Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX9276

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-10-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
136002/KG ZA 12-263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Strafrechtelijke ontruiming kraker op grond van art. 551a Sv. Inbreuk huisrecht. Krachtens

8 lid 2 EVRM aan te leggen toets omvat ook proportionaliteit. Onder de gegeven omstandigheden kan de aangekondigde ontruiming de proportionaliteitstoets niet doorstaan. Vordering verbod ontruiming toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/481
AB 2012/351 met annotatie van A.E. Schilder, J.G. Brouwer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 136002 / KG ZA 12-263

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2012

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.A.R. Schuckinck Kool,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te ‘s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.C. Palmboom.

Partijen zullen hierna [A] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de mondelinge behandeling waar partijen en hun advocaten zijn verschenen,

- de pleitnota van mr. Palmboom.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De gemeente Groningen heeft op 15 december 2008 de eigendom van het woonhuis staande en gelegen aan [adres] te [plaats] (gemeente Slochteren) verkregen. De woning is gelegen in een gebied waar de gemeente en/of de Provincie Groningen met diverse private partners hebben beoogd nieuwbouwproject Meerstad te ontwikkelen.

2.2. In artikel 9 lid 2 van de aan de aankoop van de woning ten grondslag liggende koopovereenkomst is bepaald dat de gemeente binnen zes maanden na levering van de woning voor sloop ervan zal zorgdragen.

2.3. Gemeente Groningen heeft alle uitvoerende handelingen met betrekking tot de woning uit handen gegeven aan de Grondexploitatiemaatschappij Bureau Meerstad B.V. (hierna Bureau Meerstad te noemen).

2.4. Ontwikkelingen in de financiële sector hebben de gemeente en provincie Groningen doen besluiten om het project Meerstad te herzien aldus dat het gebied ten noorden van het Slochterdiep buiten de exploitatie van het project zal worden gebracht. De door [A] gekraakte woning is gelegen in dit gebied.

2.5. Uit een notitie van de Gedeputeerde Staten van Groningen volgt dat het Masterplan Meerstad niet is gewijzigd, nu niet kan worden uitgesloten dat het noordelijke gebied alsnog op de beoogde of een vergelijkbare wijze zal worden ontwikkeld.

2.6. [A] heeft de woning gekraakt. De projectleider civiele techniek van Bureau Meerstad heeft op 8 juli 2012 daarvan aangifte gedaan.

2.7. Bij brief van 19 juli 2012 heeft de gemeente Slochteren aan de besloten vennootschap Steenhuis Sloopwerken B.V. bevestigd dat tot sloop van de woning mocht worden overgegaan.

2.8. Op 27 augustus 2012 heeft de Officier van Justitie een brief gestuurd naar de pero(o)n(en) die wonen of vertoeven in de woning, met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

(…) Hierbij wil ik u aankondigen dat ik al degenen die thans wonen of vertoeven in dit pand aanmerk als verdachten terzake overtreding van de artikelen 138, 138a en/of 139 van het wetboek van strafrecht. In ben voornemens om dit pand te ontruimen. Deze ontruiming zal plaatsvinden binnen acht weken na de dagtekening van deze aankondiging, te weten uiterlijk op 22 oktober 2012.

Als u een oordeel van de rechter over deze voorgenomen ontruiming wenst te verkrijgen kunt u een kort geding aanhangig maken. Ik zal de eerste zeven dagen van de termijn van acht weken na heden daarom niet over gaan tot ontruiming. Gedurende die zeven dagen heeft u de gelegenheid een kort geding te starten. (…)

3. Het geschil

3.1. [A] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Staat, en via haar de Officier van Justitie te Groningen, te verbieden op strafrechtelijke gronden tot feitelijke ontruiming van de woning aan het [adres] te [plaats] over te gaan of te doen gaan, waaronder begrepen het verlenen van medewerking aan overhandigen van de woning aan derden dan wel het niet optreden tegen huisvredebreuk jegens [A] gedurende haar afwezigheid, bijvoorbeeld gedurende de tijd dat [A] na aanhouding voor verhoor op een politiebureau verblijven, totdat eventueel in hoogste instantie door de strafrechter bewezen is verklaard dat het verblijf van haar wederrechtelijk is alsmede een individuele belangenafweging is gemaakt ten aanzien van de vraag of de belangen van de Staat bij ontruiming zwaarder wegend zijn dan de belangen van [A] bij voortzetting van haar verblijf.

