Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX4462

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
464196 - CV EXPL 10-12672
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opmerking(en): Huurprijsvermindering afgewezen omdat betaalde huurprijs al meer dan 30% onder de maximaal redelijke huurprijs ligt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 464196 \ CV EXPL 10-12672

Vonnis d.d. 28 juni 2012

inzake

de besloten vennootschap [A] Im- en Export B.V.,

gevestigd te [plaatsnaam],

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, hierna [A] te noemen,

gemachtigde mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen,

tegen

[B],

wonende te [plaatsnaam], [adres],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna [B] te noemen,

gemachtigde mr. M. Huizingh, advocaat te Almelo.

NADERE PROCESGANG

Bij tussenvonnis van 7 juni 2012 is [A] in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag of, en zo ja per wanneer, de huurovereenkomst door [B] is opgezegd. [A] heeft vervolgens een akte genomen. Ook [B] heeft een akte genomen, waarbij producties zijn overgelegd.

Nadien is opnieuw vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

In conventie en in reconventie

1. De kantonrechter verwijst naar en neemt over hetgeen zij in de tussenvonnissen van 26 mei 2011, 12 januari 2012, 19 april 2012 en 7 juni 2012 heeft overwogen en beslist.

In conventie

2. [A] heeft in de laatste akte de vordering tot ontbinding en ontruiming ingetrokken, zodat dit onderdeel van de vordering verder onbesproken kan blijven.

3. Hoewel partijen het over weinig eens zijn, valt uit hun stellingen wel af te leiden dat [B] voor 1 maart 2012, met terugwerkende kracht per 1 januari 2012 de huurovereenkomst heeft opgezegd. Deze opzegging met terugwerkende kracht heeft [B] gebaseerd op de stelling dat hij door intimidatie en bedreigingen van de zijde van [A] gedwongen was de woning eerder te verlaten.

[A] heeft die bedreigingen betwist. Nu [B] geen bewijs heeft aangeboden van zijn stellingen op dat specifieke punt, betekent dit dat [B] niet tot het leveren van bewijs kan worden toegelaten en dat zijn stellingen als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd.

4. Uit voorgaande overweging volgt dat de opzegging bepalend is voor de vaststelling van het einde van de huurovereenkomst. Nu vaststaat dat [B] voor 1 maart 2012 heeft opgezegd en hij een opzegtermijn van een maand heeft, betekent dit dat de huurovereenkomst per 1 april 2012 door opzegging is geëindigd en dat [B] tot die tijd huur verschuldigd is, zijnde in totaal een bedrag van € 2.964,06. Daarop strekt in mindering het door [B] betaalde bedrag van € 1.536,92. .

5. [A] heeft daarnaast een bedrag van € 131,-- gevorderd, zijnde het bedrag dat [B] op de huurpenningen in mindering gebracht heeft gebracht in verband met nakosten van een vorige procedure bij de kantonrechter. [A] heeft zich tegen deze verrekening verzet door te stellen dat het niet gebruikelijk is dat deze nakosten door de kantonrechter worden toegewezen. Dat laatste mag zo zijn, maar dat betekent op zich niet dat [B] deze kosten nadien niet op [A] kan verhalen dan wel kan verrekenen. De kantonrechter stelt echter vast dat [B] ten tijde van de verrekening daartoe (nog) niet bevoegd was, zodat dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen.

In reconventie

6. [B] heeft in reconventie gevorderd de huurovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden, althans de huurprijs op de voet van artikel 6:207 BW met een bedrag van € 47,90 per maand te verminderen, vanaf het begin van de huurperiode tot aan de dag waarop het gebrek zal zijn hersteld. Ten aanzien van deze vordering wordt als volgt overwogen.

7. [B] heeft bij repliek zijn eis vermeerderd en gevorderd de huurprijs met € 47,90 te verminderen. Dit bedrag komt overeen met 30% van de maximale huurprijs van het gehuurde van € 159,67. Daarbij heeft [B] zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een B-gebrek aan het gehuurde, hetgeen volgens hem een vermindering met 30% van de huurprijs zou rechtvaardigen. Wat [B] daarmee miskent is dat de Huurcommissie in haar uitspraak van 29 april 2008 weliswaar heeft vastgesteld dat de maximale huurprijs € 159,67 per maand bedraagt, maar dat daarbij, vanwege het gegeven dat [B] - tot dan - een all-in huurprijs betaalde, tevens is bepaald dat [B] aan kale huurprijs van € 87,82 verschuldigd is. Dit bedrag is al lager dan het bedrag van € 111,77 waarop de kale huurprijs zou uitkomen na een eventuele vermindering van de huurprijs met een bedrag van € 47,90, zoals door [B] is gevorderd. De conclusie is dan ook dat [B] hoe dan ook geen gedeeltelijke ontbinding van de huur-overeenkomst dan wel een huurprijsvermindering toekomt. Dit betekent tevens dat in het midden kan blijven of, in welke mate en vanaf wanneer sprake is geweest van een gebrek aan het gehuurde en vanaf welk moment [A] daarvoor aansprakelijk is. Tevens kan in het midden worden gelaten of en wanneer [A] daarvan op de hoogte was en of hij wel in de gelegenheid is gesteld om het gebrek te herstellen. Al hetgeen partijen daarover naar voren hebben gebracht kan onbesproken blijven, omdat dit niet tot een andere uitkomst kan leiden.

8. Ten aanzien van de overige door [B] gevorderde posten stelt de kantonrechter vast dat deze door [A] gemotiveerd zijn betwist. Het had derhalve op de weg van [B] gelegen om deze posten nader te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten, dienen deze onderdelen van zijn vordering als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen.

In conventie en in reconventie

9. Voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat in conventie een bedrag van € 1.558,14 (€ 1.427,14 aan huur en € 131,-) toewijsbaar is. Ook de meegevorderde rente is toewijsbaar, aangezien daartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.

10. De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [B] om tegen kwijting aan [A] te betalen een bedrag van € 1.558,14 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

ontzegt het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, kantonrechter, en op 28 juni 2012 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: FdJ

coll: