Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX7598

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
13-09-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
18/670249-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot afpersing in supermarkt. Beroep op vrijwillige terugtred wordt verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670249-12 (promis)

datum uitspraak: 13 september 2012

op tegenspraak

raadsman: mr. G.W. van der Zee

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [plaats],

thans preventief gedetineerd in de P.I. HvB Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 augustus 2012.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij

op of omstreeks 16 mei 2012

in de gemeente Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld in de aan het Linnaeusplein gevestigde winkel C1000 een

persoon, genaamd [aangever 1], te dwingen tot de afgifte van geld en/of

enig(e) ander(e) goed(eren) van verdachtes gading, in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar] of het winkelbedrijf C1000,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

met voormeld oogmerk,

waarbij verdachte een (eigen gefabriceerde) bivakmuts over het gezicht/hoofd

droeg, althans waarbij verdachte vermomd of met onherkenbaar of moeilijk

herkenbaar gemaakt gelaat was, en/of waarbij verdachte een geladen pistool in

een hand hield,

genoemde winkel is binnengegaan en/of in die winkel die [aangever 1] heeft

vastgepakt en/of genoemd wapen tegen een slaap, althans het hoofd, van die

[aangever 1] heeft gezet of gedrukt of gehouden en/of (daarbij) de woorden heeft

geuit: "Ik wil nu geld zien, breng me naar de kluis anders knal ik je kop

eraf", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

(vervolgens) dat wapen in/tegen de rug van die [aangever 1] heeft gezet of gedrukt

of gehouden en/of (daarbij) genoemde [aangever 1] in genoemde winkel richting

kantoor heeft geduwd en/of (daarbij) meermalen, althans eenmaal, de woorden

heeft geuit: "Ik wil nu geld zien, breng me naar de kluis", althans woorden

van gelijke aard en/of strekking, en/of genoemd wapen heeft gericht op,

althans gehouden in de richting van, een kassabediende, genaamd [getuige 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

EN/OF

hij

op of omstreeks 16 mei 2012

in de gemeente Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in de aan het

Linnaeusplein gevestigde winkel C1000 met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen geld en/of enig(e) ander(e) goed(eren) van verdachtes

gading, geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar] of het winkelbedrijf

C1000, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die

voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te

doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1], te

plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

met voormeld oogmerk,

waarbij verdachte een (eigen gefabriceerde) bivakmuts over het gezicht/hoofd

droeg, althans waarbij verdachte vermomd of met onherkenbaar of moeilijk

herkenbaar gemaakt gelaat was, en/of waarbij verdachte een geladen pistool in

een hand hield,

genoemde winkel is binnengegaan en/of in die winkel die [aangever 1] heeft

vastgepakt en/of genoemd wapen tegen een slaap, althans het hoofd, van die

[aangever 1] heeft gezet of gedrukt of gehouden en/of (daarbij) de woorden heeft

geuit: "Ik wil nu geld zien, breng me naar de kluis anders knal ik je kop

eraf", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

(vervolgens) dat wapen in/tegen de rug van die [aangever 1] heeft gezet of gedrukt

of gehouden en/of (daarbij) genoemde [aangever 1] in genoemde winkel richting

kantoor heeft geduwd en/of (daarbij) meermalen, althans eenmaal, de woorden

heeft geuit: "Ik wil nu geld zien, breng me naar de kluis", althans woorden

van gelijke aard en/of strekking, en/of genoemd wapen heeft gericht op,

althans gehouden in de richting van, een kassabediende, genaamd [getuige 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 16 mei 2012

in de gemeente Groningen

een wapen van categorie III, te weten een pistool (van het merk FN Browning,

kaliber 6.35 mm), en/of munitie van categorie III, te weten twee patronen

(kaliber 6.35 mm),

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie wijst daartoe onder meer op de verklaring van [aangever 1] en de bekennende verklaring van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen in die zin dat sprake is van een poging tot afpersing. De in de tenlastelegging opgenomen zinsnede “anders knal ik je kop eraf” kan niet worden bewezen. Verdachte heeft ontkend dat hij deze woorden heeft gebezigd. Verdachte kan zich niet herinneren dat hij het vuurwapen tevens heeft gericht op [getuige 1].

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, zakelijk weergegeven.

