Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BY6881

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
132098 - HA ZA 12-76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oudjaarsstunt: suggestie gedaan dat losgeld werd gevraagd voor uit het Van Gogh museum gestolen schilderijen. Regiopolitie en museum vorderen schadevergoeding voor gevolgde werkzaamheden. De rechtbank oordeelt dat degenen die de ‘grap’ hebben uitgevoerd, onrechtmatig hebben gehandeld. Er is sprake van groepsaansprakelijkheid. Het museum moet de vordering nog nader onderbouwen. Wat betreft de politie-inzet voordat werd ontdekt dat het een grap was, acht de rechtbank het kostenverhaal geen doorkruising van een publiekrechtelijke regeling. De politieactiviteiten na de ontmaskering betroffen opsporing van een verondersteld delict (poging tot oplichting), welke kosten niet op de verdachten kunnen worden verhaald.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/56 met annotatie van J.L. Brens
NJF 2013/49

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 132098 / HA ZA 12-76

Vonnis van 5 december 2012

in de zaak van

1. rechtspersoon

REGIOPOLITIE AMSTERDAM-AMSTELLAND,

gevestigd te Amsterdam,

2. de stichting

STICHTING VAN GOGH MUSEUM,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

advocaat mr. C.A.M.J. Raymakers,

tegen

1. [A],

wonende te [woonplaats],

2. [B],

wonende te [woonplaats],

3. [C],

wonende te [woonplaats],

4. [D],

wonende te [woonplaats],

5. [E],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. U. van Ophoven.

1. De loop van het geding

Op in de dagvaarding uiteengezette gronden hebben eiseressen een vordering ingesteld tegen gedaagden.

Gedaagden hebben de vordering gemotiveerd weersproken bij conclusie van antwoord.

Bij vonnis van 25 april 2012 is een comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op 11 juli 2012, waarvan proces-verbaal. Aan het slot van de mondelinge behandeling is bepaald dat vonnis zou worden gewezen.

Eiseressen hebben bij brief van 25 juli 2012 van hun advocaat, opmerkingen gemaakt naar aanleiding van de tekst van het proces-verbaal.

2. De feiten

Het volgende kan, gezien het over en weer aangevoerde, tussen partijen als vaststaand worden aangemerkt.

2.1. In het Groningse dorp Tolbert (gemeente Leek) is er een groep ondernemers die elk jaar ter gelegenheid van de jaarwisseling een ‘stunt’ bedenkt en uitvoert; doorgaans is het georganiseerde evenement gericht op verkrijging van aandacht voor een goed doel in het dorp.

De ‘oudejaarsclub’ heeft geen juridische structuur en evenmin een vaste samenstelling; per evenement ontwikkelt zich tussen betrokken personen de samenwerking.

2.2. Op 7 december 2002 zijn uit het museum dat te Amsterdam wordt geëxploiteerd door de Stichting Van Gogh Museum (de rechtspersoon wordt hierna verder kort aangeduid als: het museum) twee kostbare schilderijen van Van Gogh ontvreemd. Van de daders ontbrak elk spoor. In de Nederlandse media is veel aandacht geweest voor de diefstal.

2.3. In een bijeenkomst van de ‘oudejaarsclub’ in december 2002, waaraan (onder meer) deelnamen gedaagde sub 1 (hierna ook te noemen: [A]), gedaagde sub 2 (hierna ook te noemen: [B]) en gedaagde sub 3 (hierna ook te noemen: [C]), kwam de gedachte op om voor de oudjaarstunt 2002/2003 aan te haken bij de publiciteit rondom de diefstal van de Van Gogh-schilderijen. De voetbalvereniging VV Tolbert had € 50.000,- voor een nieuwe tribune nodig en het bij wijze van stunt binnenhalen van ‘losgeld’ zou de gemeente een zetje in de rug geven. De stunt zou zijn geslaagd als er iemand op oudejaarsdag zou verschijnen met een koffertje met daarin het gevraagde geldbedrag; er zou een publieke ontvangst worden georganiseerd, maar het was uitdrukkelijk niet de bedoeling dat het geld daadwerkelijk in ontvangst zou worden genomen.

De eerste gedachtevorming omtrent de oudjaarstunt leidde tot betrokkenheid van en een reeks van uitvoeringshandelingen bij meer dan tien personen aan de Tolberter zijde, waaronder [A], [B] en [C]. Na de eerste bijeenkomst zijn gedaagde sub 4 (hierna ook te noemen: [D]) en gedaagde sub 5 (hierna ook te noemen: [E]) bij de ‘stunt’ betrokken geraakt.

2.4. Het was gebruikelijk dat in een vroeg stadium een contactpersoon bij de plaatselijke politie (politiebureau Leek) werd geïnformeerd over een voorgenomen stunt van de ‘oudejaarsclub’. Met deze persoon is in december 2002 contact gezocht, maar hij verbleef in het ziekenhuis. Aan de telefoniste is gevraagd aan de contactpersoon door te geven dat de club bezig was met een ludieke actie “met wat tricky kantjes”. Tegenover de telefoniste is verder niet in details getreden.

2.5. Meerdere bijeenkomsten van de ‘oudejaarsclub’ tijdens welke de voortgang van de stunt werd besproken, hebben plaatsgevonden in het kantoor van [C]; hij participeerde in de besluitvorming.

