Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BY2155

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-10-2012
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
136411/KG ZA 12-87
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding opheffing beslag.

Partijen bereiken ter zitting overeenstemming over de wijze waarop de beslagen goederen tussen hen zullen worden verdeeld.

Zodat enkel nog een oordeel dient te worden gegeven over de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 136411 / KG ZA 12-287

Vonnis in kort geding van 19 oktober 2012

in de zaak van

1. [A],

gevestigd te [plaatsnaam],

2. [B],

wonende te [plaatsnaam],

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie

advocaat mr. D.J. Mensink,

tegen

[C],

wonende te [plaatsnaam],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.M.E. Hamming.

Partijen zullen hierna [B], [A] en [C] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• de dagvaarding,

• de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie,

• de mondelinge behandeling,

• de pleitnota van mr. Mensink.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In conventie en in reconventie

2.1. [B] en [A] zijn met [C] overeengekomen om een kledinglijn te ontwikkelen. De ontwerpen voor de kleding zouden van de hand van [C] komen en [B] [A] zou zorg dragen voor de benodigde machines, stoffen en overige materialen. Voor de uitvoering van de werkzaamheden heeft [C] zijn woning beschikbaar gesteld.

2.2. Medio februari 2012 is [C] opgenomen in het ziekenhuis. Aansluitend verbleef hij enige tijd in een revalidatiekliniek.

2.3. Tijdens het verblijf van [C] in de revalidatiekliniek heeft [B] - die over een sleutel beschikte - goederen uit de woning van [C] gehaald en deze overgebracht naar haar woning. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of [C] daaraan zijn toestemming had verleend.

2.4. Op 7 mei 2012 heeft [C] aangifte gedaan van diefstal door [B].

2.5. Krachtens de grosse van de op 16 augustus 2012 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank gegeven beschikking heeft [C] op 18 september 2012 ten laste van [B] en [A] conservatoir beslag tot afgifte gelegd op diverse zich in de woning van [B] bevindende roerende zaken, een en ander onder aanstelling van een gerechtelijk bewaarder.

2.6. Aan het verzoekschrift heeft [C] ten grondslag gelegd dat [B] en [A] zonder toestemming goederen uit zijn woning hebben gehaald. Met betrekking tot de eigendom van de goederen heeft [C] onder punt 8 van het verzoekschrift gesteld:

8. [C] heeft de patronen (de kledingstukken in onbedrukte stof uitgewerkt) voor zichzelf ontworpen en gemaakt met de machines en de stoffen die door [A] zijn betaald. Er was geen sprake van een opdrachtovereenkomst voor het maken van de patronen tussen [C] en [A]. Hij heeft aldus voor zichzelf de zaken gevormd, uit of mede uit één of meer hem niet toebehorende roerende zaken en is daarom door middel van zaaksvorming ex. art. 5:16 lid 2 BW eigenaar geworden van de patronen. Dat [C] de patronen voor zichzelf heeft gemaakt blijkt tevens uit het feit dat de uiteindelijke collectie het label designed by “[C]” (productie 3) zou gaan dragen.

9. Gezien de internationale naamsbekendheid die [C] geniet zal de waarde van de gebruikte materialen die van de vorming niet in aanmerkelijke mate overtreffen. Het was [A] niet toegestaan om de patronen zonder toestemming van [C] weg te nemen uit zijn woning, nu hem de patronen in eigendom toebehoren.

2.7. Ingevolge het proces-verbaal van de deurwaarder van 18 september 2012 zijn nagenoemde goederen in gerechtelijke bewaring gegeven:

- de totale toile collectie (ruw katoen), inclusief papier, stof garen;

- diverse patronen van kledingontwerpen;

- 3 etalagepoppen, kleur zwart met bijbehorende standaards;

- 8 stofklemmen, zilver kleurig;

- kist met 3 lades, gevuld met pailletten en kralen;

- een bak gevuld met pailletten en kralen;

- houten hoedenkop, vorm om hoeden te maken;

- oranje magnetisch speldenbakje;

- dienblad, donkerbruin;

- vierkant wastafeltje met lade en rekjes, groen;

- schetsen voor kleding;

- boek met alle gegevens voor ontwerpen.

3. De vorderingen

In conventie

3.1. [B] en [A] vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. het gelegde beslag d.d. 18 september 2012 op verzoek van [C] en ten laste van [B] en [A] op te heffen, met veroordeling van [C] om de aan [B] en [A] in eigendom toebehorende goederen, zoals in de dagvaarding nader omschreven en gespecificeerd, per direct terug te geven, althans binnen een zodanige termijn als door de voorzieningenrechter te bepalen, zulks op straffen van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor elke dag dat [C] met die teruggave in gebreke mocht blijven, waarbij het totaal van de te verbeuren dwangsommen wordt gemaximeerd op

€ 25.000,00;

II. [C] te veroordelen in de kosten van deze procedure inclusief de kosten van

daadwerkelijke rechtsbijstand ten bedrage van € 7.752,85.