Het onder 1 tenlastegelegde

De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd

Twee uur van tevoren kwam ik op het idee om de overval te plegen. Ik heb van een joggingbroek een bivakmuts gemaakt. De eerste persoon die ik zag, een man, heb ik onder schot gehouden. Het vuurwapen had ik een dag van tevoren al opgehaald om iets te gaan doen. Ik bedreigde de medewerker van de C1000 en ik vroeg hem om geld. De man liep naar het kantoor toe. Toen hij in het kantoor was zag ik alle mensen naar mij kijken. Ik werd toen bang en ik wou zo snel mogelijk weg. Toen rende ik weg. Iemand heeft geprobeerd mij onderuit te schoppen. Ik richtte het pistool toen op hem om hem op afstand te houden. Toen sprongen er mensen op mij.

Een proces-verbaal verhoor d.d. 17 mei 2012, opgenomen op pagina 8 e.v. van dossier nr. 2012048555, d.d. 29 juni 2012 van Regiopolitie Groningen, inhoudende de verklaring van verdachte

Ik heb gisteren geprobeerd de C1000 te overvallen. Ik heb het personeel bedreigd met een vuurwapen. Ik had een vuurwapen meegenomen om de overval te kunnen plegen. Ik had een pijp van een broek geknipt en daar had ik gaten in geknipt voor mijn ogen. Die had ik over mijn hoofd als soort van bivakmuts. Ik had extra kleding aan omdat ik forser wilde lijken. De eerste die ik zag van het personeel vroeg ik om geld. Ik heb hem bedreigd met een vuurwapen. Ik richtte mijn vuurwapen op dat personeelslid. Volgens mij was het een man. Hij liep toen richting een kantoor. Ik hoorde iemand schreeuwen van een sleutel en die gooide hem volgens mij. Toen werd die deur open gedaan door een jongen. Toen raakte ik in paniek. Omdat ik bang was geworden rende ik weg. Tijdens het rennen werd ik geschopt door iemand. Ik raakte hierdoor uit balans. Ik stopte hierdoor met rennen, om in balans te blijven en ik dacht wat gebeurt er vervolgens werd ik door meerdere mensen omsingeld. Ik heb toen nog wel terug gevochten om te ontkomen, maar dit lukte niet.

Een proces-verbaal verhoor d.d. 23 mei 2012, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte

Ik denk dat ik het wapen in de winkel heb doorgeladen. Dat doe je door het bovenste gedeelte naar achteren te trekken. Dan gaat er een kogel in de loop. Om te schieten hoef je alleen de trekker over te halen als je het lef hebt. Die patronen waren donkerbruin, denk ik. Het wapen was echt denk ik...ik heb niet van die kermisballetjes gezien, maar kogels.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 18 mei 2012, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [aangever 2]

Ik ben versmanager/waarnemend bedrijfsleider bij de C1000 welke is gevestigd aan het Linnaeusplein 55 te Groningen en gemachtigd tot het doen van aangifte namens het bedrijf. Ik doe aangifte van poging overval op de C1000 Linnaeusplein 55 te Groningen welke is gepleegd op woensdag 16 mei 2012 omstreeks 20:55 uur.

Ik zag de dader staan met [aangever 1], een medewerker van de C1000. Ik zag dat de dader al struikelend voorbij kwam. De dader viel nog net niet. Ik zag nu ook dat [getuige 3] hierop op de dader dook. Ik zag verder dat er nog drie man ook op deze dader doken. Ik zag nu dat het geweld zich naar buiten verplaatste. Ik zag de dader met vier man op zijn nek. Ik zag dat de dader het pistool nog in zijn hand had. Ik zag dat de vier mannen de dader naar de grond probeerde te drukken. Ik zag dat één van de mannen de dader bij de arm had waar het pistool in zat. Ik zag dat deze man probeerde het pistool afhandig te maken van de dader. Dit lukt hem op een gegeven moment ook. Ik heb toen opdracht gegeven om de rolluiken naar beneden te doen. Hierdoor kon de dader niet meer weg.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 17 mei 2012, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [aangever 1]

"Ik ben als vulploegleider werkzaam bij de supermarkt C1000, gevestigd Linnaeusplein 55 te Groningen. Gisteren, woensdag 16 mei 2012, ben ik daar ook aan het werk geweest.

