Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BY7723

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
134581/HA ZA 12-229
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bepalende wetsartikel zijn de artikelen 99, 104 en 107 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/503
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 134581 / HA ZA 12-229

Vonnis in incident van 26 september 2012

in de zaak van

[A], wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. R. Skála te Haren,

tegen

1. [B] (zoon van [C]), wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.J. Noteboom te Gorinchem,

2. [D] ( zoon van [C]), wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.J. Noteboom te Gorinchem,

3. [E] (dochter van [C]), wonende te [woonplaats],

gedaagde,

in rechte niet verschenen,

4. [F] (dochter van [G]), wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.J. Noteboom te Gorinchem,

5. [H] (dochter van [G]), wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.J. Noteboom te Gorinchem,

6. [I] (zoon van [G]), wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.J. Noteboom te Gorinchem,

7. [J] (zoon van [K]), wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.J. Noteboom te Gorinchem,

8. [L] (dochter van [M]), wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.J. Noteboom te Gorinchem,

9. [N] (zoon van [M]), wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.J. Noteboom te Gorinchem,

10. [A] (zoon van [M]), wonende te [woonplaats].

gedaagde,

advocaat mr. W.Chr. de Roos te Groningen.

OVERWEGINGEN

1. Aanduiding van de betrokkenen

Eiser in de hoofdzaak (gedaagde in het incident) is dezelfde persoon als gedaagde sub 10. in de hoofdzaak. Deze persoon wordt hierna aangeduid als [A]. Als eiser in de hoofdzaak doet [A] zich bijstaan door de advocaat Skála, als gedaagde in de hoofdzaak doet hij zich bijstaan door de advocaat De Roos.

De in de hoofdzaak verschenen (en in het incident eisende) personen worden hierna aangeduid als [B] c.s.

2. De gang van zaken

Op in de dagvaarding uiteengezette gronden heeft [A] een vordering ingesteld tegen [B] c.s., gedaagde sub 3 en zichzelf.

[A] heeft de vordering nader onderbouwd door bij akte een achttal producties in het geding te brengen.

[B] c.s. hebben vervolgens een incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid genomen.

Aan gedaagde sub 3 in de hoofdzaak is verstek verleend.

Vervolgens heeft [A] een incidentele antwoordconclusie genomen.

3. De wederzijdse standpunten inzake de bevoegdheid van deze rechtbank

3.1. De zaak betreft de afwikkeling van de nalatenschap van [O], die is overleden in 2010.

3.2. [A] heeft bij inleidende dagvaarding gesteld dat de rechtbank Groningen bevoegd is om van de vordering kennis te nemen omdat hij zelf, als gedaagde boedelgenoot, woonachtig is in het arrondissement Groningen.

3.3. [B] c.s. hebben geconcludeerd tot onbevoegdverklaring van de Rechtbank Groningen en verwijzing van de zaak naar de Rechtbank Dordrecht.

Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd.

Fundamentele beginselen van procesrecht verzetten zich ertegen dat een eisende partij zichzelf dagvaardt: een eisende partij kan niet tevens de positie van gedaagde innemen. Gedaagde sub 10 in de hoofdzaak is non-existent, het is geen bestaande (reële) procespartij. Nu de overige gedaagden in de hoofdzaak niet woonachtig zijn in het arrondissement Groningen, en de laatste woonplaats van de overledene, zijnde Leerdam, evenmin in dit arrondissement is gelegen, is de rechtbank Groningen niet bevoegd.

Voorts is er sprake van misbruik van procesrecht, in het bijzonder art. 99 Rv, nu gedaagde de regels van relatieve competentie, die beogen bescherming te bieden aan de gedaagde partij, op oneigenlijke wijze doorbreekt.

Gelet op de laatste woonplaats van de erflaatster, bezien in samenhang met art. 104 Rv, is de Rechtbank Dordrecht bevoegd; vier van de negen (andere) gedaagden wonen in het arrondissement Dordrecht, de andere gedaagden wonen verspreid over het land.

