Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX7815

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
Awb 12-814 & Awb 12-855
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekers hebben gevraagd om schorsing van de omgevingsvergunning voor de vestiging van een coffeeshop.

De voorzieningenrechter geeft het voorlopige oordeel dat de toepasselijke wettelijke bepalingen juist zijn toegepast.

Vervolgens komt aan de orde of het gemeentelijk beleid voor de locatie van een coffeeshop goed is toegepast. De voorzieningenrechter stelt vast dat voldaan wordt aan het criterium dat de coffeeshop niet gevestigd wordt in een woonwijk en aan het criterium dat de coffeeshop minimaal 250 meter verwijderd is van scholen en winkelcentra.

Uit de inlichtingen die kort vóór en tijdens de zitting zijn gegeven, leidt de voorzieningenrechter verder af dat ook aan het criterium zal worden voldaan dat een coffeeshop alleen gevestigd mag worden in een pand dat voldoet aan de inrichtingseisen voor horecabedrijven.

Dan blijft over de vraag of wordt voldaan aan het criterium dat een coffeeshop alleen gevestigd kan worden in een pand met horecabestemming. Volgens het bestemmingsplan heeft het perceel deze bestemming niet, maar het college van burgemeester en wethouders stelt dat dit is opgelost doordat middels de omgevingsvergunning van het bestemmingsplan is afgeweken.

De voorzieningenrechter overweegt dat het college van B&W de wettelijke bevoegdheid heeft om van het bestemmingsplan af te wijken. Het is echter de vraag of het college van B&W dan nog wel handelt overeenkomstig het gemeentelijk beleid en zo nee, of deze afwijking gerechtvaardigd wordt door bijzondere omstandigheden.

De voorzieningenrechter acht deze vraag dermate complex en van zo principiële aard, dat zij beantwoord dient te worden in een bodemprocedure en niet in een spoedprocedure.

De vraag of in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure een voorlopige voorziening moet worden getroffen, beantwoordt de voorzieningenrechter negatief. De maatschappelijke onrust is begrijpelijk, maar het is voorstelbaar dat de situatie rond de coffeeshop binnenkort aanvaardbaar zal blijken te zijn. Een schorsing van de omgevingsvergunning zou betekenen dat de coffeeshophouder gedurende enkele maanden zijn bedrijf niet kan voeren. Dit belang heeft meer gewicht en daarom wordt de omgevingsvergunning niet geschorst.

Gezien het samenhangende karakter, wordt ook het verzoek om schorsing van de gedoogverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: Awb 12/814

Awb 12/855

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 september 2012 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaak tussen

***,

***,

en 26 andere bedrijven, allen gevestigd op bedrijventerrein Farmsumerpoort te Delfzijl,

***,

***,

beide gevestigd te Farmsum, gemeente Delfzijl,

***,

***,

en 28 andere personen, allen wonende te Farmsum, gemeente Delfzijl,

verzoekers

(gemachtigde: mr. W.J.Th. Bustin),

en

het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl,

verweerder 1,

de burgemeester van Delfzijl,

verweerder 2

(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: ***, wonende te Delfzijl,

vergunninghouder

(gemachtigde: mr. C.F.M. Jungerman).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2011 heeft verweerder 1 geweigerd aan vergunninghouder een omgevingsvergunning te verlenen voor de vestiging van een coffeeshop op het perceel *** te Farmsum.

Bij besluit van 19 juli 2012 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder 1 het bezwaar van vergunninghouder gegrond verklaard. Verweerder 1 heeft daarbij het besluit van 13 december 2011 herroepen en beslist aan vergunninghouder een omgevingsvergunning te verlenen voor de vestiging van een coffeeshop op het perceel *** te Farmsum.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd als Awb 12/814.

Bij besluit van 4 juli 2012 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder 2 aan vergunninghouder een gedoogverklaring afgegeven voor één jaar voor de exploitatie van een coffeeshop aan de *** te Farmsum.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd als Awb 12/855.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2012. Verzoekers ***, *** en *** zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door ***.

Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Vergunninghouder exploiteerde vanaf 2002 onder de naam *** een coffeeshop op het adres *** te Delfzijl. In verband met de opening per september 2012 van de ***school op een afstand van minder dan 250 meter van dit adres, diende de coffeeshop op deze plek te sluiten. Vanaf juli 2010 hebben vergunninghouder en verweerders gesprekken gevoerd over een nieuwe locatie voor de coffeeshop.

3. Anders dan verweerders hebben betoogd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan het vereiste van spoedeisend belang. Omdat verweerder 1 in eerste instantie de aanvraag om een omgevingsvergunning had afgewezen, is de verlening die bij bestreden besluit 1 alsnog is geschied, voor verzoekers onverwacht gekomen. Bovendien vond deze verlening relatief kort plaats voordat, per 1 september 2012, de coffeeshop geopend is op de nieuwe locatie. Relevant is verder dat er klaarblijkelijk incidenten betreffende de openbare orde zijn geweest die kunnen samenhangen met de komst van de coffeeshop. Onder zulke omstandigheden, die mogelijk ingrijpend zijn voor de omgeving, is het maatschappelijk gewenst dat belanghebbenden de zaak op korte termijn aan de rechter kunnen voorleggen.