Omstreeks, 20.55 uur, zag ik dat een man de winkel binnen fietste. Ik zag dat de fietser een muts op zijn hoofd droeg en ik zag dat hij een panty of zo voor/over zijn gezicht droeg. Zowel de muts als de panty was zwart van kleur. Ik zag dat hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in één van zijn handen droeg. Gekomen bij ons pakte hij mij vast bij één van mijn bovenarmen. Ik zie en voel dat hij het wapen tegen mijn rechterslaap drukte. Ik hoorde dat de man zei:" Ik wil nu geld zien, breng me naar de kluis anders knal ik je kop eraf." Ik voelde dat hij mij omdraaide met mijn gezicht richting de kassa's. Ik voelde dat hij het wapen midden op mijn rug zette. Ook hield hij één van mijn bovenarmen vast. De man duwde mij richting het kantoor. Onderweg richting het kantoor bleef de man zijn woorden herhalen."Ik wil nu geld zien, breng me naar de kluis." Ik zag dat direct hierna de man het wapen richtte op [getuige 1]. Ik hoorde dat de man wederom riep:"bel haar dan, bel haar, schiet op", en/of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat de caissière belt, maar ik hoor de caissière zeggen dat de hoofdcaissière niet te bereiken is. Ik hoorde dat de caissière, [naam], zei dat zij de sleutel had. Ik zag dat zij opstond en richting mij liep. Zij overhandigde mij de sleutel. Ik liep met de sleutel richting kantoor met de bedoeling om de deur open te doen. Ik heb vervolgens de deur van het kantoor geopend en ik ben het kantoor binnengegaan. De man liep achter mij aan het kantoor binnen. Achter in het kantoor is weer een ruimte met een deur ervoor. Om deze deur te openen moet je weer de sleutel gebruiken. Ik wist echter niet waar ik de sleutel moest houden om deze deur te laten openen. Ik vertelde de man dat ik niet wist hoe ik de deur moest openen. De man zei niets. Na enkele seconden zag ik echter aan de muur rechts van mij een soort van activatiekastje waar ik de sleutel tegenaan moest plaatsen om de deur te openen. Op het moment dat ik de sleutel hier tegenaan plaatste en dus de tweede deur geopend had, bemerkte ik dat de man het kantoor uit was.

Ik zag dat er een worsteling plaatsvond buiten de winkel, nabij de winkelwagentjes. Ik zag dat klanten, personeel van de winkel bovenop de man, de overvaller lagen.

Ik zag dat de man nog steeds het wapen in zijn hand droeg. Ik hoorde dat [betrokkene 1] riep dat de luiken dichtgedaan moesten worden. Ik zag dat [naam], de hoofdcaissière, aan kwam lopen. Zij heeft de luiken gesloten met behulp van een sleutel.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 23 mei 2012, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1]

Ik ben medewerker bij de C1000 en ik zat die dag achter kassa 1. Ik zag dat de jongen van KW een pistool op zijn hoofd gericht had gekregen. Ik hoorde, toen ze allebei bij mijn kassa stonden, dat de jongen van KW mij om een sleutel vroeg. Op dit moment richtte de persoon het pistool op mij.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 17 mei 2012, opgenomen op pagina 35 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2]

Op woensdag 16 mei 2012 rond 21:00 zie ik een man op de fiets de winkel binnen komen. Ik zag dat de dader het personeelslid vast pakte, ten eerste bij de borst. Hierop draaide de dader het personeelslid om en pakte de dader het personeelslid bij de nek vast. Ik zag dat de dader met het vuurwapen nu op het personeelslid richtte ten hoogte van zijn nek. Ik zag dat de dader nu dit personeelslid voor zich uit duwde. Hij duwde hem in de richting van de achterste kassa. Ik zag dat de dader met het personeelslid door de kassa heen lopen, naar een deur van een kantoor. Ik zag nu dat de dader heel snel wegliep. Vervolgens zag ik dat de dader nu langs ons liep. Toen de dader naast mij was, zag ik de kans om de dader te laten struikelen. Toen hij overeind kwam zag ik dat een andere klant, genaamd [getuige 3], de dader nu beet pakte. Ik zag dat meerdere mensen nu op de dader doken. Buiten is het mij gelukt hem het wapen afhandig te maken. We waren nu met een man of vier vijf met de dader in gevecht.

De dader bleef zich maar verzetten. Ik zag dat [getuige 3] boven op de dader zat. Ik zag dat de rolluiken van de winkel werden gesloten. Wij lagen nu samen met de dader achter de rolluiken, we konden nu niet meer weg. Op een gegeven moment hadden we de dader op de grond, hij kon geen kant op.

