Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX6340

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
133181 - JE RK 12-255
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afgifte machtiging gesloten jeugdzorg zonder vereiste instemmende verklaring gedragswetenschapper ogv art. 29b, lid 5 Wjz, omdat verklaring gedragswetenschapper onvoldoende is onderbouwd en met verwijzing naar art. 3, lid 1 IVRK. De geboden vaste structuur met duidelijke grenzen en regels in een accommodatie gesloten jeugdzorg vormt in zichzelf een vorm van behandeling, doch daarnaast neemt minderjarige ook deel aan vormen van behandeling. Op dit moment is geen geschikt alternatief voor opvang van de minderjarige voorhanden, waardoor bij strikte toepassing van de Wet op de jeugdzorg het hem zou ontbreken aan passende begeleiding en behandeling met alle risco's van dien. Dit is niet in zijn belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Opleidingen Legal 2014/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 133181 / JE RK 12-255

beschikking kinderrechter d.d. 7 juni 2012

inzake [de minderjarige]

De ouders van [de minderjarige] zijn overleden.

De voogdij over [de minderjarige] berust bij de William Schrikker Groep Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSG).

PROCESGANG

Op 2 mei 2012 heeft de kinderrechter een (tussen)beschikking gegeven.

Op 23 mei 2012 heeft de WSG een verzoek tot verlenging van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg ingediend, gedateerd

22 mei 2012. Daarbij is onder meer overgelegd een (aanvullende) verklaring van de gedragswetenschapper de heer Koning, alsmede een indicatiebesluit.

Op 25 mei 2012 is ter griffie een behandelplan ten aanzien van [de minderjarige] over de periode van 20 april 2012 tot 31 juli 2012 binnengekomen.

Op 29 mei 2012 is ter griffie binnengekomen een afschrift van de uitspraak die het gerechtshof Leeuwarden op 29 mei 2012 naar aanleiding van het hoger beroep van [de minderjarige] tegen de beschikking van 2 mei 2012 heeft gegeven.

Op 30 mei 2012 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren voortgezet. Gehoord zijn daarbij: [de minderjarige], bijgestaan door zijn advocaat mr. R.F.M. Mullaart, de grootmoeder van [de minderjarige], bijgestaan door mevrouw H.J. Doedens, tolk in de Russische taal (pasnr. 845), en mevrouw J. Luttikhuizen, namens de WSG.

OVERWEGINGEN

Bij beschikking van 2 mei 2012 is de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verlengd voor de duur van zes weken, tot 14 juni 2012. De beslissing over de langer verzochte duur van de machtiging tot gesloten jeugdzorg is daarbij aangehouden tot de zitting van 30 mei 2012. De WSG is verzocht voor deze zitting de (aanvullende) verklaring van de heer Koning te overleggen, alsmede een indicatiebesluit.

Bij beschikking van 29 mei 2012 heeft het gerechtshof Leeuwarden de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 2 mei 2012 bekrachtigd.

Standpunt WSG

De minderjarige] heeft voor zijn huidige plaatsing eerder binnen de gesloten jeugdzorg verbleven. Hij ontwikkelde zich toen positief en profiteerde goed van het behandelingsklimaat van een gesloten setting. In de eerste periode van de huidige plaatsing waren er weliswaar geen behandeldoelen, zoals de gedragsdeskundige in zijn aanvullende verklaring van 19 mei 2012 heeft aangegeven, maar na de eerste voortgangsbespreking op 20 maart 2012 is wel een behandelplan met doelen opgesteld. [de minderjarige] leert door middel van behandelgesprekken (Equip-training) en de duidelijke structuur en de strakke dagindeling opnieuw aan hoe hij zijn dag moet indelen, zijn emoties en boosheid onder controle kan houden en hoe hij op een prettige manier met groepsgenoten en de leiding om kan gaan. Ook is zijn schoolgang binnen de gesloten jeugdzorg via Portalis gewaarborgd. [de minderjarige] reageert goed op het behandelingsklimaat en laat met name de laatste tijd positief gedrag zien. De gedragswetenschapper heeft waarschijnlijk geen instemmende verklaring afgegeven, omdat hij niet over alle nodige informatie beschikte ten aanzien van de behandelplannen van de Wilster.

Passende alternatieven zijn er op dit moment niet. Een reguliere behandelplek bij Humanitas op grond van de AWBZ is nog niet beschikbaar. Mogelijk kan hij hier in het najaar (september) terecht. De kans dat het hier goed zal gaan is evenwel klein omdat [de minderjarige] hiervoor, of voor een andere (intramurale) behandelplek in een open setting, geen motivatie toont.

