedaagde gesitueerd.

Om vanaf het tussenliggende perceel naar zijn bedrijfsgebouwen te komen, staan gedaagde derhalve twee wegen ter beschikking: of hij passeert de dam tussen L [2] en L [3] en legt een afstand van slechts enkele honderden meters af, of hij gaat over het perceel van eiser en komt na een omweg na 2400 meter aan bij zijn bedrijfsgebouwen.

3. De vordering

Eiser vordert dat de rechtbank de in 1964 ten laste van zijn perceel L [1] en ten behoeve van perceel L [2] gevestigde erfdienstbaarheid opheft.

Eiser voert daartoe het volgende aan.

Het betonspoor belemmert de agrarische bedrijfsvoering, door de doorsnijding kan hij zijn landbouwgrond niet volledig gebruiken.

Voorts is er vrees voor besmetting doordat de gevoelige gewassen die hij teelt (bloembollen, pootaardappelen) met ziektes kunnen worden aangedaan wanneer gedaagde met zijn landbouwvoertuigen over het dienend erf gaat.

Eiser heeft op grond van dit een en ander een zwaarwegend belang bij opheffing van de erfdienstbaarheid.

Gedaagde daarentegen heeft geen redelijk belang (meer) bij uitoefening. Gedaagde heeft het heersende erf bij de boerderij met landbouwgrond gevoegd en beide percelen geïntegreerd. Om het heersend erf vanaf de openbare weg te bereiken kan gedaagde eenvoudigweg over

L [3] gaan. Efficiënte werkwijze/gebruik van een weg in regenachtige periode is geen relevant belang in dezen, de erfdienstbaarheid heeft uitsluitend betrekking op bereikbaarheid van en naar de openbare weg. Er kan gewoon op het tussenliggende perceel worden gekeerd door gedaagde, het is allerminst efficiënt om 2.400 meter om te rijden.

De waarde van de grond wordt bepaald door de agrarische waarde in samenhang met het naastgelegen perceel L [3], niet door de bereikbaarheid van het tussenperceel over de grond van eiser.

Als de door gedaagde genoemde buizenzone wordt aangelegd, moeten er sowieso voorzieningen worden getroffen, omdat andere ingesloten percelen hoe dan ook niet mogen uitwegen via L [1]; voorts zullen de buizen diep onder de grond liggen, waardoor deze niet eens belemmerend zullen zijn.

4. Het verweer

Gedaagde voert aan dat hij wel degelijk belang heeft bij het behoud van de erfdienstbaarheid. Zo’n 10 à 15 keer per jaar maakt hij gebruik van het betonspoor, aldus voorkomend dat hij moet keren en een extra gang over het eigen perceel dient te maken, hetgeen met name wanneer het land nat en drassig is bezwaarlijk is.

Het besmettingsgevaar is niet groot, maar om eiser tegemoet te komen rijdt gedaagde zoveel mogelijk met schone banden over het dienend erf, om na bewerking van L [2], dit perceel met vervuilde banden langs de andere kant, via L [3] weer te verlaten.

Voorts is er een financieel belang: bij gebreke van de erfdienstbaarheid kan gedaagde het tussenperceel minder eenvoudig verkopen, hetgeen een waardedaling met zich meebrengt.

Tot slot is er de mogelijkheid van de publiekrechtelijke aanleg van een buizenzone juist over de percelen van gedaagde; als die plannen ten uitvoer worden gelegd, worden de percelen gesplitst, waarvoor de met de erfdienstbaarheid gegeven bereikbaarheid van des te meer belang blijkt. In ieder geval zal de gefaseerde aanleg van de buizenzone op tal van momenten een feitelijke onbereikbaarheid opleveren.

5. Beoordeling

De vordering moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in art. 5:79 BW.

Dit wetsartikel luidt als volgt:

“De rechter kan op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid opheffen, indien de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden of de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren”.

De grondslag van de onderhavige vordering is niet de ‘onmogelijkheid’ van uitoefening.

De stelling van eiser is dat zijn belang bij opheffing zeer aanzienlijk groter is dan het belang van gedaagde bij handhaving van het beding.

Eiser miskent aldus dat art. 5:79 BW de rechter niet de mogelijkheid van een vrijelijke ‘afweging van belangen’ geeft. Opheffing van een erfdienstbaarheid is immers alleen dan aan de orde indien “de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft”. Weliswaar dient enigerlei afweging van belangen plaats te vinden, maar dit betekent niet dat de belangen van de beide eigenaren even zwaar wegen; uit het ooit gevestigd zijn van de erfdienstbaarheid volgt dat de belangen van het dienende erf in beginsel ondergeschikt zijn gemaakt aan de bij de uitoefening van die erfdienstbaarheid betrokken belangen van de eigenaar van het heersend erf.

Als er enig belang is aan de zijde van de eigenaar van het heersend erf dat als ‘redelijk belang’ kan worden gekwalificeerd, doet het belang van de andere eigenaar daar voor onder, tenzij er een volstrekte onevenredigheid (disproportionaliteit) bestaat (het belang van de een in geen enkele verhouding staat tot het belang van de ander).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde in dit geval een ‘redelijk belang’.

Door gebruik te maken van het betonspoor voorkomt gedaagde in natte tijden schade aan zijn land doordat hij er minder overheen behoeft te gaan. Voorts heeft gedaagde een financieel belang, bestaande in de mogelijkheid om L[2] los te verkopen zonder daaraan te moeten koppelen een uitweg over het eigen perceel L [3]. Tot slot is er het belang dat gedaagde beter voorbereid zal zijn op onaangename consequenties die eventuele aanleg van de buizenzone heeft.

Dit belang van gedaagde is bepaald niet zodanig gering, dat het in geen enkele verhouding staat met het (hoezeer ook reëel te achten) belang van eiser.

Gelet op het bepaalde in art. 5:79 BW dient de vordering derhalve te worden afgewezen.

5.1. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden begroot op:

- griffierecht € 260,00

- salaris advocaat 904,00 (tarief II, 2 punten)

Totaal € 1.164,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vordering af,

6.2. veroordeelt eiser in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 1.164,00,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.?