Een proces-verbaal verhoor bevindingen d.d. 21 mei 2012, opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier

20.55.48 Verdachte komt in beeld, hij duwt de C1000 medewerker tussen beide kassa's de winkel in.

20.55.42 Verdachte en de medewerker lopen om kassa 1 heen en verdwijnen uit beeld.

20.55.55 De caissière van kassa 1 pakt de telefoon en gaat bellen. Op dat moment komt de medewerker die onder schot wordt gehouden in beeld, inzicht van de caissière.

20.55.58 De medewerker loopt op de caissière van kassa 1 af. De medewerker wordt nog steeds vast gehouden door de verdachte met zijn linkerhand.

20.56.00 De verdachte wijst met zijn linkerhand waarin hij nog steeds een voorwerp heeft op de caissière van kassa 1.

20.56.10 De verdachte trekt zijn linkerarm naar zich toe en wijst vervolgens weer naar de verdachte met zijn linkerarm.

20.56.15 Verdachte en de medewerker draaien zich om en lopen weg van de caissière.

20.56.18 Er komt een andere C1000 medewerkster aan lopen, tussen beide kassa's door.

20.56.19 De medewerkster overhandigd vermoedelijk eens sleutelbos aan de medewerker welke onder schot werd gehouden. De verdachte is op dit moment niet in beeld.

20.56.26 De medewerker welke onder schot werd gehouden verdwijnt uit beeld.

20.56.37 Verdachte komt weer in beeld en rent weg tussen beide kassa's door.

Het onder 2 tenlastegelegde

De bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd

Een proces-verbaal bevindingen d.d. 24 mei 2012, opgenomen op pagina 77 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van A. Benne

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte de woorden “anders knal ik je kop eraf” heeft gebruikt tegen aangever [aangever 1]. Voorts leidt de rechtbank af uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat verdachte [getuige 1], die achter kassa 1 zat, ook heeft bedreigd met een vuurwapen.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

Hij op 16 mei 2012 in de gemeente Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en

bedreiging met geweld in de aan het Linnaeusplein gevestigde winkel C1000 een

persoon, genaamd [aangever 1], te dwingen tot de afgifte van geld toebehorende

aan [eigenaar] of het winkelbedrijf C1000,

met voormeld oogmerk,

waarbij verdachte een (eigen gefabriceerde) bivakmuts over het gezicht/hoofd

droeg, en waarbij verdachte een geladen pistool in een hand hield,

genoemde winkel is binnengegaan en in die winkel die [aangever 1] heeft

vastgepakt en genoemd wapen tegen een slaap, van die

[aangever 1] heeft gezet en (daarbij) de woorden heeft geuit:

"Ik wil nu geld zien, breng me naar de kluis anders knal ik je kop eraf", en

(vervolgens) dat wapen tegen de rug van die [aangever 1] heeft gehouden en

(daarbij) genoemde [aangever 1] in genoemde winkel richting

kantoor heeft geduwd en (daarbij) meermalen, de woorden

heeft geuit: "Ik wil nu geld zien, breng me naar de kluis", althans woorden

van gelijke aard en/of strekking, en genoemd wapen heeft gericht op

een kassabediende, genaamd [getuige 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

Hij op 16 mei 2012 in de gemeente Groningen

een wapen van categorie III, te weten een pistool (van het merk FN Browning,

kaliber 6.35 mm), en munitie van categorie III, te weten twee patronen

(kaliber 6.35 mm), voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1. Poging tot afpersing

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Vrijwillige terugtred

Standpunt van de verdediging

Er is sprake van vrijwillige terugtred zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte vanaf het begin consequent heeft verklaard dat hij zich “vies” voelde op het moment dat [aangever 1] de deur van het kantoor opende en dat hij daarom weg is gegaan. Er is derhalve sprake geweest van bezinning bij verdachte als gevolg waarvan hij tot inkeer is gekomen. Hoewel de overval verliep zoals verdachte het had gepland en het verdachte anders wellicht gelukt was het geld uit de kluis weg te nemen, is verdachte uit zichzelf gestopt en vertrokken.

De raadsvrouw heeft onder meer gewezen op de uitspraken van de Hoge Raad gepubliceerd onder de LJN nummers BJ9244 en BA5019.

Standpunt van de officier van justitie

Het beroep dat namens verdachte is gedaan op vrijwillige terugtred dient te worden verworpen. Verdachte heeft een voltooide poging gedaan tot afpersing dan wel diefstal met geweld. Op het moment dat verdachte bij het kantoor stond heeft hij besloten om weg te gaan. Verdachte is toen met het wapen gericht op een omstander terug de winkel in gelopen. Vervolgens is verdachte tegengehouden door omstanders waarbij er een worsteling is ontstaan met verdachte. Pas daarna heeft verdachte zich overgegeven.