3.4. In zijn incidentele antwoordconclusie heeft [A] aangevoerd dat hij als eiser en gedaagde niet in dezelfde hoedanigheid optreedt: als eiser is hij schuldeiser, als gedaagde mede-erfgenaam; de situatie is vergelijkbaar met het geval dat een ouder een vordering instelt tegen een minderjarig kind over wie hij het gezag uitoefent.

Overeenkomstig art. 107 Rv, gelezen in verbinding met art. 99 Rv, moet een keuze worden gemaakt wat betreft de rechtbank die het geschil zal berechten; art. 104 Rv bepaalt slechts dat in afwijking van de normale competentieregels in een geval als dit mede de rechter van de laatste woonplaats bevoegd is. Gekozen is kunnen worden voor de Rechtbank Groningen.

Er is geen sprake van misbruik van procesrecht: door de weigering van gedaagden om de boedelnotaris mee te delen dat zij de vordering van [A] erkennen, had hij geen andere keuze dan de anderen te dagvaarden. Voor het geval dat de rechtbank zich onbevoegd acht, opteert [A] voor verwijzing naar de Rechtbank Assen, het arrondissement van de woonplaats van gedaagde sub 7.

4. Beoordeling

4.1. Het is onbestaanbaar dat in een civiele procedure een materiële procespartij de positie van eiser zowel als die van gedaagde inneemt. Aanvaarding van een dergelijke dubbelpositie leidt tot ongerijmdheden, waar [B] c.s. in hun incidentele conclusie onder 3 een aantal voorbeelden van geven (welke positie neemt de partij in als het gaat om bewijslevering? Kan deze partij telkens, ongeacht of eiser of gedaagde aan het woord is, concluderen of een akte nemen? Kan bij proceskostenveroordeling een beroep op verrekening worden gedaan?).

Ten onrechte zoekt [A] aansluiting bij het geval dat een ouder een vordering instelt tegen een minderjarig kind over wie hij het gezag uitoefent. In dit geval zijn er twee verschillende materiële procespartijen, te weten een ouder die zijn eigen belang nastreeft als eiser, tegenover het kind die door wetsbepaling (art. 1:245 lid 4 BW) in rechte wordt vertegenwoordigd door die ouder; indien deze beide rollen van de betreffende ouder onverenigbaar zijn – en dat zal vrijwel altijd het geval zijn – wordt een bijzonder curator benoemd (art. 1:250 BW).

4.2. De consequentie van het voorgaande is niet dat [A] algeheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard (dat zet de hele procedure op dood spoor, waar niemand mee is gediend), maar dat [A] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering jegens zichzelf. Met een dergelijke beslissing verdwijnt [A] als gedaagde in de hoofdzaak van het toneel en blijft over [A] als eisende partij tegenover de (andere) negen gedaagden in de hoofdzaak.

4.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat – gelet op het bepaalde in art. 99 Rv, gelezen in samenhang met art. 107 Rv – de Rechtbank Groningen niet bevoegd is; de exceptie is door [B] c.s. terecht opgeworpen.

4.4. [A] had bij inleidende dagvaarding op de voet van art. 107 Rv een keuze kunnen maken uit een aantal mogelijke rechtbanken. Nu hij een rechtens niet-aanvaardbare keuze heeft gemaakt, dient de Rechtbank Groningen te bepalen welk gerecht de zaak verder zal behandelen.

Waar in dit geval niet alleen er een concentratie van gedaagden in het arrondissement Dordrecht is, maar aldaar ook nog eens het sterfhuis heeft gestaan, is er alle aanleiding om de zaak op de voet van art. 110 Rv naar de rechtbank Dordrecht te verwijzen.

4.5. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

Deze kosten worden aan de zijde van [B] c.s. begroot op € 384,-.

5. De beslissing

De rechtbank:

in de hoofdzaak

5.1. verklaart eiser niet ontvankelijk in zijn vordering jegens gedaagde sub 10,

in het incident

5.2. verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

5.3. veroordeelt [A] in de kosten van het incident, aan de zijde van [B] c.s. tot op heden begroot op € 384,00,

in de hoofdzaak

5.4. verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Dordrecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012.?