Zou [de minderjarige] opnieuw bij zijn grootmoeder worden geplaatst, wat hij zelf zou willen, dan is het recidivegevaar groot. Een eerdere plaatsing bij zijn oma is mislukt en de zorgen dat het weer niet goed zou gaan, zijn onverminderd groot aanwezig.

De WSG acht het gelet op het feit dat er op korte termijn geen overplaatsing naar een geschikte plek gerealiseerd kan worden in combinatie met zijn ernstige gedragsproblematiek noodzakelijk dat het verblijf van [de minderjarige] binnen de gesloten jeugdzorg tot aan zijn meerderjarigheid wordt verlengd. Op 22 juni aanstaande is de behandeling van de tegen hem lopende strafzaak waarbij een jeugdreclasseringsmaatregel zal worden geadviseerd. Indien de kinderrechter dit zal opleggen, kan hij mogelijk op aanwijzing van de reclassering vanuit de geslotenheid overgeplaatst worden naar een forensische zorgplek bij Humantas.

De WSG is van mening dat een voortduring van het verblijf binnen de gesloten jeugdzorg de kansen van [de minderjarige] op een normaal leven na zijn achttiende jaar, zonder opnieuw in aanraking met politie en justitie te komen, vergroot, omdat hij tot die tijd begeleid kan worden naar (zelfstandig) wonen en er een dagbesteding geregeld kan worden. Bovendien is hij dan beschikbaar om samen met de voogd een verblijfsdocument te regelen, alsmede alle zaken die rond zijn meerderjarigheid gerealiseerd dienen te worden. Zou de plaatsing binnen de gesloten jeugdzorg beëindigd worden, dan zal [de minderjarige] zich aan het toezicht van de voogd onttrekken en komt van bovenstaande zaken niets terecht.

Standpunt van en namens [de minderjarige]

De minderjarige] heeft ter zitting verklaard dat hij niet langer in de Wilster wil verblijven, omdat hij daar “zijn tijd uitzit”. Vaneen doelgerichte behandeling is geen sprake. Hij doet het daar bovendien zodanig goed, iets wat door de groepsleiding wordt bevestigd, dat een langer verblijf niet nodig is. [de minderjarige] wil zo snel mogelijk bij zijn grootmoeder worden geplaatst. Een plaatsing bij Humanitas of elders ziet hij niet zitten.

De advocaat heeft ter zitting aangevoerd dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat er geen instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper aan ten grondslag ligt. Een voortgezet verblijf binnen de gesloten jeugdzorg heeft bovendien geen enkele meerwaarde, aangezien hij binnen de Wilster niet wordt behandeld. [de minderjarige] wil na zijn achttiende jaar bij zijn grootmoeder gaan wonen. Een kamertrainingscentrum of andere vormen van begeleid wonen ziet hij totaal niet zitten. Het maakt gezien het feit dat hij bijna meerderjarig is geen verschil of [de minderjarige] op dit moment of over een aantal weken na zijn achttiende jaar naar zijn grootmoeder zou gaan.

Standpunt van de grootmoeder

De grootmoeder heeft haar standpunt, zoals verwoord in de beschikking van 2 mei 2012, ter zitting herhaald. Het verzoek dient te worden afgewezen, omdat het verblijf in de Wilster [de minderjarige] geen goed doet en hij bij haar zou kunnen wonen. Hij zal naar haar luisteren en haar gehoorzamen.

Beoordeling

De kinderrechter heeft in haar beschikking van 2 mei jl. overwogen en geoordeeld dat er bij [de minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Het gerechtshof Leeuwarden heeft dit oordeel in zijn beschikking van 29 mei 2012 onderschreven evenals de daaraan ten grondslag liggende motivering. Nu naar het oordeel van de kinderrechter hierin geen wijzigingen zijn opgetreden, volgt de kinderrechter op dit onderdeel beide beschikkingen en maakt de daaraan gewijde overwegingen tot de hare.

Een uithuisplaatsing in een gesloten setting is de meest verstrekkende maatregel van kinderbescherming. Een dergelijk vergaande inbreuk op iemands persoonlijke vrijheid dient, zeker waar het een minderjarige betreft, aan zware zorgvuldigheidseisen te voldoen. De instemming van een gedragswetenschapper is één van die door de wet gestelde eisen. Ingevolge artikel 29b, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) behoeft de verklaring van de Stichting als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, in casu de verklaring van de WSG, de instemming van een gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. De kinderrechter concludeert op grond hiervan dat de vereiste instemming van een gedragswetenschapper is te rekenen tot de waarborgen waarmee vrijheidsontneming in de vorm van opneming in de gesloten jeugdzorg is omgeven. De kinderrechter stelt vast dat in casu géén instemming door de gedragswetenschapper is afgegeven voor een verlenging van de maatregel tot aan de meerderjarigheid van [de minderjarige] op 31 juli 2012. Dit zou ertoe moeten leiden dat de machtiging tot gesloten plaatsing niet verlengd kan worden.