In het kantoor van [C] is via een van zijn computers op internet gezocht naar wat er bekend was over de schilderijendiefstal; afbeeldingen van de schilderijen zijn toen door [C] uitgeprint.

2.6. Op 23 december 2002 ontving het museum een brief van de volgende inhoud.

Stichting “Het komt vast wel goed”. Afdeling Noord.

Noord Nederland, 23 december 2002.

Geacht Museum,

Het lijkt op een grap, die uit de hand dreigt te lopen. Wij weten waar uw beide van Gogh’s zich ophouden. Wij denken dat het vast wel goed zal komen. Voor slechts € 50.000,00 kunt u ze terug in uw bezit hebben. Dat geld is bestemd voor een goed doel. Plaatst u op zaterdag 28 december a.s. een advertentie in het “Dagblad van het Noorden” bij de HAASJES onder de rubriek: te koop aangeboden KUNST EN ANTIEK met de volgende vermelding:

“Het komt vast wel goed”AKKOORD!

Daarna volgt u onze aanwijzingen. Uiterlijk op 31 december moet de zaak rond zijn.

Hartelijke groeten Bestuur “Het komt vast wel goed”.

2.7. De brief van 23 december 2002 werd door [B] getypt en gepost.

[B] stelde een actielijst (opsomming van te ondernemen stappen) op met betrekking tot de stunt; tenminste [A] en [B] zelf beschikten over deze lijst en handelden ernaar.

2.8. Het museum hield er serieus rekening mee dat de afzender van de brief van 23 december 2002 in het bezit was van de schilderijen en dat dit een mogelijkheid betrof om deze terug te krijgen.

Op 24 december 2012 heeft het museum eiseres sub 1 (hierna te noemen: de Regiopolitie, of kortweg: de politie) ingeschakeld, waarna de politie een opsporingsonderzoek is gestart.

In overleg met de politie heeft het museum de in de brief van 23 december 2002 opgegeven advertentie geplaatst.

2.9. De ‘oudejaarsclub’ was toch nog enigszins verrast dat het museum de advertentie daadwerkelijk plaatste. Besloten werd om op de ingeslagen weg door te gaan.

Op 28 december 2012 werd aan het museum een fax gezonden met de volgende inhoud.

Stichting “Het komt vast wel goed”.

Noord Nederland, 28 december 2002.

Geacht Museum,

Hartelijk dank voor uw reactie in het Dagblad van het Noorden. Wij denken dat het nu vast wel goed gaat komen. Uw schilderijen zijn bij ons in veilige handen.

U plaatst op dinsdag 31 december opnieuw een advertentie in het Dagblad van het Noorden, zelfde rubriek, met de volgende tekst: Het komt vast wel goed, ….. (hier vult u een mobiel telefoonnummer in)

Wij willen graag de zaken als volgt met u regelen. Op dinsdag 31 december meldt u zich om 18.30 uur bij de carpoolplaats aan de A7 afslag Leek, zuidzijde. Let op! 1 auto per persoon! Géén politie.

Deze persoon is voorzien van een telefoontoestel met het mobiele nummer dat u ons hebt opgegeven, daarna volgen de volgende instructies per SMS. Communiceren vanaf dat ogenblik alleen per SMS.

De persoon in kwestie is in het bezit van een koffer met € 50.000,00 in coupures van 50.

Nogmaals, géén politie!!!

Stichting “Het komt vast wel goed”.

2.10. De brief van 28 december 2002 is getypt op het kantoor van [C] en werd verzonden met het mobiele fax-apparaat van [E]. De ‘oudejaarsclub’ koos voor dit apparaat omdat men niet traceerbaar wilde zijn. [E] was van de actie op de hoogte en had de brief gelezen voordat deze verzonden werd.

Ook [A] was op de hoogte van verzending van deze brief; de fax werd eerst bij wijze van proef verstuurd naar het bedrijf van [A] om zeker te stellen dat er geen telefoonnummer van de afzender werd meegezonden.

De gedachte aan de zijde van de Tolberter ondernemers was dat de persoon die met losgeld zou verschijnen, met SMS-berichten naar de voetbalkantine van VV Tolbert zou worden geleid; aldaar zou worden onthuld dat het om een ‘grap’ ging.

2.11. In overleg met de politie heeft het museum naar aanleiding van de brief van 28 december 2002 een tweede advertentie geplaatst, waarin om bewijs werd gevraagd.

2.12. Op 31 december 2012 ontving het museum in reactie op de tweede advertentie een nieuwe faxbrief, met de volgende tekst.

Stichting “Het komt vast wel goed”. Afdeling Noord Nederland.

Noord Nederland, 31 december 2002.

Geacht Museum,

Hartelijk dank voor uw reactie van hedenmorgen. Wij waren lichtelijk in u teleurgesteld omdat u schijnbaar enig wantrouwen koestert omtrent onze eerlijkheid.

Hierbij leveren wij u het bewijs. Twijfelt u niet, maar houdt u zich nauwkeurig aan onze instructies,

[volgt een opsomming van instructies, rechtbank]

Vanaf dit ogenblik communiceren wij alleen nog verder per SMS. Wij willen vóór 12.00 uur vandaag in het bezit zijn van uw mobiele nummer.

Namens de Stichting “het komt vast wel goed.

Vriendelijke groet.