4.1. Verzoekers stellen dat de omgevingsvergunning, gezien de wettelijke bepalingen, niet verleend had kunnen worden zonder verklaring van geen bedenkingen van de gemeente raad.

4.2. Verweerder 1 heeft gemotiveerd gesteld dat voor de nu verleende omgevingsvergunning een dergelijke verklaring van geen bedenkingen niet voorgeschreven is.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt dat de omgevingsvergunning is verleend voor planologisch gebruik dat strijdig is met het bestemmingsplan ‘Farmsumerpoort’. Verweerder 1 heeft deze vergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder b en ten tweede van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omdat het een bij algemene maatregel van bestuur (amvb) aangewezen geval betreft. De amvb in kwestie is het Besluit omgevingsrecht (Bor). Uit artikel 6.5, eerste lid, van het Bor blijkt dat een verklaring van geen bedenkingen slechts vereist is als de aanvraag tot gebruik in afwijking van het bestemmingsplan betrekking heeft op een activiteit op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a en ten derde van de Wabo. Omdat verweerder het besluit niet heeft gebaseerd op het laatstgenoemde onderdeel van het artikel, is voor de omgevingsvergunning die nu voorligt geen verklaring van geen bedenkingen vereist.

5.1. De omgevingsvergunning voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan is verleend met toepassing van artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II van het Bor, waarvoor de eisen gelden dat het gebruik plaatsvindt binnen de bebouwde kom en dat de gebruikte oppervlakte niet meer is dan 1500 m². Verzoekers betogen dat het perceel een oppervlakte heeft van 3125 m² en dat daarmee dus de maximale toegestane oppervlakte is overschreden. De gronden mogen niet gebruikt worden in dienst van de coffeeshop.

5.2. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerders gesteld dat het strijdig gebruik een deel van het gebouw op het perceel *** te Farmsum betreft dat een oppervlakte van ongeveer 150 m² heeft. Ook heeft de gemachtigde gesteld dat de gronden niet strijdig worden gebruikt.

5.3. De voorzieningenrechter acht het voldoende duidelijk dat het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan uitsluitend betreft het gebruik van het bedrijfspand, aanwezig op het perceel, als coffeeshop en dat de daartoe gebruikte oppervlakte aanzienlijk minder is dan 1500 m². Verder is in artikel 7, eerste lid, van het bestemmingsplan ‘Farmsumerpoort’ onder meer opgenomen dat de gronden bestemd zijn voor bepaalde categorieën bedrijven met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder parkeervoorzieningen. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat op het perceel geparkeerd mag worden ten behoeve van het gebruik, ongeacht de vraag of dit gebruik is toegestaan op grond van het bestemmingsplan dan wel op grond van een omgevingsvergunning voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan.

6. Gesteld is dat er onvoldoende parkeerruimte beschikbaar is op het perceel *** te Farmsum. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is echter afdoende aangetoond dat vergunninghouder het gehele perceel *** te Farmsum, dus inclusief parkeerplaatsen, tot zijn beschikking heeft. Gezien de grootte van het perceel is er voldoende parkeergelegenheid. In zoverre is hierin geen grond gelegen om de omgevingsvergunning te weigeren.

Ter zitting heeft verzoeker *** naar voren gebracht dat het is voorgekomen dat zijn bedrijf minder goed toegankelijk was door parkeergedrag van klanten van de coffeeshop. De voorzieningenrechter merkt hierover op dat dergelijke overlast opgelost kan worden op het terrein behorende bij de coffeeshop gezien de daar aanwezige parkeerruimte. Het is aan vergunninghouder, en zo nodig middels toezicht aan verweerders, om in de toekomst parkeeroverlast te voorkomen.

7. De voorzieningenrechter merkt op dat vooralsnog niet is gebleken dat de verkeersveiligheid in het bijzonder door de bestreden besluiten in gevaar is gekomen. Terecht merken verzoekers op dat het gebruik van cannabis de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt, maar voor zover dit zorgt voor een onveiliger verkeerssituatie nabij een coffeeshop, geldt dit evenzeer voor een willekeurige andere locatie of voor de locatie waarop *** voorheen gevestigd was. Langs laatstgenoemde locatie passeerden ook regelmatig fietsers, onder wie minderjarigen. Niet gebleken is dat de risico’s op de huidige locatie groter geacht moeten worden.

8.1. In de notitie Drugsbeleid Gemeente Delfzijl 2010 zijn in paragraaf 3.6 de locatiecriteria voor een coffeeshop opgenomen. Per 1 september 2012 zijn de volgende criteria van toepassing:

• geen vestiging van een coffeeshop in de woonwijken;

• de specifieke locatie van een coffeeshop expliciet toetsen aan de situering ten opzichte van

scholen en winkelcentra: hierbij dient een afstand van minimaal 250 meter tussen de

coffeeshop en de school in acht worden genomen. Om de afstand te bepalen, geldt de reëel

af te leggen afstand te voet over de openbare weg tussen de voordeur van de coffeeshop tot

de hoofdingang van de school en jongerenvoorzieningen;

• uitsluitend vestiging van een coffeeshop in een pand met horecabestemming;

• uitsluitend vestiging van een coffeeshop in een pand dat voldoet aan de inrichtingseisen die gesteld worden aan horecabedrijven.