Oordeel van de rechtbank

Of gedragingen van de verdachte de gevolgtrekking wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een voltooide poging voor het aannemen van vrijwillige terugtred veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten.

Verdachte heeft een overval gepland op een supermarkt, de C1000 te Groningen. Verdachte heeft een dag van tevoren een vuurwapen opgehaald om daar “iets” mee te gaan doen. Op de dag van de overval heeft verdachte eigenhandig een bivakmuts gefabriceerd uit een joggingbroek. Daarnaast heeft verdachte extra kleding aangetrokken om forser te lijken. Bij de supermarkt aangekomen heeft verdachte de bivakmuts over zijn hoofd getrokken en is de supermarkt binnengefietst met als doel de overval te plegen. Verdachte heeft het vuurwapen doorgeladen. Verdachte heeft het vuurwapen tegen de slaap gezet van de eerste medewerker die hij in de winkel tegenkwam en om geld gevraagd. Verdachte heeft vervolgens het pistool in de rug gezet van deze medewerker en deze vastgehouden waarop deze naar het kantoor liep waar zich de kluis bevond. Verdachte heeft in de winkel nog een andere caissière bedreigd, om de verkrijging van de sleutels van de kluis te bespoedigen. Toen de sleutels aan de eerstgenoemde medewerker waren overhandigd heeft deze het kantoor geopend en is het kantoor binnengegaan. Het lukte de medewerker aanvankelijk niet om de tweede deur te openen en dat zei hij tegen verdachte. Toen het de medewerker na enkele seconden wel lukte deze deur te openen, merkte hij dat verdachte was gevlucht. Tijdens zijn vlucht heeft verdachte het wapen gericht op een omstander. Vervolgens heeft een omstander verdachte laten struikelen. Daarna is hij overmeesterd door een aantal omstanders. Verdachte heeft zich hevig verzet maar moest uiteindelijk het onderspit delven. Bovendien werd verdachte de vlucht belet doordat de rolluiken werden gesloten.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de verklaringen van verdachte kan worden afgeleid dat hij, toen hij bij het kantoor stond, zich heeft bedacht omdat hij in paniek raakte. Verdachte werd bang omdat hij de omstanders zag die naar hem keken en is er daarom vandoor gegaan. Daarbij had de medewerker van de C1000 hem op dat moment verteld dat hij de kluis niet open kreeg. Vervolgens is verdachte weggerend waarbij hij het vuurwapen heeft gericht op iemand die hem zijn vlucht wilde beletten. Verdachte heeft zich daarna hevig verzet tegen de omstanders die hem wilden overmeesteren.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van omstandigheden die van de wil van verdachte afhankelijk waren.

Bovendien is niet aannemelijk geworden dat verdachte zich op een dusdanig moment heeft bedacht en vervolgens zodanig heeft gehandeld, dat zijn terugtred nog geschikt was om het intreden van het gevolg, dat wil zeggen de overval, te beletten.

De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op vrijwillige terugtred.

Psychologisch rapport

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 23 juli 2012, opgemaakt door J.M de Jonge, GZ-psycholoog. De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte geen sprake is van psychiatrische en/of persoonlijkheidsproblematiek. Wel lijkt sprake te zijn van inadequate coping bij complexe situaties. Verdachte wordt volledig toerekeningsvatbaar geacht. Het risico op recidive kan verhoogd zijn bij complexe problematische situaties.

