Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BY8773

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
03-10-2012
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
Awb 12/648
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijk rechtsoordeel. Wet hygiene en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector bestuursrecht

zaaknummer: Awb 12/648

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2012 in de zaak tussen

(naam eisers), wonende te Wedde, gemeente Bellingwedde,

eisers

(gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager),

en

het college van Gedeputeerde staten van Groningen, verweerder

(gemachtigde: N.K.J. Wiggers).

Feiten en procesverloop

Eisers zijn eigenaar van het landgoed (naam landgoed) te (…) en van het landhuis (naam landgoed) aan de (…).

Op 12 augustus 2011 hebben eisers verweerder verzocht een bestuurlijk rechtsoordeel te geven en te oordelen dat de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Whvbz) en het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Bhvbz) niet van toepassing zijn op de zwembaden die aanwezig zijn op het landgoed en het landhuis.

In een schrijven van 30 september 2011 heeft verweerder geoordeeld dat de bedoelde zwembaden met toebehoren onder de werkingssfeer van de Whvbz vallen.

Bij brief van 10 november 2011 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen dit schrijven.

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 25 juni 2012 hebben eisers beroep aangetekend bij de rechtbank.

Op 30 juni 2012 hebben eisers de gronden van beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2012. Eiser (naam eiser) is verschenen, bijgestaan door gemachtigde De Jager.

Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1.1. Ambtshalve stelt de rechtbank de vraag aan de orde of tegen het bestuurlijk rechtsoordeel zoals verweerder dit heeft gegeven in het schrijven van 30 september 2011, bezwaar zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon worden gemaakt. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 8 juli 2009 (LJN: BJ1862) waarin de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het volgende overweegt: “Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet onder besluit worden verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het door een bestuursorgaan opschrijven van zijn visie op de gevolgen van rechtsregels voor een bepaalde situatie (hierna: een bestuurlijk rechtsoordeel), roept op zichzelf geen rechtsgevolg in het leven en houdt dus geen rechtshandeling in. Daarom is zo'n bestuurlijk rechtsoordeel in de regel geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. In uitzonderingsituaties moet echter een bestuurlijk rechtsoordeel, ondanks het ontbreken van een rechtsgevolg, als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit, met name betreffende handhaving of vergunningverlening, bij de bestuursrechter aan de orde te stellen.”

1.2. Gezien de aard van de regelgeving die het onderwerp van het bestuurlijk rechtsoordeel vormt, is in deze zaak aan de orde of het voor eisers onevenredig bezwarend is om het geschil middels beroep tegen eventuele handhaving aan de bestuursrechter voor te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Indien verweerder wat betreft genoemde zwembaden tot handhaving van de bepalingen van Whvbz en Bhvbz zou overgaan, kunnen hierbij termijnen worden gesteld die zo ruim zijn dat daarbinnen een oordeel van de bestuursrechter verkregen kan worden. Daar komt bij dat de zwembaden bij landgoed (namen landgoederen) zijn gebouwd. Het is dus niet zo dat eisers eerst kosten zouden moeten maken door de zwembaden aan te leggen om dan in een handhavingsprocedure te weten te komen of de bepalingen van de Whbvz en Bhvbz van toepassing worden geacht.

1.3. De rechtbank ziet in de wetsgeschiedenis geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Eisers hebben verwezen naar pagina 19 van Staatsblad 1984, nr. 470 waar onder meer is opgenomen: “In grensgevallen die wellicht toch kunnen voorkomen, zal uiteindelijk het college van gedeputeerde staten, welk college immers zowel de ingerichte als de niet ingerichte zwemgelegenheden in oppervlaktewater moet inventariseren, kunnen bepalen van welke categorie sprake is en aan welke voorschriften dus moet worden voldaan.” De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat de paragraaf waar deze zin deel van uitmaakt, betrekking heeft op zweminrichtingen in oppervlaktewater en in de tweede plaats dat uit deze zin niet volgt dat genoemde categoriebepaling dient te geschieden in de vorm van een appellabel besluit. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 november 2011 (LJN: BU4381), anders dan de onderhavige zaak, handelt over de categoriebepaling van een oppervlaktewater.

2. Het voorgaande betekent dat verweerder het bezwaar van eisers tegen het schrijven van 30 september 2011 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren wegens strijd met de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb en het bestreden besluit vernietigen. Doende wat verweerder had moeten doen, zal de rechtbank het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

3. Er is grond verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten begroot op € 874,- (een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 15 mei 2012;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874,-;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.