Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX7924

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
135238 - KG ZA 12-209
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

'Eiseres vordert verwijdering van een artikel uit het digitale archief van de Universiteitskrant te Groningen.

De afweging tussen enerzijds het door UK bepleite publieke belang van vrije nieuwsgaring en volledige archivering daarvan en anderzijds het private belang van eiseres bij bescherming van haar eer en goede naam leidt tot het oordeel dat het belang van de UK prevaleert.'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 135238 / KG ZA 12-209

Vonnis in kort geding van 14 september 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. N. Hollander,

tegen

de stichting

STICHTING UNIVERSITEITSBLAD GRONINGEN,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

advocaat mr. V.J.M. Verlinden-Masson.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de mondelinge behandeling d.d. 31 augustus 2012;

- de pleitnota van eiseres

- de pleitnota van gedaagde.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Eiseres is voorzitter van het bestuur van de Stichting Rechten Academie (hierna: de Rechten Academie), gevestigd te 's-Gravenhage.

Deze stichting presenteert zichzelf en werft via de site [naam]

In het register van de Kamer van Koophandel staat als activiteit van de stichting vermeld:

"Het financieren van promotieonderzoeken voor studenten die een universitaire rechtenstudie volgen; Rechtenstudenten bekend maken met de rechtspraktijk."

De stichting is actief sinds januari 2011 en beoogt rechtenstudenten de mogelijkheid te bieden om naast hun studie praktische ervaring op te doen. De opzet is dat de aan de stichting verbonden rechtenstudenten rechtsbijstand verlenen aan rechtszoekenden tegen een laag tarief.

Op 19 mei 2011 heeft gedaagde in de door haar uitgebrachte Universiteitskrant (UK) een artikel geplaatst over de Rechten Academie, en over eiseres.

Daarin is het volgende vermeld, onder de kop "Rechten Academie blundert":

'De Stichting Rechten Academie, gerund door meerdere RUG-studenten, probeert onder valse voorwendselen studenten te werven en advocatenkantoren aan zich te binden. Via advertenties op Nestor probeert de Rechten Academie in contact te komen met RUG-studenten.

De Rechten Academie zegt rechtsbijstand te geven en wil studenten de mogelijkheid bieden om werkervaring bij ze op te doen. In advertenties op Nestor en op de website rechtenacademie.nl worden de medewerkers 'juridische professionals' genoemd. In

werkelijkheid zijn het rechtenstudenten. De Rechten Academie schrijft ook dat ze ondersteund wordt door en verbonden is met advocatenkantoren De Haan Advocaten en Hanze advocaat, "waarmee studenten van het practicum nauwe contacten hebben".

Beide kantoren ontkennen samenwerking.

Advocaten:

'We zijn niet met ze verbonden en werken ook niet nauw samen'

De advocatenkantoren hebben wel contact gehad met oprichtster [e[eiseres] van de Rechten Academie. "Maar", zegt studentbegeleider en advocaat [de man] van De Haan Advocaten, "we zijn zeker niet verbonden en werken ook niet nauw samen met ze."

Volgens secretaresse [me[medewerker] van De Haan Advocaten, die meerdere malen contact heeft gehad met [eiseres], ging het contact vooral over de logo's van De Haan. Uit de mails tussen beiden blijkt dat Stichting Rechten Academie daarmee reclame voor het kantoor wilde maken.

Het logo van De Haan zou geplaatst worden op reclamefolders en websites. [medewerker]: "Maar dat zij zeggen dat wij verbonden zijn en nauwe contacten hebben, nee, daarvoor heb ik nooit akkoord gegeven. Ze benaderen ons wekelijks, bijna dagelijks. Ik vind ze toch een beetje dominant."

Uit de mailuitwisseling blijkt ook dat [eiseres] claimt onderdeel van de RUG te zijn. Bij de vakgroep Privaatrecht hebben ze wel contact gehad met de stichting, maar besloten niet met de Rechten Academie in zee te gaan. Secretaresse [medewerker] "We kregen de indruk dat het niet helemaal klopte. [eiseres] zegt in haar mail dat de RUG heel enthousiast is over het project. Daar hebben wij nooit iets van vernomen."