3.2. [A] heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.

3.2.1. [A] stelt dat de Staat niet tot ontruiming kan overgaan nu een enkele verdenking van overtreding van artikel 138, 138a of 139 Sr. onvoldoende is voor het intreden van de ontruimingsbevoegdheid op grond van artikel 551a Sv en dat van meer dan een dergelijke verdenking in redelijkheid geen sprake is. Uit de wetssystematiek vloeit voort dat de genoemde bevoegdheid pas aanwezig kan worden geacht zodra de wederrechtelijkheid van het verblijf van [A] in de woning vast staat.

3.2.2. Artikel 8 lid 2 EVRM schept volgens [A] voorts de verplichting dat er een voorafgaande rechterlijke toetsingsmogelijkheid dient te zijn. Naast de wederrechtelijkheid van het verblijf in het pand dient de proportionaliteit van de maatregel te worden getoetst door een onafhankelijke rechter. Daarbij dient de Staat aan te tonen dat zij een juiste (individuele) belangenafweging heeft gemaakt. Het vereiste van toetsbaarheid van het voornemen van ontruiming veronderstelt dat het OM in de aankondigingsbrief openheid van zaken geeft over de redenen waarom zij meent dat de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 551a Sv zijn vervuld en over de belangen die bij de te maken belangenafweging zijn betrokken en op welke wijze die zijn gewogen. Het is anders voor de betrokken burger in redelijkheid niet inzichtelijk wat er getoetst kan worden. De plicht van het OM tot het maken van een individuele belangenafweging veronderstelt dat zij actief onderzoekt welke belangen bij deze beslissing een rol spelen en de betrokken burger actief in de gelegenheid stelt om daarbij zijn belangen te presenteren. In dit geval is niet gebleken dat het OM aan de vereiste belangenafweging heeft voldaan.

3.2.3. [A] heeft verder aangevoerd dat de wettelijke regeling van artikel 551a Sv niet voldoet aan het voorzienbaarheidsvereiste. Voorts stelt zij dat een kort geding procedure niet kan worden gezien als een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM en op gespannen voet staat met het non-incriminatiebeginsel en de onschuldpresumptie. Bovendien worden de rechtswaarborgen van rechtspraak in twee feitelijke instanties aan de kant gezet.

3.2.4. [A] is voorts van mening dat de gepubliceerde beleidsregels van het College van procureurs-generaal van 30 november 2010 niet voldoen aan de eisen van artikel 8 lid 2 EVRM en artikel 13 EVRM. In de eerste plaats zijn de regels opgesteld zonder dat de bevoegdheid hiertoe door de formele wetgever is gedelegeerd en in het onderhavige geval is delegatie van wetgeving niet toegestaan. De beleidsregels van het OM zorgen ook inhoudelijk voor onvoldoende waarborgen, aldus [A]. De regels zijn dermate onzorgvuldig en zelfs innerlijk tegenstrijdig dat er niet gesproken kan worden van voorzienbaarheid van de uitvoering. De termijn van een week die de bewoner wordt gegund om een kort geding aanhangig te maken is volgens [A] niet lang genoeg om effectieve rechtsbescherming te bieden, gelet op de voorbereiding die een juridische procedure vergt. Voorts bestaat in het huidige aanzeggingsbeleid onvoldoende zekerheid dat de aanzegging ook daadwerkelijk bij de betrokkene aankomt. De beleidsregels voorzien ten onrechte niet in het vermelden van feiten en omstandigheden die bij het OM kennelijk leiden tot de verdenking van overtreding van artikel 138a Sr en de daaruit voortvloeiende aanzegging tot ontruiming. Ditzelfde geldt voor de door het OM te maken individuele belangenafweging.