2.13. Met deze fax van 31 december 2002 werd een foto meegestuurd van de twee schilderijen, met daarop een recent exemplaar van de “Midweek”, een plaatselijk huis-aan-huisblad.

De betreffende ‘schilderijen’ waren gemaakt door [D], mede-eigenaar van een bedrijf in grafische vormgeving. [A] had hem benaderd met het verzoek foto’s van de gestolen schilderijen op ware grootte af te drukken. [A] stelde [D] op de hoogte van het plan om het museum te laten denken dat de briefschrijver in het bezit was van de schilderijen; [A] toonde [D] in dat verband de voorgenomen brief aan het museum. [D] kon er de humor wel van inzien. [D] kwam op het idee om ook een foto van de schilderijen met daarop een krant (de “Midweek”) te maken.

Een e-mail met daarop de twee schilderijen en de krant, werd verzonden naar [C]. Per fax van [E] werd die foto aan het museum overgebracht.

[A] heeft de nagemaakte schilderijen bij [D] opgehaald; hij heeft deze in zijn huis bewaard.

2.14. De fax van 31 december 2002 sterkte het museum en de politie in de gedachte dat serieus op de brieven en aanwijzingen moest worden ingegaan.

Verder rechercheren bracht evenwel dezelfde dag nog de Tolberter ondernemers in beeld bij de politie.

Op 31 december 2002 heeft de politie via het café waarin de ‘oudejaarsclub’ veelal bijeenkwam, tevergeefs contact gezocht met deze: de betrokken leden van de ‘oudejaarsclub’ hielden zich opzettelijk schuil.

2.15. Een persoon met een koffertje met geld is niet in Groningen aangekomen.

Omdat de Tolberter ondernemers tot het inzicht kwamen dat het oorspronkelijke plan niet tot het gewenste resultaat zou leiden, voerden zij een ‘noodplan’ uit: gekopieerd geld is die avond in de voetbalkantine aangeboden aan de voetbalvereniging.

2.16. Op 1 januari 2003 zijn [B] en [A] aangehouden en in verzekering gesteld; later zijn de andere gedaagden als verdachten gehoord.

2.17. De strafzaak tegen gedaagden is geëindigd in vrijspraak van het tenlastegelegde misdrijf (poging tot) oplichting, omdat het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling niet bewezen kon worden verklaard (Hoge Raad 14 september 2010, LJN BM 8078).

2.18. Bij brieven van 17 en 18 december 2007 hebben het museum en de regiopolitie (in afwachting van het verloop van de tegen gedaagden ondernomen strafzaak) hun aanspraak op schadevergoeding jegens gedaagden herhaald en aldus een stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:317 BW verricht.

Gedaagden zijn niet bereid geweest aansprakelijkheid te erkennen en met eisers een minnelijke regeling te treffen. Gedaagden hebben het principiële standpunt ingenomen dat het een grap betreft en dat dit voor museum en politie duidelijk had moeten zijn; er is geen onrechtmatige daad gepleegd.

3. De vordering

3.1. Het museum vordert - kort weergegeven - dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld om aan haar te voldoen € 20.368,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2012;

De Regiopolitie vordert - kort weergegeven - dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld om aan haar te voldoen € 7.888,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2012;

Eiseressen vorderen gezamenlijk dat gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met rente vanaf de 15e dag na datum vonnis.

3.2. Eiseressen stellen dat gedaagden zich schuldig hebben gemaakt aan een onrechtmatige daad jegens museum en Regiopolitie. Gedaagden hebben gehandeld in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid door opzettelijk de indruk te wekken dat zij wetenschap hadden omtrent de verblijfplaats van de gestolen schilderijen. Het onrechtmatig handelen is toerekenbaar aan gedaagden. Na de eerste reactie van het museum was het voor gedaagden duidelijk dat de brief serieus werd genomen; desondanks heeft de groep er toen niet voor gekozen om het museum in te lichten dat het om een grap ging, maar heeft men verdere stappen genomen; men was zich bewust van de risico’s.

Er is sprake van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:166 BW. Als een groep personen op de wijze als hier aan de orde met elkaar optrekt en betrokkenen het zelf ervaren als een groepsgebeuren, dan zijn die personen ook als groep aansprakelijk. Gedaagden zijn ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de door het museum en de Regiopolitie geleden schade, ongeacht ieders aandeel in de onrechtmatige daad.

3.3. In negen van de tien gevallen wordt na een schilderijenroof gevraagd om losgeld; dat heeft er mee te maken dat schilderijen veelal zo’n bekendheid hebben dat zij niet verkocht kunnen worden. De als losgeld verlangde bedragen verschillen soms niet veel van het bedrag dat gedaagden hebben genoemd; hierin lag derhalve geen reden om de brief niet serieus te nemen. Vanwege de enkele mogelijkheid dat later blijkt dat een brief ernst is geweest, plegen alle sporen serieus te worden genomen.

De eerste brief werd gestuurd nog geen drie weken na de diefstal van de twee schilderijen. Het museum kon na ontvangst van de brieven niets anders dan de berichten ernstig te nemen, onverwijld alarm te slaan bij de politie en andere maatregelen te nemen. Gedaagden hebben er rekening mee gehouden dat het museum de brieven serieus zou nemen, daar hoopte de groep zelfs op. De politie op haar beurt diende in actie te komen; de politie verkeert niet in de positie om in een geval als dit een brief terzijde te schuiven omdat zij denkt dat het niet serieus is, dat risico kan de politie niet nemen.