In reconventie

3.2. [C] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

[B] en [A] te bevelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis mee te werken aan afgifte aan [C] van alle zaken die de deurwaarder op 19 september 2012 in beslag heeft genomen, behoudens de nummers 21 (garen), 22 (garen), 28, 29, 30 (3 lades met pailletten en kralen), 31 (pailletten en kralen), 32 (garen), 48 (garen) en drie paspoppen, zulks door onder andere het geven van toestemming tot vrijgave aan de bewaarnemer, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [B] en [A] hiermee in gebreke blijven, zulks met een maximum van € 5.000,00, met veroordeling van [B] en [A] in de kosten van dit geding.

In voorwaardelijke reconventie:

3.3. Voor zover [B] de hierna te noemen zaken niet vooraf of ten tijde van de zitting aan [C] hebben teruggegeven, [B] en [A] te bevelen binnen 48 uur na betekening van dit vonnis om mee te werken aan afgifte aan [C] van de door hem aan [B] en [A] uitgeleende plakboeken met recensies van vak- en dagbladen over zijn werk, een zilveren oorkonde van Cotton Counsil Internationaal (zwart marmer met zilveren inscriptie), alsmede een houten paspop en standaard, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [B] en [A] hiermee in gebreke blijven, zulks met een maximum van € 5000,00 en [B] en met veroordeling van [B] en [A] in de kosten van dit geding.

4. De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de wijze waarop de beslagen goederen tussen hen zullen worden verdeeld. De vorderingen in conventie (tot opheffing van het beslag) en in (voorwaardelijke) reconventie (afgifte van goederen) zijn daarop door partijen ingetrokken. Zij verzoeken de voorzieningenrechter enkel nog te beslissen over de in conventie en reconventie gevorderde proceskosten. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en (voorwaardelijke) reconventie, zal de voorzieningenrechter de vorderingen gezamenlijk behandelen.

4.2. De voorzieningenrechter overweegt allereerst onvoldoende aanknopingspunten te zien in de door [B] en [A] gevorderde daadwerkelijke proceskostenveroordeling (ex artikel 1019h Rv). [C] heeft aan zijn beslag primair ten grondslag gelegd dat [B] en [A] onrechtmatig hebben gehandeld doordat goederen uit zijn woning zijn gehaald. In het beslagrekest is - ter onderbouwing van de vrees voor verduistering - weliswaar door [C] opgeworpen dat bij hem het vermoeden bestaat dat [B] en [A] voornemens zijn om patronen en schetsen zonder zijn toestemming te gebruiken en te verkopen maar een juridisch inhoudelijke discussie omtrent (een inbreuk op al dan niet aan [C] toekomende) auteursrechten is niet gevoerd.

4.3. Voor een beslissing over de proceskosten dient de voorzieningenrechter zich (alsnog) te buigen over de vraag of het beslag rechtmatig is gelegd en of toewijzing van de aanvankelijk gevorderde opheffing ervan in de rede had gelegen. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt. De opheffing van een beslag kan onder meer worden bevolen indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. De gehele beoordeling kan niet geschieden zonder afweging van de wederzijdse belangen.

4.4. Gesteld noch gebleken is dat vormvoorschriften zijn geschonden of dat het beslag onnodig is gelegd. Wat betreft de summierlijk te blijken ondeugdelijkheid van de gepretendeerde vordering overweegt de voorzieningenrechter dat voorshands niet kan worden geoordeeld dat (zondermeer) sprake is van een onrechtmatig door [C] ten laste van [B] en [A] gelegd beslag. [A] en [B] stellen weliswaar dat de goederen (waar uiteindelijk beslag op is gelegd) op basis van een met [C] gemaakte afspraak uit de woning zijn gehaald, maar [C] heeft het bestaan van deze afspraak gemotiveerd weersproken. De juistheid van de stelling van [B] en [A] kan derhalve niet zonder nader feitelijk onderzoek c.q. nadere bewijsvoering worden vastgesteld. Aangezien een procedure in kort geding zich niet leent voor nadere bewijsvoering, dient de stelling van [B] en [A] te worden gepasseerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan op basis van de thans gepresenteerde feiten en omstandigheden niet worden geoordeeld dat een gerede kans bestaat dat de bodemrechter zal oordelen dat het beslag onrechtmatig is gelegd, althans dat de vordering tot opheffing ervan zondermeer moet worden toegewezen.

Evenwel blijkt uit het verhandelde ter zitting dat een deel van de beslagen goederen in eigendom toebehoren aan [B] en [A] en niet, zoals in het aan het beslag ten grondslag liggende verzoekschrift is verklaard, aan [C]. Toewijzing van tenminste een deel van de gevorderde opheffing van het beslag zou - voor zover dat rust op aan [B] en [A] in eigendom toebehoren goederen - derhalve in de rede hebben gelegen. Dit rechtvaardigt echter niet een proceskostenveroordeling zoals door [B] en [A] gevorderd. Dat geldt evenzeer - voor zover gehandhaafd - voor de in reconventie gevorderde proceskostenveroordeling,

4.5. De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande en in het feit dat partijen hun vorderingen over en weer hebben ingetrokken aanleiding de proceskosten te compenseren aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie en in reconventie

5.1. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.2. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Oostdijk en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2012.?

rh