[eiseres] heeft de website rechtenacademie.nl in allerijl aangepast. De verwijzingen naar verbondenheid en nauwe contacten met beide advocatenkantoren zijn verwijderd en de termen 'juridische professionals' en 'jonge, scherpe en gedisciplineerde juristen' zijn vervangen door 'juridische medewerkers en 'studenten'.

Ook Nestorsupport van de faculteit Rechten heeft inmiddels een spoedmail gekregen van de Rechten Academie met het verzoek de advertentie te wijzigen. Ook zijn de namen van de advocatenkantoren weggehaald.

[eiseres] wil geen commentaar geven. Ze kwam eerder in opspraak toen ze in 2007 werd beschuldigd van plagiaat. Ze had een artikel over eerwraak in een nummer van [naam], het blad van de Groninger Studentenbond, nagenoeg letterlijk overgeschreven uit een rapport uit 2003.'

Eiseres heeft gedaagde meermalen, voor het eerst bij brief van 6 juni 2011, verzocht het artikel van de site van gedaagde te (doen) verwijderen , althans het artikel te "ontgoogelen", omdat daarin onjuistheden zouden staan.

In januari 2012 heeft gedaagde -naar haar stelling onverplicht (in verband met de vernieuwing van haar site)- het artikel (vervroegd) van haar site verwijderd.

Gedaagde heeft tot op heden geweigerd het artikel uit het digitale archief www.isuu.com te (doen) verwijderen.

Het geschil

De vordering van eiseres strekt ertoe:

1. gedaagde te gebieden om, binnen een termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis, ervoor zorg te dragen dat het als productie 2 aan de onderhavige dagvaarding gehechte artikel van de website [naam] wordt verwijderd en verwijderd zal blijven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom aan eiseres van € 2.500,00 per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

2. gedaagde te gebieden om, binnen een termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis, ervoor zorg te dragen dat het als productie 2 aan de onderhavige dagvaarding gehechte artikel niet langer gevonden kan worden via de zoekresultaten van Google, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom aan eiseres van

€ 2.500,00 per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

3. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Gedaagde heeft verweer gevoerd.

De beoordeling

Als meest verstrekkend verweer heeft gedaagde aangevoerd dat de dagvaarding door eiseres in persoon is uitgebracht en niet door de Rechten Academie, terwijl een groot deel van de stellingen in de dagvaarding betrekking heeft op de Rechten Academie en niet op de positie van eiseres in persoon. Naar gedaagde heeft aangevoerd kunnen en moeten die stellingen (die betrekking hebben op de Rechten Academie) in de onderhavige beoordeling buiten beschouwing worden gelaten aangezien eiseres als persoon daarbij geen belang heeft, noch bij de daarop ten behoeve van de Rechten Academie gebaseerde vorderingen.

De voorzieningenrechter volgt gedaagde in dit verweer en stelt vast dat uitsluitend eiseres in persoon als procespartij is aan te merken, zodat slechts rekening zal worden gehouden met de voor haar van belang zijnde stellingen en vorderingen.

De voorzieningenrechter constateert dat het gewraakte artikel met name betrekking heeft op de Rechten Academie en dat slechts de laatste 2 zinnen daarvan betrekking hebben op eiseres in persoon. De voorzieningenrechter is gelet daarop dan ook van oordeel dat eiseres in persoon slechts belang heeft bij verwijdering van die laatste passage van het artikel en niet - zoals gevorderd - bij de verwijdering van het gehele artikel. Dat eiseres enig bestuurder is van de Rechten Academie maakt dit niet anders.

Daarom zal de vordering, voor zover deze verder strekt dan verwijdering van de laatste twee zinnen van het gewraakte artikel, bij gebrek aan (voldoende) belang aan de zijde van eiseres in persoon worden afgewezen.

Aldus staat centraal de vraag of gedaagde gehouden is de passage

"Ze kwam eerder in opspraak toen ze in 2007 werd beschuldigd van plagiaat. Ze had een artikel over eerwraak in een nummer van [naam], het blad van de Groninger Studentenbond, nagenoeg letterlijk overgeschreven uit een rapport uit 2003.'

uit het online-archief van [naam] te (doen) verwijderen.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

De vordering van eiseres tot verwijdering van deze passage staat haaks op het in artikel 10 lid 1 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting; een grondrecht dat slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden beperkt. Beoordeeld dient te worden of thans aanleiding bestaat voor zo'n "censuur".