De kinderrechter is evenwel van oordeel dat de verklaring van de gedragswetenschapper onvoldoende is onderbouwd. De gedragswetenschapper heeft verklaard dat er weliswaar sprake is van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen, maar niet van behandeling hiervan. Er zou slechts sprake zijn van opvang in de Wilster met als gevolg dat tot aan de meerderjarigheid van [de minderjarige] niet aan doelen wordt gewerkt met als risico dat hij zich daarna niet meer zal voegen naar de hulpverlening. [de minderjarige] heeft ter zitting verklaard dat hij de verklaring van de gedragswetenschapper onderschrijft en dat hij alleen maar wordt vastgehouden en niet behandeld. De kinderrechter stelt vast dat [de minderjarige] hetzelfde verweer als in de onderhavige procedure ook heeft gevoerd in hoger beroep. De kinderrechter volgt het gerechtshof Leeuwarden op het onderdeel zoals overwogen in rechtsoverweging 14 van de beschikking van 29 mei 2012 en maakt deze overweging tot de hare. De kinderrechter is namelijk van oordeel dat [de minderjarige] in de Wilster niet alleen opvang, maar ook zorg en behandeling wordt geboden. De gesloten setting waarin een vaste structuur met duidelijke grenzen en regels wordt geboden waaraan [de minderjarige] zich niet kan onttrekken, vormt in zichzelf een vorm van behandeling. Daarbij komt dat in het behandelplan van 20 april 2012 verschillende behandeldoelen zijn geformuleerd waaraan gewerkt wordt. Ook volgt [de minderjarige] de Equip-training. Dat [de minderjarige] één en ander niet nuttig vindt, maakt dit oordeel niet anders. Gebleken is dat [de minderjarige], net als voorheen, binnen de Wilster wel een positieve ontwikkeling laat zien.

De conclusie van de gedragswetenschapper dat er sprake is van opvang en mogelijke beveiliging van de maatschappij, maar niet van behandeling of beveiliging van [de minderjarige] wordt gelet op het voorgaande, door de kinderrechter niet gedeeld.

Strikte toepassing van de Wjz zou er toe leiden dat [de minderjarige] niet langer gesloten geplaatst zou mogen worden als gevolg van het ontbreken van een instemmingsverklaring. Volgens artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna IVRK) vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind evenwel de eerste overweging.

De kinderrechter is van oordeel dat in onderhavig geval strikte toepassing van de Wjz zich niet verhoudt tot hetgeen in artikel 3, lid 1 IVRK staat vermeld, omdat dat niet in het belang van [de minderjarige] is. In geval van strikte toepassing zou het hem ontbreken aan passende begeleiding en behandeling die hij gelet op de aard en ernst van zijn problematiek en het onttrekken aan hulpverlening nodig heeft in een gesloten setting. [de minderjarige] zou bij het ontbreken van alternatieve woonplekken, waarvan ook nog maar moet worden afgewacht of deze toereikend zullen zijn, zeer waarschijnlijk bij zijn grootmoeder komen te wonen. De WSG heeft aangevoerd dat het risico dat het dan binnen korte tijd weer mis zal gaan en hij opnieuw in aanraking zal komen met politie en justitie, zeer groot aanwezig is. De kinderrechter deelt deze visie en is gezien de problematiek van [de minderjarige] en het feit dat een eerdere plaatsing bij de grootmoeder is mislukt, van oordeel dat de grootmoeder hem niet die bescherming en veiligheid kan bieden die voor hem noodzakelijk is. Een ander alternatief voor opvang van [de minderjarige] is op dit moment niet voorhanden.

De Wilster biedt op dit moment nog wel die bescherming, veiligheid, structuur en regelmaat die [de minderjarige] vanwege zijn problematiek nodig heeft. De gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b Wjz is noodzakelijk om te voorkomen dat hij zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

De kinderrechter is gelet op voornoemde overwegingen dan ook van oordeel dat, ondanks dat er geen instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper is afgegeven, het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat de machtiging tot gesloten plaatsing tot aan zijn meerderjarigheid wordt verlengd. De komende periode dient gebruikt te worden om [de minderjarige] voor te bereiden op het einde van de gesloten plaatsing en een overgang naar een andere woonvorm.

BESLISSING

verlengt de termijn van de machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van voornoemde minderjarige tot aan zijn meerderjarigheid;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. K.R. Bosker, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2012.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.