Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BY8221

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
133333/HA RK 12-112
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking.

Wrakingsgronden zijn (a) er geen sprake kan zijn van een verzetprocedure tegen de uitspraak van 6 maart 2012 omdat dit een nietige uitspraak betreft en (b) de gewraakte rechter heeft nagelaten de door verzoekers bij brief gestelde (procedurele)vragen te beantwoorden.

Wrakingsverzoek is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GRONINGEN

MEERVOUDIGE KAMER

Zaaknummer: 133333 / HA RK 12-112

Datum beslissing: 6 juni 2012

Beslissing op het schriftelijke verzoek van [A], de [B] en

[C], woonplaats gekozen op het adres [adres], [woonplaats] (hierna: verzoekers) tot wraking ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van mr. T.F. Bruinenberg.

1. Procesverloop

1.1. Bij brief van 10 april 2012 hebben verzoekers een verzoek ingediend tot wraking van mr. T.F. Bruinenberg, rechter in de bestuurssector van deze rechtbank, in het geschil met zaaknummer AWB 12/175 BESLU G, waarbij verzoekers als partij zijn betrokken.

1.2. Mr. Bruinenberg heeft bij brief van 16 april 2012 medegedeeld niet in de wraking te berusten.

1.3. Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaande uit mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, mr. E.J. Oostdijk en mr. E.M.J. Brink.

1.4. Bij brief van 8 mei 2012 hebben verzoekers een nadere toelichting op het verzoek tot wraking van mr. Bruinenberg gegeven.

1.5. Op 24 mei 2012 is het wrakingverzoek ter zitting behandeld. Mr. Bruinenberg is, zoals hij bij brief van 2 mei 2012 heeft bericht, in verband met andere verplichtingen niet ter zitting verschenen. [A] en [C] zijn wel zijn ter zitting verschenen.

2. Het standpunt van verzoekers

2.1. Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun wrakingverzoek aangevoerd dat

mr. Bruinenberg de schijn van partijdigheid heeft gewekt door geen gebruik te maken van de mogelijkheid om met redenen omkleed zich schriftelijk uit te laten over de door ver¬zoekers gestelde vragen en evenmin binnen de gestelde termijn van twee weken inhoudelijk te willen reageren, noch aanhouding daarvan te vragen. Daarbij hebben verzoekers aange¬geven dat door de rechtbank het door hen ingediende verzoekschrift ten onrechte als beroepschrift is aange¬merkt, hetgeen maakt dat de uitspraak van 6 maart 2012 nietig is. Dientengevolge hebben zij griffierecht moeten voldoen, hetgeen naar de mening van verzoekers een vorm van persoonlijke zelfverrijking is.

3. Het standpunt van mr. Bruinenberg

3.1. Mr. Bruinenberg heeft aangevoerd dat er geen rechtsregel bestaat die een rechter verplicht binnen een door een partij gestelde termijn op vragen van die partij te antwoorden. Door dit na te laten is dan ook niet de schijn van onpartijdigheid gewekt. Het staat partijen vrij om ter zitting vragen te stellen en opmerkingen te maken, hetgeen betekent dat al het¬geen door verzoekers bij brief naar voren is gebracht ter zitting kan worden besproken.

4. Beoordeling

4.1. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van dit wrakingverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 Awb en artikel 6 EVRM, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria.

4.2. In artikel 8:15 Awb is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.3. De rechtbank begrijpt de wrakinggronden van verzoekers aldus dat zij aan hun verzoek tot wraking van mr. Bruinenberg ten grondslag hebben gelegd dat (a) er geen sprake kan zijn van een verzetprocedure tegen de uitspraak van 6 maart 2012 omdat dit een nietige uitspraak betreft en (b) mr. Bruinenberg heeft nagelaten de door verzoekers bij brief gestelde (procedurele)vragen te beantwoorden.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat onderdeel (a) ziet op de inhoudelijke betwisting van verzoekers van het vonnis van de rechtbank van 6 maart 2012, welke betwisting aan de orde dient te komen in de reeds aangespannen verzetprocedure en niet past binnen het bestek van de onderhavige wrakingprocedure. Het enkele feit dat er naar de mening van verzoekers sprake is van een nietige uitspraak, is naar het oordeel van de rechtbank geen feit en/of omstandig¬heid waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat onderdeel (b) ziet op het niet beantwoorden door mr. Bruinenberg van de door verzoekers schriftelijk gestelde vragen. De rechtbank stelt vast dat deze door verzoekers gestelde vragen met name zien op de procedurele gang van zaken waar zij het niet mee eens zijn, en derhalve inhoudelijk van aard zijn. Het enkele feit dat

mr. Bruinenberg niet op deze vragen van verzoekers heeft geantwoord, is naar het oordeel van de rechtbank geen feit en/of omstandig¬heid waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Temeer niet nu mr. Bruinenberg heeft verklaard dat de door verzoekers gestelde vragen en gemaakte opmerkingen aan bod kunnen komen tijdens de mondelinge behandeling in de verzetprocedure.

4.6. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, wordt het verzoek tot wraking afgewezen.

4.7. Tegen de achtergrond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het horen van mr. Bruinen¬berg, mr. A.S. Venema-Dietvorst en/of mr. A. Houtman niet nodig is, en wijst zij het daartoe door verzoekers ter zitting gedane verzoek om de behandeling aan te houden af.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek af,

5.2. bepaalt dat het proces in de hoofdzaak (met zaaknummer AWB 12/175 BESLU G) wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het schriftelijke verzoek tot wraking,

5.3. beveelt de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan verzoekers,

mr. Bruinenberg en het College van Burgermeester en Wethouders der gemeente Haren.

Aldus gegeven door mrs. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, E.J. Oostdijk en E.M.J. Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Beuker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.

chb