In de onderhavige casus zou het publicatierecht van gedaagde kunnen worden beperkt wanneer het gewraakte artikel aantoonbaar onjuistheden bevat, dan wel op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en in die zin onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW.

Maar ook kan de op zichzelf rechtmatige publicatie van gedaagde zozeer botsen met het grondrecht van eiseres op eerbiediging van haar eer en goede naam, dat het in haar archief en op internet geplaatst houden van dit artikel alsnog als onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW is aan te merken. Daarbij dient een belangenafweging te worden gemaakt die met inachtneming van alle bijzonderheden omstandigheden van het geval ertoe strekt na te gaan welke van beide hier tegenover elkaar staande fundamentele rechten

- enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting aan de zijde van gedaagde en anderzijds het recht op bescherming van eer en goede naam aan de zijde van eiseres - in dit geval zwaarder weegt.

Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat in het gewraakte artikel een groot aantal onjuistheden en onwaarheden is opgenomen. Zo wordt onder meer gesteld dat eiseres in 2007 in opspraak zou zijn geraakt ten gevolge van een beschuldiging van plagiaat omdat eiseres een artikel over eerwraak nagenoeg letterlijk zou hebben overgeschreven uit een rapport uit 2003. Deze en overige stellingen in het artikel berusten niet op de waarheid, terwijl de eer en goede naam van eiseres, alsmede die van de Rechten Academie, door deze publicatie ernstig worden geschaad, aldus eiseres.

Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter evenwel niet gebleken dat de hiervoor geciteerde passage uit het artikel dat betrekking heeft op eiseres in persoon, onjuistheden bevat. Evenmin is de voorzieningenrechter gebleken dat daarbij gegevens als feiten zijn gepresenteerd terwijl daarover redelijkerwijs twijfel zou kunnen bestaan (vgl. Hof Amsterdam 30 november 2010, LJN BO 5417).

Vaststaat immers dat eiseres in 2007 in opspraak is geweest wegens een beschuldiging van plagiaat. Vast staat ook dat deze opspraak werd veroorzaakt doordat in het blad van de Groninger Studentenbond [naam] een artikel over eerwraak was gepubliceerd op naam van eiseres, welk artikel identiek bleek te zijn aan een rapport van TransAct uit 2003 "Eerwraak in Nederland: een quickscan van de stand van zaken.", zonder dat sprake was van bronvermelding.

Eiseres heeft zowel in een interview met een redacteur van de UK (gepubliceerd in de UK d.d. 6 september 2007 en overgelegd door gedaagde als productie 2) als thans ter zitting erkend dat haar publicatie geheel overeenkomt met het rapport uit 2003. Zij stelt evenwel dat niet sprake is van "overschrijven", maar dat het rapport bij wijze van citaat onbedoeld integraal in haar artikel is terechtgekomen, waaronder zij haar eigen naam heeft vermeld, dan wel dat zij per ongeluk het verkeerde bestand voor publicatie heeft ingezonden.

Nog daargelaten dat niet is gebleken dat eiseres de verkeerde publicatie eigener beweging heeft gecorrigeerd, kan uit deze eigen stelling van eiseres naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat de desbetreffende passage uit het gewraakte artikel onjuistheden bevat. Die stelling houdt integendeel een erkenning in van hetgeen door de UK als feit is gepresenteerd. Dat het overnemen van (een deel van) het rapport uit 2003

-volgens eiseres- per ongeluk is gebeurd, maakt dit niet anders.

Opmerkelijk is in dit verband dat eiseres zich niet heeft ingespannen haar fout of die van gedaagde publiekelijk -bijvoorbeeld als ingezonden brief- te corrigeren, maar zich steeds tegenover gedaagde en thans in rechte uitsluitend heeft beroepen op de nadelige gevolgen van een en ander voor haar toekomst.

Gelet op het vorenoverwogene bevat de gewraakte passage naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen onjuistheden, althans niet zodanige onjuistheden dat dit onrechtmatigheid in de zin van artikel 6: 162 BW oplevert.

Dit geldt ook voor het opnemen van de passage in het gewraakte artikel als zodanig.

Hoewel de toon van de passage scherp kan worden genoemd en het betreffende incident al enigszins gedateerd; niet kan worden aangenomen dat verwijzing daarnaar in de gegeven omstandigheden zonder doel en mitsdien onnodig beschadigend was.