Dit een en ander was voorzienbaar voor gedaagden, waarmee voldaan is aan het adequatiebeginsel. De geschonden (betamelijkheids)norm strekt tot bescherming tegen schade zoals het museum en de Regiopolitie die hebben geleden; er is derhalve ook voldaan aan het vereiste van relativiteit.

3.4. Wat betreft het museum geldt dat het noodgedwongen verschillende deskundigen heeft moeten inschakelen. De schade aan de zijde van het museum begroot deze eisende partij op € 20.368,32, bestaande uit kosten voor media-adviseurs, beveiligingsadviseurs en advocaten.

Genoemde schade is het directe gevolg van de gedragingen van gedaagden.

3.5. De politie heeft de melding van het museum over de ontvangst van de brief serieus moeten nemen. Wat betreft de Regiopolitie geldt dat nu de gedragingen van gedaagden niet als strafbare feiten kwalificeren, vaststaat dat de politie buiten de haar toegekende overheidstaak werkzaamheden heeft moeten verrichten die als nodeloos dienen te worden aangemerkt. Juist door de vrijspraak van gedaagden in het strafrechtelijke traject zijn alle door de Regiopolitie uitgevoerde werkzaamheden aan te merken als niet behorend tot haar eigenlijke politietaak.

De schade van de politie bestaat daaruit dat zij kosten heeft gemaakt om opsporingstaken te doen uitvoeren. Het betreft nodeloos gewerkte uren.

Er zijn 274 manuren verspild voor activiteiten die niet voor een onderzoek naar een strafbaar feit dat wel is gepleegd zijn aangewend. Op basis van het uursalaris ‘wordt door de politie aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van € 7.888,00.

4. Het verweer

4.1. De intentie van een oudejaarsvereniging als die van gedaagden is het uithalen van een stunt, niet het toebrengen van nadeel aan anderen. Gedaagden wilden op ludieke wijze aandacht vragen voor een lokaal onderwerp. Het teweegbrengen van hinder door een traditie als deze, is geen handelen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Zelfs indien de oudejaarsstunt wellicht wat ongelukkig is gekozen (over smaak valt niet te twisten), maakt dit niet dat er sprake zou zijn van handelen in strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.

Gedaagden behoefden niet bedacht te zijn op het belang van de Regiopolitie; jegens deze eisende partij kan er geen sprake zijn van strijd met een zorgvuldigheidsnorm.

4.2. Uit art. 6:163 BW vloeit voort dat handelen in strijd met ongeschreven zorgvuldigheidsnorm uitsluitend strekt ter bescherming van belangen waarop de dader bedacht moet zijn. Voor wat betreft de Regiopolitie geldt dat, zo er een zorgvuldigheidsnorm is geschonden, deze norm niet strekt tot bescherming tegen de eventuele schade zoals de Regiopoltitie die heeft geleden. Jegens de poltie zijn geen acties ondernomen; dit geval is niet vergelijkbaar met dat van een valse aangifte, waarin rechtstreeks jegens de politie wordt gehandeld.

4.3. Er is geen sprake van causaal verband tussen stunt en schade. Vanaf de diefstal van de schilderijen is er sprake geweest van extra beveiliging in politie-inzet; men hield sowieso rekening met de mogelijkheid dat als gevolg van de diefstal afpersers zouden reageren.

Al uit de tekst van de eerste brief kon het museum opmaken dat er sprake was van een grap, meer in het bijzonder van een oudejaarsstunt. Het het geringe geldbedrag dat als losgeld werd gevraagd voor deze zeer kostbare schilderijen, kon niet serieus worden genomen. Voorts is contact gezocht met de politie. Aan de zijde van het museum is vanaf het begin ook daadwerkelijk twijfel geweest of de schrijver van de brieven toegang tot de schilderijen kon geven.

4.4. Gedaagden betwisten dat kan worden gesproken van handelen in groepsverband. Er waren veel op zichzelf staande handelingen door verschillende betrokkenen; er is sprake geweest van telkens improviserend werken, waarbij veel meer personen betrokken waren dan de vijf gedaagden. Er werd niet stelselmatig en professioneel te werk gegaan. Niet alle gedaagden waren actief betrokken bij de uitvoering en door de rommelige communicatie waren zij niet op de hoogte van alle gebeurtenissen en de activiteiten van de anderen.

Subsidiair betwisten gedaagden dat zij allen tot een groepsverband als bedoeld in art. 6:166 BW hebben behoord.

Dat geldt in het bijzonder voor de gedaagden [E] en [D]; als de gestelde schade het directe gevolg is van het zenden van de eerste brief, ontbreekt een causaal verband omdat zij in dat stadium nog niet waren betrokken. [E] heeft later uitsluitend zijn fax ter beschikking gesteld. [D] wist niet dat de foto van de schilderijen met de krant naderhand zou worden gebruikt voor verzending aan het museum, hij had hier geen toestemming voor gegeven.

4.5. Voor zover jegens een of meer gedaagden een gedeelte van de vordering toewijsbaar is, beroepen gedaagden zich op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:2 BW juncto art. 6:248 BW. Met de omstandigheid dat er sprake was van een oudejaarsstunt zonder intentie om schade toe te brengen, moet rekening worden gehouden.