8.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de eerste twee voorwaarden. Weliswaar ligt aan de andere kant van de ***weg een woonwijk, maar de coffeeshop is gevestigd op het bedrijventerrein Farmsumerpoort. Verder is de afstand tot scholen en winkelcentra groter dan 250 meter en ook groter dan de afstand van 350 meter die waarschijnlijk in de toekomst als norm gaat gelden.

8.3. Verweerders hebben in het verweerschrift van 11 september 2012 gesteld dat bij inspectie van het pand in kwestie, eveneens op 11 september 2012, is gebleken dat wordt voldaan aan de brandveiligheidseisen en dat er geen strijd is met het Bouwbesluit, met uitzondering van minimale afwijkingen, te weten een plafond dat één centimeter te laag zou zijn en een plafond dat zes centimeter te laag zou zijn. Ter zitting hebben de gemachtigden van verweerders en vergunninghouder gesteld dat het systeemplafonds betreft die relatief eenvoudig verhoogd kunnen worden tot minimaal de voorgeschreven hoogten. De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze stellingen, zodat hierin geen reden is gelegen voor het treffen van de gevraagde voorziening.

8.4.1. Krachtens het bestemmingsplan ‘Farmsumerpoort’ rust op het perceel *** te Farmsum geen horecabestemming. Verzoekers stellen dat dit betekent dat niet aan het derde criterium van bovengenoemde notitie wordt voldaan. Verweerders stellen daarentegen dat door de verleende omgevingsvergunning aan het perceel feitelijk een horecabestemming is toegekend waardoor wel aan het derde criterium wordt voldaan.

8.4.2. De voorzieningenrechter overweegt dat aan dit criterium extra belang toekomt doordat een ander beleidsstuk van verweerders, de Horecanota 2003, bepaalt dat het horecalocatiebeleid primair wordt bepaald door het bestemmingsplan.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat uit de tekst van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder b en ten tweede van de Wabo, gezien het gebruik van het woord ‘kan’, volgt dat verweerder 1 beoordelingsvrijheid heeft wat betreft verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan. Dit betekent in beginsel dat de rechter slechts mag beoordelen of verweerder in redelijkheid tot de verlening van de omgevingsvergunning heeft kunnen komen. Daarentegen doet zich ook de omstandigheid voor dat die vrijheid, waar het gaat om vestiging van een coffeeshop, deels al is ingevuld door de beleidsregels van de notitie Drugsbeleid Gemeente Delfzijl 2010, vastgesteld door verweerder 2. Dit roept de vraag op of verweerder 1 bevoegd is om, in afwijking van deze beleidsregels, toch tot verlening van de omgevingsvergunning te besluiten. Dit betekent dat het bestreden besluit 1 ook getoetst dient te worden aan artikel 4:84 van de Awb dat voorschrijft dat een bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dit wegens bijzondere omstandigheden onevenredige gevolgen heeft voor belanghebbenden.

8.4.3 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de rechtsvragen die in 8.4.2 worden genoemd, dermate complex en van zo principiële aard, dat zij beantwoord dienen te worden in een bodemprocedure. De voorzieningenrechter zal de vraag of aan het criterium van de horecabestemming is voldaan, daarom niet beantwoorden.

8.4.4. Vervolgens komt aan de orde of in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure een voorlopige voorziening dient te worden getroffen. De voorzieningenrechter ziet daartoe geen aanleiding en overweegt daarbij het volgende.

Zonder af te willen doen aan de overlast zoals verzoekers die ervaren en de algemene ongerustheid die blijkbaar leeft, acht de voorzieningenrechter het goed voorstelbaar dat rond de coffeeshop een aanvaardbare situatie zal ontstaan zodra vergunninghouder gedurende enige tijd de gelegenheid heeft gekregen het gedrag van zijn klanten te reguleren. Het belang van verzoekers bij schorsing van dit besluit blijkt uit wat door en namens hen is aangevoerd met betrekking tot (verwachte) overlast. Ter zitting is dat nog aangevuld in die zin dat men wil voorkomen dat “de loop er in komt”. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is echter de thans aangetoonde overlast beperkt. Bij afweging van de hiervoor weergegeven belangen van verzoekers en de belangen van vergunninghouder om zijn bedrijf te kunnen voortzetten in afwachting van de bodemprocedure kent de voorzieningenrechter groter gewicht toe aan de belangen van vergunninghouder.

9. Op grond van het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek geregistreerd als Awb 12/814 af. Gelet op de samenhang van de twee verzoeken, is er evenmin aanleiding de het verzoek connex aan het bezwaar tegen het bestreden besluit 2, geregistreerd als Awb 12/855, toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst daarom beide verzoeken af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.