Voor zover eiseres heeft gesteld dat gedaagde vóór het plaatsen van het gewraakte artikel eiseres niet in de gelegenheid heeft gesteld daarop te reageren, wordt dit gelogenstraft door een overgelegde conceptdagvaarding van de zijde van eiseres waarin telefonisch contact tussen partijen voorafgaand aan de publicatie van het artikel wordt bevestigd. Ook uit de overgelegde mailwisseling tussen de Rechten Academie en mr. Landstra van Hanze Advocaat blijkt dat eiseres in staat is gesteld te reageren. Dat eiseres niet vooraf het gehele artikel voorgelegd heeft gekregen, maakt dat niet anders.

Voorts is aan de orde de beoordeling van de vraag of het in het (digitale) archief en op internet geplaatst houden van het artikel, althans de laatste passage daarvan, jegens eiseres als onrechtmatig is aan te merken.

Bij de afweging van de wederzijdse belangen wordt voorop gesteld dat de voorzieningenrechter - gelet op het voorgaande - uitgaat van de rechtmatigheid van het artikel. Maar ook bij rechtmatige publicaties kunnen, door internet en zoekmachines als Google, de gevolgen daarvan nog langdurig zijn nadelige effecten hebben voor de betrokken personen. Zoals reeds in rechtsoverweging 4.3. overwogen, kan daarmee het grondrecht op bescherming van eer en goede naam zozeer in de verdrukking komen dat overwogen moet worden of het belang van langdurige (digitale) archivering van zo'n publicatie daarvoor onder bijzondere omstandigheden zou moeten wijken.

UK heeft aangevoerd dat -conform beleid- artikelen twee jaar online blijven op haar eigen web-site en daarna worden verwijderd. In verband met een vernieuwing van de site, heeft UK onverplicht het gewraakte artikel vervroegd van haar site verwijderd, zodat partijen daarover niet (langer) twisten. De artikelen worden echter wel bewaard in het online archief [naam] . Niet alleen hecht UK aan een complete archivering van haar publicaties, ook wijst zij op de omstandigheid dat selectief schrappen van passages niet mogelijk is, omdat archivering plaats heeft in de vorm van een flash-versie (een integrale digitale copie).

Bij de afweging tussen enerzijds het door UK bepleite publieke belang van vrije nieuwsgaring en volledige archivering daarvan en anderzijds het private belang van eiseres bij bescherming van haar eer en goede naam, sluit de voorzieningenrechter aan bij hetgeen de voorzieningenrechter te Amsterdam in een uitspraak van 31 maart 2010 heeft overwogen:

"(...) de samenleving moet kunnen vertrouwen op een volledige en integere (online) archivering. Media hebben bij het dienen van dit publieke belang een belangrijke taak. De pers heeft namelijk de primaire rol van publieke waakhond, maar een belangrijke secundaire functie is het beschikbaar maken van nieuws in archieven. Daarmee is een verplichting tot het verwijderen van artikelen, die op zichzelf rechtmatig zijn, uitsluitend vanwege een negatieve lading, niet goed te verenigen. De archivering zou dan geen betrouwbare getuigenis van het verleden meer vormen. " (LJN:BM4462).

Aldus komt de voorzieningenrechter tot het oordeel, dat alle belangen afwegend, het belang van eiseres bij bescherming van haar eer en goede naam niet opweegt tegen het recht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van de integrale archivering daarvan.

Dat de hoofdredacteur van de UK zou hebben toegezegd alle links te verwijderen

- zoals eiseres heeft aangevoerd - en dat daaronder ook het verwijderen van het artikel uit het digitale archief moet worden begrepen, acht de voorzieningenrechter in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan geen verdere betekenis wordt toegekend.

Gezien het voorgaande wordt het in haar archief en op internet geplaatst houden van het artikel, althans de gewraakte passage over eiseres door de UK niet onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW geacht. De vorderingen van eiseres worden dan ook afgewezen. Hierbij laat de voorzieningenrechter overigens nog in het midden of gedaagde in staat zou zijn te voldoen aan hetgeen onder 2 is gevorderd.

Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af,

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 1.391,00,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Oostdijk en in het openbaar uitgesproken op

14 september 2012.?

type:

coll:

??

??

7

135238 / KG ZA 12-209

14 september 2012