Verdachte zou een training copingvaardigheden kunnen volgen. Onderzoek zou wellicht mogelijk zijn bij de AFPN middels psychotherapeutische gesprekken.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezenverklaarde aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar waarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht dient te worden opgelegd zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de fiets van verdachte zal worden verbeurd verklaard en dat het vuurwapen en de drugs zullen worden onttrokken aan het verkeer. De twee mobiele telefoons kunnen worden teruggegeven aan verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, voor het geval de rechtbank het ten laste gelegde bewezen mocht achten, er voor gepleit dat de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening zal houden met de inhoud van het psychologisch rapport, met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat verdachte geen strafblad heeft. Voorts verzoekt de raadsvrouw de rechtbank bij het niet honoreren van het beroep op vrijwillige terugtred op een andere manier rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte voortijdig is gestopt met de overval.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op supermarkt C1000 te Groningen. Verdachte heeft zich daags voor de overval in het bezit gesteld van een vuurwapen. Verdachte heeft het pistool in de winkel doorgeladen en is met een bivakmuts op naar binnen gegaan. Verdachte heeft onder verbale bedreiging dit vuurwapen op het hoofd gezet van [aangever 1] en daarbij om geld geroepen. Verdachte heeft daarop het pistool tegen de slaap en vervolgens de rug gezet van [aangever 1] en hem richting het kantoor geduwd waar zich de kluis bevond. Onderweg naar het kantoor heeft verdachte zijn wapen nog op een caissière gericht. Bij het kantoor lukte het [aangever 1] niet direct de deur naar de kluis te openen. Verdachte raakte in paniek en is er vandoor gegaan. In zijn vlucht heeft verdachte zijn pistool op een omstander gericht die hem de vlucht wilde beletten. Verdachte, nog steeds gewapend, is na hevig verzet uiteindelijk overmeesterd door omstanders. Dat bij deze overval niemand gewond is geraakt mag een wonder heten en is niet te danken aan het optreden van verdachte. Achteraf is gebleken dat de slagpin van het pistool was afgebroken waardoor het niet kon worden afgevuurd. Verdachte was hiervan niet op de hoogte.

Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen hevige gevoelens van angst veroorzaakt bij het winkelpersoneel, maar is ook verant¬woor¬de¬lijk voor gevoelens van angst en onrust bij hen die van het feit ge¬tuige zijn geweest. Daarnaast brengen dergelijke overvallen in de samenleving grote onrust teweeg. Slachtoffers van dergelijke berovingen ondervinden daarvan in het algemeen langdurig nog de gevolgen. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van [aangever 1] waarin hij aangeeft dat hij op het moment van de overval in shock was en nu nog steeds last heeft van gevoelens van angst en onrust.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf in aanmerking dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest alsmede de nog jonge leeftijd van verdachte.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsadvies. Daaruit blijkt onder meer dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat, vooral in complexe problematische situaties.

Het advies luidt dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Daarbij wordt als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht geadviseerd. Tijdens dit toezicht kan verdachte worden aangemeld voor een cognitieve vaardigheidstraining. Verdachte is reeds aangemeld bij de AFPN.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding is vermeld en dat door verdachte is erkend.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd. De rechtbank zal een deel van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen, mede om daaraan een bijzondere voorwaarde te verbinden, inhoudende dat aan verdachte verplicht reclasseringstoezicht zal worden opgelegd conform het advies in het reclasseringsrapport. Daarbij acht de rechtbank het, ter voorkoming van recidive, van belang dat verdachte de cognitieve vaardigheidstraining zal volgen alsmede dat hij een behandeling zal ondergaan bij de AFPN.

Vordering van de benadeelde partij (feit 1)

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [aangever 1], wonende te [plaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren omdat sprake is van vrijwillige terugtred. Subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat het bedrag moet worden gematigd, omdat achteraf gebleken is dat het wapen ongeschikt was om af te vuren.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte heeft de door hem gevorderde immateriële schade voldoende onderbouwd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering van € 1.700,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 16 mei 2012, zal worden toegewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen bovengenoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten de Batavus damesfiets van verdachte, moet worden verbeurd verklaard.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat het bewezen verklaarde feit met behulp van het in beslag genomen goed is begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten het pistool, FN Browning 1906 en de drugs, te weten 26 bolletjes heroïne en 2 amfetamine pillen, moeten worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet of het algemeen belang.

De twee mobiele telefoons, te weten 1 Blackberry en 1 Samsung, dienen aan verdachte te worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat

-de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

-de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- de veroordeelde geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Groningen, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Deze voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat veroordeelde zich dient aan te melden voor een cognitieve vaardigheidstraining volgt en dat hij wordt behandeld bij de AFPN.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1], wonende te [plaats], toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 1.700,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2012.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 1.700,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2012 ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 1], wonende te [plaats], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij geldt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag ten behoeve van de benadeelde partij, de verplichting vervalt om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Verklaart verbeurd:

- Batavus damesfiets.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- pistool, FN Browning 1906;

- drugs, te weten 26 bolletjes heroïne en 2 amfetamine pillen.

Gelast de teruggave van:

Twee mobiele telefoons, te weten 1 Blackberry en 1 Samsung, aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.F. Gerding, voorzitter, H. van der Werff en P.J. van Steen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J. de Wind, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 september 2012.

Mrs. Van der Werff en Van Steen zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.