4.6. Gedaagden verweren zich, meest subsidiair, aldus dat meerdere schadeposten niet voor toewijzing in aanmerking komen.

5. Beoordeling

5.1. Algemeen

5.1.1. Onrechtmatigheid, toerekenbaarheid

Door art. 6:162 BW wordt als onrechtmatige daad (onder meer) aangemerkt een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Eiseressen voeren aan dat gedaagden zich aldus onrechtmatig hebben gedragen, gedaagden weerspreken dat.

De rechtbank stelt voorop dat zij uitgaat van oprechte bedoelingen van de leden van de ‘oudejaarsclub’. Bij gedaagden heeft geen moment de bedoelding voorgezeten om zichzelf te bevoordelen, zij hadden slechts een algemeen belang van hun dorp op het oog.

Desondanks acht de rechtbank in dit geval een onrechtmatige daad jegens museum en Regiopolitie aanwezig. Gedaagden hebben het museum ongevraagd trachten te ‘gebruiken’ voor hun stunt, terwijl zij wisten, of althans hadden moeten begrijpen, dat hun actie zou leiden tot kostbare inzet van mensen en middelen aan de andere kant. Voor het museum stond er immers veel op het spel en zij kon zich niet veroorloven de brieven niet serieus te nemen: het museum mocht eenvoudigweg niet de kans lopen om niets te doen in een situatie dat de schilderijen hadden kunnen zijn bemachtigd. Inschakeling van de politie was daaraan inherent. Op haar beurt verkeerde de regiopolitie niet in de positie haar inzet te onthouden aan het museum, waar het ging om de diefstal van twee zulke kostbare erfgoederen. Met deze onvermijdelijke gevolgen voor ogen, hadden gedaagden deze ‘stunt’ niet mogen gaan uitvoeren.

Met het voorgaande is ook de toerekenbaarheid van de onrechtmatige gedraging gegeven: er is sprake van ‘schuld’ aan de zijde van gedaagden.

5.1.2. Groepsaansprakelijkheid

De eisende partijen hebben hoofdelijke veroordeling gevorderd omdat zij groepsaansprakelijkheid aanwezig achten, gedaagden hebben dit laatste juist weersproken.

Gedaagden hebben allereerst weersproken dat zij als ‘groep’ hebben geopereerd, maar de rechtbank kan daarin niet meegaan. Hoewel de leden van de ‘oudejaarsclub’ niet steeds wisten wie wel of niet meedeed en zij zelfs allen niet precies wisten welke activiteiten werden ondernomen, was er wel degelijk sprake van een gezamenlijk handelen, gericht op een gezamenlijk doel, te weten het bewegen van het museum om op oudejaarsavond een koffer met geld in Tolbert te presenteren. Deze gezamenlijke gedragingen zijn aan te merken als gedragingen in groepsverband als bedoeld in art. 6:166 BW.

Het in dezen relevante eerste lid van genoemde bepaling luidt als volgt: “Indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend”.

Dit wetsartikel ziet in het bijzonder op het geval dat tenminste één deelnemer van een als groep opererend aantal personen een schadetoebrengende onrechtmatige daad heeft begaan; als de ander(en) door de kans op aldus toebrengen van schade af had(den) moeten zien van het aan de groep mee blijven doen, is deze ander (zijn deze anderen) met de schadetoebrenger hoofdelijk aansprakelijk.

In het geval van de stunt van de ‘oudejaarsclub’ is het echter niet zo dat er slechts één dader was en een of meerdere ondersteunende groepsleden. Hier heeft ieder van gedaagden zich zodanig gedragen, dat dit gedrag telkens (ook) een afzonderlijke onrechtmatige daad jegens het museum en de Regiopolitie vormt. Hiermee wil niet gezegd zijn dat ieders rol gelijk is geweest, maar wel dat - gezien de in rechtsoverweging 2 neergelegde opsomming van gebeurtenissen - iedere gedaagde tenminste één activiteit heeft ondernomen die op zichzelf al kwalificeert als onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW. Dat creëert aansprakelijkheid van eenieder. De functie van art. 6:166 BW in deze zaak is daarmee beperkt tot het vestigen van hoofdelijke aansprakelijkheid, waar dat gelet op het bepaalde in art. 6:6 BW en volgende, wellicht niet zonder meer het geval zou zijn.

5.1.3. Causaal verband, algemeen

Gelet op de in art. 6:162 BW geformuleerde regel, inhoudende dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden, is met het voorgaande gegeven dat er voor de rechtbank grond is de omvang van de uit de onrechtmatige daad voortgevloeide schade te onderzoeken.

Voor vergoeding komt volgens art. 6:98 BW (slechts) die schade in aanmerking die in een zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem als een gevolg van de gebeurtenis kan worden toegerekend. In genoemde wetsbepaling is aldus verwoord de leer van de redelijke toerekening. Als de schade in een te ver verwijderd verband met de schadeoorzaak staat, kan het door de wet bedoelde causale verband worden geacht te zijn verbroken.

‘Voorzienbaarheid’ van schade (de mate waarin het optreden van schade redelijkerwijs was te verwachten) is in de leer van de redelijke toerekening één van de van belang zijnde factoren. Het recht zoekt, als aangegeven, immers naar een redelijke toerekening. Naarmate het gevolg naar ervaringsregels waarschijnlijker is, is toerekening eerder op zijn plaats, terwijl toerekening daarentegen juist minder aanvaardbaar is naarmate het gevolg uitzonderlijker/abnormaler is.

Gedaagden hebben het door eiseressen gestelde causaal verband in algemene zin weersproken aldus (a) dat de schilderijendiefstal sowieso al extra inzet van mensen en middelen had gevergd, terwijl (b) het zo evident was dat het hier een grap betrof dat de gemaakte meerkosten niet aan gedaagden kunnen worden toegerekend.

Onderdeel (a) van dit verweer komt hierna nader aan de orde waar, wat betreft de door het museum en de Regiopolitie opgevoerde schadeposten, zal worden getoetst of het daadwerkelijk aan de oudejaarsstunt gerelateerde extra kosten betreft.

Onderdeel (b) van dit verweer is hiervoor onder 5.1.1 (impliciet) al ondeugdelijk geoordeeld: museum en Regiopolitie konden het zich eenvoudigweg niet veroorloven om de berichten van de “Stichting Het komt vast wel goed” niet serieus te nemen. Gedaagden legden het hier ook op toe, zij wilden juist ernstig worden genomen. Onder die omstandigheden is het redelijk om de aan de oudejaarsstunt gerelateerde extra kosten toe te rekenen aan gedaagden.

5.1.4. Redelijkheid en billijkheid

Gedaagden beroepen zich nog op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank ziet evenwel geen grond om met de omstandigheid dat er sprake was van een oudejaarsstunt zonder intentie om schade toe te brengen, rekening te houden. Gedaagden zijn allen volwassen mannen/ondernemers, die hadden kunnen en moeten bedenken dat hun goedbedoelde stunt anderen op kosten joeg; deze kosten dienen zij eenvoudigweg te dragen.

5.2. Nadere overwegingen wat betreft het museum

5.2.1. De vordering

Het museum stelt dat het verschillende deskundigen heeft moeten inschakelen, waarvan de kosten hebben bedragen € 20.368,32. Tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met rente vanaf 23 december 2002 tot aan de dag van de algehele voldoening, dienen gedaagden hoofdelijk te worden veroordeeld.

Het gaat om kosten, aldus het museum, die anders niet gemaakt zouden zijn.

Het beveiligingsbedrijf Control Risks Benelux was reeds ingeschakeld naar aanleiding van de inbraak zelf; daarvoor heeft het gefactureerd € 75.000,-. Na ontvangst van de door gedaagden gestuurde brieven heeft dit bedrijf ondersteuning/begeleiding verzorgd en specifiek voor aan deze afpersing gerelateerde werkzaamheden gefactureerd € 10.118,37 op 31 december 2012 (onder vermelding van: “ondersteuning i.v.m. afpersing december 2002”) en € 2.666,50 op 31 januari 2003 (onder vermelding van: “verhaalsonderzoek in samenwerking met advocatenkantoor Boekel de Nerée n.a.v. Nieuwjaarsstunt”), in totaal € 12.784,87. Control Risks heeft geadviseerd inzake het volgen van het door gedaagden uitgezette spoor; er was het museum alles aan gelegen om de schilderijen terug te krijgen.

Voor het managen van en adviseren over de mediacommunicatie inzake de afpersing is ingeschakeld Bennis Porter Novelli, welk bedrijf in relatie tot de ‘Nieuwjaarsstunt’ heeft gefactureerd op 31 december 2012 € 1.289,49 en op 20 februari 2003 € 1.576,04, derhalve in totaal € 2.408,-.

Voor juridisch advies ter zake van het verhaal op gedaagden is ingeschakeld het advocatenkantoor Boekel de Nerée NV, welk bedrijf ter zake van werkzaamheden in de maanden januari tot en met maart 2003 heeft gefactureerd op 26 februari 2003 € 3.648,75, op 13 maart 2003 € 1.409,10 en op 25 april 2003 € 117,60, derhalve in totaal € 5.175,45.

5.2.2. Het verweer

Wat betreft de opgevoerde kosten van Control Risks Benelux is onduidelijk welke van de verrichte werkzaamheden betrekking hebben op de grap van gedaagden; het is aan het museum nader bewijs aan te brengen. Niet uit te sluiten is dat er na de diefstal meerdere afpersers zijn geweest; niet blijkt dat de facturen specifiek zien op de Nieuwjaarsstunt.

De werkzaamheden van het advocatenkantoor hebben bestaan uit één brief; deze is aan te merken als een voorbereidingshandeling op de juridische procedure.

Wat betreft alle opgevoerde facturen geldt dat het kosten betreft die pas na 23 december 2002 zijn gemaakt; gedaagden zien niet in waarom er reeds vanaf genoemde datum rente wordt gevorderd.

Gedaagden voeren voorts aan dat zij niet begrijpen waarom eiseressen negen jaar hebben gewacht om de civiele procedure op te starten; in redelijkheid kan ten hoogste de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding worden toegewezen.

5.2.3. Beoordeling

5.2.3.1

Het museum heeft (nog) niet genoegzaam aangetoond dat zij eind december 2002 specifiek voor haar reactie op de (vermeende) afpersing door gedaagden, deskundige bijstand heeft ingehuurd (en redelijkerwijs heeft moeten inhuren) waaruit kosten zijn voortgevloeid als door haar opgegeven. Deze opmerking plaatst de rechtbank aangaande de eerste factuur van Control Risks Benelux en de beide facturen van Bennis Porter Novelli, tezamen belopend € 12.526,37. De enkele vermelding “ondersteuning i.v.m. afpersing december 2002” op genoemde eerste factuur van Control Risks Benelux behoeft bepaaldelijk nadere onderbouwing, bijvoorbeeld door overlegging van urenstaten met specifiekere aanduiding van werkzaamheden. De twee afzonderlijke facturen van Bennis Porter Novelli zijn gericht aan Control Risks Benelux; niet blijkt dat deze zijn doorgefactureerd aan het museum.

De rechtbank draagt het museum bewijs op van haar stelling dat zij schade heeft geleden tot in hoofdsom € 12.526,37.

5.2.3.2

Indien door de rechtbank zal worden geoordeeld dat gedaagden in hoofdsom enig bedrag aan het museum verschuldigd zullen zijn, zullen gedaagden worden veroordeeld daar rente over te voldoen, te weten de wettelijke rente vanaf de onderscheidene factuurdata. Het museum heeft goede grond gehad om met het instellen van de civiele vordering te wachten totdat de strafzaak (met de uitspraak van de Hoge Raad van 14 september 2010) definitief tot een einde was gekomen; er is geen reden om gedaagden (die al jaren eerder de schade ‘vrijwillig’ hadden kunnen vergoeden) niet te veroordelen om de wettelijke rente over de volle termijn te voldoen.

5.2.3.3

De tweede factuur van Control Risks Benelux evenals de drie facturen van Boekel de Nerée hebben betrekking op kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als bedoeld in art. 6:96 lid 2 sub c BW. Genoegzaam is aangetoond dat deze kosten zijn gemaakt. Gelet op het tijdsverloop tussen de werkzaamheden van het advocatenkantoor (begin 2003) en het begin van de procedure (februari 2012) kan bezwaarlijk aan het museum worden voorgehouden dat bedoelde kosten hebben te gelden als proceskosten. Bij wijze van matiging ex art. 6:109 lid 1 BW (tot welke matiging het gevoerde verweer aanleiding geeft) stelt de rechtbank dit onderdeel van de schade forfaitair vast op 15% van de (nader te bepalen) hoofdsom.

Nu niet blijkt dat gedaagden voorafgaande aan de dagvaarding zijn aangemaand deze incassokosten te voldoen, worden zij veroordeeld om de wettelijke rente over het laatstgenoemde bedrag te voldoen met ingang van datum dagvaarding.

5.3. Nadere overwegingen wat betreft de Regiopolitie

5.3.1. De vordering

De Regiopolitie stelt dat door de vrijspraak van gedaagden in het strafrechtelijke traject, alle door de Regiopolitie uitgevoerde werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als niet behorend tot de eigenlijke politietaak. Er zijn 274 manuren besteed aan activiteiten die niet voor een onderzoek naar een strafbaar feit dat wel is gepleegd (te weten: diefstal van schilderijen) zijn aangewend. Op basis van het uursalaris ‘reguliere uren’ (buiten beschouwing latend dat het deels overuren en verzwaarde uren betrof) maakt de Regiopolitie aanspraak op een schadevergoeding van € 7.888,00, te vermeerderen met rente vanaf 23 december 2002 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Juist door de vrijspraak van gedaagden in het strafrechtelijk traject zijn alle door de Regiopolitie uitgevoerde werkzaamheden aan te merken als niet behorend tot haar politietaak; deze vrijspraak bevestigt immers dat zij zich niet bezig heeft gehouden met de eigenlijke politietaak. De politie is ten onrechte aan het werk gezet. Deze zaak is volledig vergelijkbaar met een civiele procedure inzake een valse aangifte, die bij het Gerechtshof te Amsterdam met succes ten principale is uitgevochten (Gerechtshof Amsterdam 26 juli 2011, LJN BR3958, NJF 2011, 367).

5.3.2. Het verweer

In relatie tot de politie ontbreekt de relativiteit als bedoeld in art. 6:163 BW. De politie heeft gewoonweg in het kader van haar publieke taak opsporingswerkzaamheden verricht in verband met verdenking van diefstal van de schilderijen, dan wel afpersing althans oplichting. Er vond voor 1 januari 2003 onderzoek plaats naar een delict; voor verhaal van dergelijke kosten bestaat geen wettelijke grondslag. Toen het voor de politie duidelijk was dat het een oudejaarsstunt betrof, heeft de politie nader onderzoek verricht: uit de specificatie blijkt dat na 31 december 2002 daar 153,5 manuur aan is besteed. In de dagen na 31 december 2002 heeft de politie zich gericht op een verdenking van een wel-bestaand delict (te weten: poging tot afpersing), resulterend in een strafrechtelijke procedure jegens gedaagden; dat gedaagden zijn vrijgesproken maakt niet dat zij aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de politiewerkzaamheden.

In algemene zin weerspreken gedaagden dat er sprake is geweest van extra werkzaamheden: de betreffende politieagenten verrichtten normaliter ook reeds werkzaamheden en was de Regiopolitie loon verschuldigd. Zelfs indien er extra loonkosten zijn gemaakt, dan kan de Regiopolitie deze wellicht doorberekenen aan het Ministerie, zodat er geen schade aan de zijde van de Regiopolitie is ontstaan.