3.2.5. Ten slotte dient volgens [A] een materiële belangenafweging plaats te vinden tussen het belang van de Staat bij de mogelijkheid om gebruik te maken van het pand (i.c. de sloop ervan) enerzijds en het belang van het huisrecht van de bewoners anderzijds. Volgens [A] dient de belangenafweging in haar voordeel uit te vallen. [A] stelt dat zij woningbehoeftig is. Volgens [A] heeft de Staat geen enkel belang bij ontruiming nu de woning is gelegen in een deel van het plan Meerstad dat als gevolg van de credietcrisis door de gemeente in de ijskast is geplaatst.

3.3. De Staat heeft het volgende verweer gevoerd.

3.3.1. De Staat voert aan dat voor de uitoefening van de aan politie en het Openbaar Ministerie verleende ontruimingsbevoegdheid van artikel 551a Wetboek van Strafvordering een veroordeling door de strafrechter niet nodig is: grond voor de ontruimingsbevoegdheid vormt de verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 Sr.

3.3.2. [A] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd en evenmin aannemelijk gemaakt dat uitoefening van de ontruimingsbevoegdheid in het onderhavige geval disproportioneel zou zijn. De Staat komt dan ook tot de slotsom dat de aangekondigde ontruiming proportioneel is en de toets van artikel 8 lid 2 van het EVRM kan doorstaan.

3.3.3. Het belang van de Staat is erin gelegen dat zij (althans de gemeente Groningen) tot sloop van de woning kan overgaan. Hiertoe is zij gezien het bepaalde in artikel 9 lid 2 van de koopovereenkomst ten aanzien van de vorige eigenaren ook gehouden. Dat voor het perceel geen bestemming bestaat, zoals [A] stelt, is niet correct. Het adres [adres] maakt deel uit van Plandeel Noord van Meerstad, en zal op termijn weldegelijk worden ontwikkeld. Zelfs indien de gemeente na ontruiming niet onmiddellijk tot ontwikkeling van het terrein zou overgaan, is dat geen bijzondere omstandigheid die zich verzet tegen strafrechtelijke ontruiming. Er hoeft daartoe immers geen spoedeisend belang te bestaan.

3.3.4. Haar belang is er tevens in gelegen een einde te maken aan een strafbare toestand. Bewoners van Meerstad ervaren de leegstaande huizen in het gebied als onplezierig. De aanwezigheid van krakers wordt als onveilig ervaren. Om het gebied aantrekkelijk te maken en te houden wenst de Staat tot sloop over te gaan.

3.3.5. De overige stellingen van de Staat worden - voor zover rechtens relevant - hierna besproken.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter overweegt dat met ingang van 1 oktober 2010 de Leegstandwet in werking is getreden en enige andere wetten in verband met het verder terugdringen van kraken en leegstand. Op grond van deze wetten zijn aan het Wetboek van Strafrecht (Sr) respectievelijk het Wetboek van Strafvordering (Sv), voor zover hier van belang, de volgende bepalingen toegevoegd:

Artikel 138a Sr

Hij die in een woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk binnendringt of wederrechtelijk aldaar vertoeft, wordt, als schuldig aan kraken, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. (…)

Artikel 551a Sv

In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht kan iedere opsporingsambtenaar de desbetreffende plaats betreden. Zij zijn bevoegd alle personen die daar wederrechtelijk vertoeven, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of doen verwijderen.

4.2. Op 28 oktober 2011 heeft de Hoge Raad in een uitspraak met betrekking tot de bovengenoemde wetsbepalingen (LJN: BQ9880) overwogen dat de totstandkomingsgeschiedenis ervan duidelijk maakt dat de wetgever heeft beoogd de voorheen bestaande praktijk van strafrechtelijke ontruimingen op grond van verdenking van artikel 138 of artikel 429sexies Sr te kunnen continueren door ontruimingen op strafvorderlijke titel van een wettelijke basis te voorzien. De Hoge Raad heeft daarbij geoordeeld dat voor de uitoefening van de aldus aan politie en OM verleende ontruimingsbevoegdheid van artikel 551a Sv een (al dan niet onherroepelijke) veroordeling door de strafrechter niet noodzakelijk is.

