Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BY8775

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
Awb 11/1191 en Awb 12/331
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector bestuursrecht

zaaknummers: Awb 11/1191

Awb 12/331

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2012 in de zaken tussen

(naam eiser), wonende te Groningen,

eiser

(gemachtigde: mr. K.P.D. Vermeulen),

en

de Minister van Financiën,

verweerder

(gemachtigde: mr. Q.A. Witsen Elias).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft verweerder (als werkgever) de beoordeling van het functioneren van eiseres (als werkneemster) over het tijdvak 1 oktober 2008 tot en met 30 september 2009 vastgesteld. Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard.

Bij brief van 22 november 2012 heeft eiseres beroep aangetekend bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd als Awb 11/1191.

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft verweerder de beoordeling van het functioneren van eiseres over het tijdvak 1 oktober 2009 tot en met 30 september 2010 vastgesteld. Hiertegen heeft eiseres op 15 februari 2012 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft ingestemd met het verzoek van eiseres om het bezwaar aan te merken als rechtstreeks beroep. Dit beroep is geregistreerd als Awb 12/331.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, door Th.W.M. Poolen en door J.W. Tempel.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 71a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wordt, indien het bevoegd gezag dit wenselijk vindt of de ambtenaar dit aanvraagt, een beoordeling opgemaakt.

Artikel 3, eerste en tweede lid, van het Beoordelingsvoorschrift Burgerlijk Rijkspersoneel 1985 (BBR) luidt als volgt:

1. Aanwijzing als beoordelaar geschiedt op grond van (mede-)verantwoordelijkheid voor het functioneren van de te beoordelen ambtenaar.

2. In de regel wordt meer dan één beoordelaar aangewezen. In elk geval wordt als zodanig aangewezen de directe hiërarchische chef van de betrokken ambtenaar.

Overwegingen

1 Volgens de vaste lijn in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2004, LJN: AR2704, zal, gezien het uitgangspunt dat mede ter bevordering van de objectiviteit van de beoordeling naast de directe chef nog iemand anders (dit zal meestal diens chef zijn) zijn oordeel geeft over de functievervulling door de beoordeelde, niet te snel kunnen worden afgeweken van de hier toepasselijke hoofdregel dat meer dan één beoordelaar wordt aangewezen.

Daarnaast heeft de Raad in onder meer de uitspraak van 8 januari 2009, LJN: BG9819, uitgesproken dat voorschriften over de totstandkoming van een beoordeling zo goed mogelijk behoren te worden nageleefd, terwijl dat zeker geldt voor een bepaling dat uitgangspunt is dat een beoordeling door meer dan één beoordelaar wordt opgemaakt. De rol van beoordelaar wordt daarbij primair bepaald door diens functionele rol naar beoordeelde en minder op grond van diens hiërarchische positie ten opzichte van de beoordeelde.

2.1 In de gronden van beroep van 6 januari 2012 heeft eiseres onder meer gesteld, met uitvoerige toelichting, dat de beoordeling niet objectief tot stand is gekomen doordat de beoordelaar niet objectief is. Zoals blijkt uit de hierboven aangehaalde rechtspraak, dient het aanwijzen van meer dan één beoordelaar om de objectiviteit van de beoordeling te bevorderen. De vraag of in de voorliggende gevallen kon worden volstaan met één beoordelaar, valt daarom binnen de omvang van het geschil.

2.2 Ter zitting heeft verweerder betoogd dat de afdeling waarop eiseres werkzaam is ten tijde van de beoordelingsperiodes die nu in geding zijn, zodanig was georganiseerd dat er maar één persoon was die hiërarchisch verantwoordelijk was voor het werk van eiseres en die bovendien inhoudelijk voldoende op de hoogte was van het werk van eiseres. Dit betrof haar leidinggevende (naam leidinggevende)die als enige beoordelaar heeft gefungeerd. Inmiddels is de organisatie gewijzigd en voor latere beoordelingen treedt Tempel op als tweede beoordelaar.

Praktisch gezien was er eerder, aldus verweerder, geen oplossing voor het feit dat er maar één beoordelaar was. Wel had een tweede beoordelaar toegevoegd kunnen worden om aan de formaliteiten te voldoen, maar omdat dit iemand geweest zou zijn die inhoudelijk het werk van eiseres niet zou kennen, zou dit niets aan de objectiviteit hebben toegevoegd.

2.3 De rechtbank acht dit betoog van verweerder onvoldoende zwaarwegend. De eis van meer dan één beoordelaar weegt in de voorliggende zaken des te zwaarder omdat eiseres twijfels naar voren brengt over de objectiviteit van (naam leidinggevende) en over de gevolgen die dit heeft voor de communicatie in hun beroepsmatige verhouding. Weliswaar was (naam leidinggevende) de enige inhoudelijk leidinggevende, maar naar de rechtbank heeft begrepen, was de organisatie zodanig ingericht dat voldoende andere collega’s inhoudelijk op de hoogte waren van het werk van eiseres, dan wel in het kader van de beoordeling hiervan eenvoudig op de hoogte hadden kunnen raken.

2.4 De beroepen zijn daarom gegrond wegens strijd met artikel 3, tweede lid, BBR. De bestreden besluiten zullen vernietigd worden. Omdat het besluit van 18 januari 2011 een onherstelbaar gebrek kent doordat slechts één beoordelaar was aangewezen, zal de rechtbank dit besluit herroepen. Verweerder zal opnieuw de beoordelingen over de tijdvakken 1 oktober 2008 tot en met 30 september 2009 en 1 oktober 2009 tot en met 30 september 2010 dienen vast te stellen in de vorm van primaire besluiten.

3 De rechtbank spreekt zich overigens niet uit over de vraag of de twijfels van eiseres over de objectiviteit van (naam leidinggevende) terecht zijn. In dit verband merkt de rechtbank op dat (naam leidinggevende) een serieuze poging heeft gedaan om de beoordeling te objectiveren met zijn voorstel van 10 december 2010 aan eiseres. Hierbij heeft (naam leidinggevende) voorgesteld in overleg drie deskundigen aan te wijzen die een advies zouden opstellen. Op basis van dit advies zou (naam leidinggevende) vervolgens een besluit nemen over het niveau van de werkzaamheden van eiseres en de wijze waarop zij deze werkzaamheden verricht.

4 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,- (een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 14 oktober 2011 en 16 januari 2012;

- herroept het besluit van 18 januari 2011;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 308,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 437,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Venema-Dietvorst, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.