Wat betreft gevorderde rente verweren gedaagden zich op gelijke wijze als hiervoor onder 5.2.2 jegens het museum is verwoord.

5.3.3. Beoordeling

5.3.3.1

Gedaagden hebben aansprakelijkheid jegens de Regiopolitie weersproken omdat de ‘relativiteit’ zou ontbreken. Gedaagden hebben hiermee verwezen naar het in art. 6:163 BW bepaalde: “Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden”. Het doel van de relativering is om te beschikken over een correctiemogelijkheid waarmee een te uitgebreide aansprakelijkheid voor aan derden toegebrachte schade kan worden vermeden; in tal van gevallen is er wel een oorzakelijk verband tussen daad en schade, maar bestaat er slechts een toevallig samentreffen tussen onrechtmatigheid (strijd met een van de talloze wettelijke normen) en schade. Zoals uit de tekst van art. 6:163 BW volgt moeten doel en strekking van de geschonden norm in dit verband worden onderzocht.

In de nu voorliggende zaak is de relativiteit niet van belang: het gaat immers niet om aansprakelijkheid van de Regiopolitie, maar om aansprakelijkheid jegens die partij.

5.3.3.2

Wél relevant is het leerstuk van doorkruising van een publiekrechtelijke regeling. De vraag luidt daar of een overheidslichaam dat bij de uitoefening van een hem bij een publiekrechtelijke regeling opgedragen publieke taak kosten heeft gemaakt, deze kosten langs privaatrechtelijke weg kan verhalen. Wanneer de publiekrechtelijke regeling niet in beantwoording van de vraag voorziet, is (zie onder meer Hoge Raad 11 december 1992, NJ 1994, 639) beslissend of kostenverhaal via het privaatrecht die regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist. Daarbij moet onder meer worden gelet op de inhoud en strekking van de regeling, zulks mede in verband met de aard van de taak en de aard van de kosten.

Omtrent de vraag of kostenverhaal langs privaatrechtelijke weg in dit geval neerkomt op onaanvaardbare doorkruising, overweegt de rechtbank nader als volgt.

Een onderscheid moet worden gemaakt tussen de inzet van de politie tot en met 31 december 2002 enerzijds, die inzet vanaf 1 januari 2003 anderzijds.

Op 31 december 2002 kwam de politie tot de conclusie dat zij haar tijd had besteed aan een oudejaarstunt en dat geen sprake was van werkelijke betrokkenheid bij de schilderijendiefstal van de personen naar wie naspeuring werd verricht. De politie-inzet met ingang van 1 januari 2003 richtte zich daarmee alleen nog maar op een (verondersteld) wél begaan delict, te weten (poging tot) oplichting, welke verdenking heeft geresulteerd (zie hiervoor onder 2.17) in vrijspraak.

In het wettelijk stelsel van strafrechtelijke handhaving ligt besloten dat de kosten van die handhaving niet kunnen worden verhaald op de plegers van strafbare feiten; verhaal van kosten op de daders is niet mogelijk, hoezeer er ook sprake was van een onrechtmatige daad en politie en justitie opsporings- en vervolgingskosten hebben moeten maken. Daarmee kan geen verhaal plaatsvinden van de kosten van de inzet van de Regiopolitie na 1 januari 2003.

Voor 1 januari 2003 ging het bij de politiewerkzaamheden daarentegen niet om een daadwerkelijk opsporingsonderzoek naar strafbare feiten. Het suggereren van betrokkenheid bij een strafbaar feit terwijl men zelf beter weet, is een onrechtmatige daad jegens de politie; de kosten van de als gevolg daarvan ondernomen nodeloze politieactiviteiten kunnen op de dader worden verhaald zonder dat enige regel van publiekrecht wordt doorkruist.

Vergelijk het geval dat valse aangifte is gedaan: alsdan behoort het opsporingsonderzoek in verband met die valse aangifte als strafbaar feit tot de gewone politietaak en moet dat onderzoek uit de algemene middelen worden betaald; hiervan dient te worden onderscheiden het politieoptreden waartoe de valse aangifte aanleiding heeft gegeven, te weten het opsporingsonderzoek naar het niet bestaande delict waarvan aangifte werd gedaan: dit opsporingsonderzoek is nodeloos verricht en kan voor rekening van de dader worden gebracht.

5.3.3.3

Uit de door de Regiopolitie overgelegde urenstaat blijkt, dat tot en met 31 december 2012 in verband met de stichting “Het komt vast wel goed” kosten zijn gemaakt ter hoogte van € 3.518,50; het restant van het gevorderde bedrag van € 7.888,00 betreft loonkosten die na 1 januari 2003 zijn gemaakt. Uit het voorgaande vloeit voort dat slechts het eerstgenoemde bedrag toewijsbaar is. Gedaagden worden veroordeeld tot voldoening hiervan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2003.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. draagt het museum op te bewijzen dat zij schade heeft geleden tot in hoofdsom € 12.526,37, overeenkomstig hetgeen is overwogen in dit vonnis onder 5.2.3.1,

6.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 december 2012 voor uitlating door het museum of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

6.3. bepaalt dat het museum, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

6.4. bepaalt dat het museum, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van alle partijen en hun advocaten en de getuigen in de maanden januari tot en met maart 2013 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. W.J.A.M. Dijkers in het gerechtsgebouw te Groningen aan Guyotplein 1,

6.6. bepaalt dat partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2012.?