4.3. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat uit rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens moet worden afgeleid dat het gedwongen verlies van iemands huis de meest vergaande vorm van inmenging in de uitoefening van het huisrecht is en dat een ieder die het risico loopt op een dergelijke ernstige inmenging, in beginsel de mogelijkheid moet hebben de proportionaliteit van de maatregelen te laten toetsen door de rechter voordat de ontruiming wordt geëffectueerd. Dit is in overeenstemming met artikel 13 EVRM, dat een effectief rechtsmiddel vereist waarmee een niet-omkeerbare inbreuk op bepaalde mensenrechten kan worden voorkomen. Ontruiming kan daarom naar het oordeel van de Hoge Raad slechts plaatsvinden nadat de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van de ontruiming een uitspraak heeft kunnen doen, doch het OM hoeft daarbij niet de uitkomst van een eventueel tegen die uitspraak ingesteld hoger beroep af te wachten.

4.4. Met ingang van 1 december 2010 heeft het OM een voorlopige beleidsregel Kraken vastgesteld. Voor zover relevant luidt het beleid als volgt:

Uitgangspunt

Het kraakverbod, dat vanaf 1 oktober 2010 van kracht is, zal door politie en Openbaar Ministerie onverkort worden gehandhaafd. Krakers weten dat zij zich schuldig maken aan een strafbaar feit (overtreding van artikel 138, 138a of 139 Sr) en dat zij derhalve rekening dienen te houden met ontruiming van het door hen gekraakte pand. Kraker hebben de mogelijkheid om tegen een voorgenomen ontruiming een kort geding aan te spannen. Rekening houdend met het arrest van het Gerechtshof Den Haag, is besloten dat ontruimingen op basis van artikel 551a Sv in beginsel aan de bewoners van een kraakpand worden aangekondigd en dat in beginsel zal worden gewacht met ontruimen totdat de voorzieningenrechter zich over een voorgenomen ontruiming heeft uigelaten, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, die hierna nader worden beschreven.

Aankondiging en kort geding

Een ontruiming wordt door of namens het Openbaar Ministerie schriftelijk bij de bewoners van het te ontruimen pand aangekondigd, tenzij sprake is van de hieronder genoemde uitzonderingsgevallen. In de aankondiging wordt vermeld dat de ontruiming zal plaatsvinden binnen acht weken na de aankondiging (…), maar niet binnen de eerste zeven dagen van die termijn, teneinde de krakers in de gelegenheid te stellen binnen die zeven dagen een kort geding aanhangig te maken door middel van het uitbrengen van een dagvaarding tegen de Staat met daarin een datum en tijd van behandeling.(…)

4.5. In zijn arrest van 28 oktober 2011 heeft de Hoge Raad overwogen dat het bovengenoemde beleid van het OM voldoende rechtsbescherming biedt in het licht van de vereisten van artikel 8 lid 2 EVRM en artikel 13 EVRM. De voorzieningenrechter neemt over deze conclusie van de Hoge Raad en overweegt dat de Staat in overeenstemming met het geformuleerde beleid heeft gehandeld, door [A] bij schrijven van 27 oktober 2011 zeven dagen de gelegenheid te geven om een kort geding aanhangig te maken. Vervolgens heeft [A] tijdig het onderhavige geding aangespannen.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de voorzieningenrechter in de onderhavige procedure naast de wederrechtelijkheid tevens heeft te toetsen of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang van het belang van de openbare orde en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker, in de concrete omstandigheden van het geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Daarbij is het aan [A] om te stellen en voldoende aannemelijk te maken dat haar belang in het onderhavige geval zwaarder moet wegen dan het reguliere belang van de Staat om aan een strafbare toestand, in het belang van de eigenaar, een einde te maken.

4.7. Niet betwist is dat het verblijf van [A] in de woning wederrechtelijk is; onweersproken is immers dat zij zonder recht of titel in de woning verblijft. De voorzieningenrechter komt daarom toe aan de vraag of de beoogde ontruiming van het pand door het OM de proportionaliteitstoets kan doorstaan.

4.8. De Staat voert aan dat haar belang erin is gelegen dat spoedig tot sloop van de woning kan worden overgaan. Zij is daar - zo voert zij aan - op grond van artikel 9 lid 2 van de koopovereenkomst ook toe gehouden. Het adres [adres] maakt deel uit van Plandeel Noord van Meerstad, en zal op termijn weldegelijk worden ontwikkeld. De Staat heeft voorts aangevoerd dat haar belang er tevens in is gelegen om een einde te maken aan een strafbare toestand en dat bewoners van Meerstad de leegstaande huizen in het gebied als onplezierig ervaren. De aanwezigheid van krakers wordt als onveilig ervaren. Om het gebied aantrekkelijk te maken en te houden wenst de Staat tot sloop over te gaan.

4.9. [A] heeft daartegen ingebracht dat de woning is gelegen in Plandeel Noord van het project Meerstad en dit deel van het gebied buiten de exploitatie van het project is gebracht. De door de gemeente beoogde sloop van de woning dient thans geen enkel doel. De Staat - zo stelt [A] - heeft in haar verweer weliswaar aangevoerd dat het gebied is bestemd voor ontwikkeling maar onduidelijk is of en op welke termijn een en ander kan worden gerealiseerd. Uit artikel 9 lid 2 van de koopovereenkomst waarop de Staat zich beroept volgt - zo stelt zij voorts - niet (zondermeer) dat de Staat gehouden is schade te vergoeden indien niet binnen zes maanden na levering tot de sloop van de woning wordt overgegaan. Het gebruik van het pand door [A] is aan te duiden als normaal gebruik.

Van concrete (onderbouwde) overlast door [A] is naar zij stelt geen sprake. Zij heeft goed contact met haar overbuurman. Zij ontkent dat zij een onveilige situatie heeft doen ontstaan.

4.10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het woonrecht van [A] voorshands zwaarder te wegen dan het belang van de Staat bij ontruiming van de woning. De Staat heeft weliswaar toegelicht dat een vergunning voor de sloop is verkregen en het terrein is bestemd voor ontwikkeling maar concrete plannen daartoe zijn in de ijskast gezet. Voorts is niet inzichtelijk gemaakt of en op welke termijn tot exploitatie van het gebied zal worden overgegaan. Dat de Staat bij het niet nakomen van haar contractuele verplichtingen - sloop van de woning binnen zes maanden na levering (artikel 9 van de koopovereenkomst) - met nadelige rechtsgevolgen zal worden geconfronteerd is naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin aannemelijk gemaakt. De stelling van de Staat dat omwonenden hebben geklaagd over een onveilig gevoel door de aanwezigheid van [A] in de woning is niet onderbouwd met redegevende stukken. Het door de Staat gevoerde verweer dat de sloop ter voorkoming van leegstand en verloedering moet worden doorgezet is onbegrijpelijk nu het bewuste pand juist door [A] wordt bewoond. Onder de gegeven omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aangekondigde ontruiming de proportionaliteitstoets niet kan doorstaan. De vordering van [A] zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum omschreven.

4.11. De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- griffierecht € 267,00

- explootkosten 90,64

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.173,64

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. gelast de Staat zich te onthouden van de op 27 augustus 2012 aangekondigde strafrechtelijke ontruiming van de woning staande en gelegen aan het [adres] te [plaats],

5.2. veroordeelt de Staat in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 1.173,64,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B.M. Keurentjes en in het openbaar uitgesproken op

5 oktober 2012.?