Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX4451

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
31-05-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
540296 EJ VERZ 12-186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opmerking(en): in strijd met Wet Gelijke behandeling (WGBL)

Wetsverwijzingen
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TRA 2012/89 met annotatie van M.S.A. Vegter
JAR 2012/231 met annotatie van mr. E.L.J. Bruyninckx
AR-Updates.nl 2012-0748
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 540296 \ EJ VERZ 12-186

beschikking d.d. 31 mei 2012

inzake

[A],

wonende te [plaatsnaam], [adres],

verzoekende partij,

verder te noemen [A],

gemachtigde mr. E.A.C. van de Wiel, advocaat te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap British American Tobacco Niemeyer B.V.,

gevestigd aan de Paterwoldseweg 43 te Groningen,

verwerende partij,

verder te noemen BAT Niemeyer,

gemachtigde mr. A. Zuidinga, advocaat te Den Haag (postbus 93050, 2509 AB).

P R O C E S G A N G

[A] heeft verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 september 2012 wegens gewichtige redenen, of op een door de kantonrechter in Groningen in goede justitie te bepalen termijn, onder toekenning van een bedrag van € 242.615,47 bruto, door BAT Niemeyer te voldoen aan [A], kosten rechtens.

BAT Niemeyer heeft een verweerschrift ingediend strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, rekeninghoudend met een fictieve opzegtermijn van 3 maanden, per 31 augustus 2012, onder toekenning van een vergoeding conform de anti-cumulatieregeling in het Sociaal Plan, zijnde een bedrag van € 206.967,46 bruto, daarbij aangevende dat alle omstandigheden zijn meegewogen, kosten rechtens.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 16 mei 2012 in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben de machtigden van partijen producties in het geding gebracht.

De beschikking is bepaald op heden.

O V E R W E G I N G E N

Vaststaande feiten

Als enerzijds erkend en anderzijds niet, althans onvoldoende betwist, staat tussen partijen het navolgende vast.

[A] is geboren op [datum] 1955. Sinds 1 oktober 1981 is hij in dienst van BAT Niemeyer, laatstelijk als Site Mechanical Technician tegen een salaris van € 3.527,60 bruto exclusief 8% vakantietoeslag en dertiende maand.

[A] verricht zijn arbeid gewoonlijk in Groningen.

BAT Niemeyer is voornemens te reorganiseren, als gevolg waarvan [A]’s functie komt te vervallen.

BAT Niemeyer heeft in samenspraak met de representatieve vakbonden en in overleg met haar ondernemingsraad een Sociaal Plan opgesteld dat op grond van art. 4 Wet op de Loonvorming als cao is gemeld bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De inhoud van het Sociaal Plan luidt voor zover hier van belang als volgt;

“(…)

12.1 Ontslagvergoeding

De werknemer als bedoeld in hoofdstuk 9 komt bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in aanmerking voor een ontslagvergoeding zoals hierna is omschreven en welke is afgeleid van (maar niet gelijk is aan) de zogeheten nieuwe kantonrechtersformule (KRF) zoals de is vastgesteld door de landelijke Kring van Kantonrechters en geldig is vanaf 1 januari 2009. Deze schadeloosstelling, die in de vorm van een éénmalige bruto financiële uitkering bij einde dienstverband betaalbaar wordt gesteld.

12.2 Berekening

Deze ontslagvergoeding is gelijk aan AxBxC, waarbij;

A. staat voor de dienstjaren op de beëindigingsdatum, waarbij de dienstjaren;

- tot het 35e levensjaar voor 1 tellen;

- van het 35e levensjaar tot het 45e levensjaar voor 1,5 tellen;

- vanaf het 55e levensjaar voor 2 tellen.

B. staat voor beloning, zijnde het brute maandinkomenzoals bedoeld in hoofdstuk 2.

C. Staat voor correctiefactor en is gesteld op 1,7.

De ontslagvergoeding, inclusief de eenmalige uitkering als bedoeld in 12.3, bedraagt minimaal 6 keer het voor de werknemer geldende maandinkomen.

12.3 Eenmalige uitkering

De werknemer als bedoeld in hoofdstuk 9 ontvangt tevens een éénmalige bruto uitkering ter grootte van twee (2) bruto maandinkomen, op voorwaarde dat de werknemer de vaststellingsovereenkomst binnen veertien na dagtekening van de vaststellingsovereenkomst ondertekend retourneert aan de werkgever. Uitbetaling vindt in dat geval plaats tegelijk met de ontslagvergoeding.

12.4 Anticumulatie

De schadeloosstelling zal niet hoger zijn dan de redelijkerwijs te verwachten inkomstenderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd (65 jaar)

De inkomensderving is daarbij gedefinieerd als de som van bruto maandsalarissen (100%) vanaf de beëindigingdatum tot de dag waarop de werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt, verminderd met de som van de maandelijkse WW-uitkeringen waarop de werknemer gezien zijn arbeidsverleden recht zou hebben indien hij na beëindiging van de arbeidsovereenkomst werkloos zou zijn (en blijven) en verminderd met de som van de maandelijkse pensioenuitkeringen waarop tot de 65-jarige leeftijd recht bestaat.

(…)”

[A] is lid van een bij het overleg betrokken vakbond.

BAT Niemeyer heeft [A] een vaststellingsovereenkomst aangeboden in overeenstemming met het Sociaal Plan, met als ontslagvergoeding een bedrag van € 206.967,46 bruto.

[A] heeft de vaststellingsovereenkomst niet willen ondertekenen.

Standpunt [A]

Het standpunt van[A] komt - kort samengevat en voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang - op het volgende neer:

Toepassing van het Sociaal Plan pakt afwijkend uit voor oudere werknemers als [A], terwijl daarvoor geen rechtvaardiging bestaat. De aangeboden ontslagvergoeding waarop in overeenstemming met de anticumulatiebepaling van art. 12.4 van het Sociaal Plan een korting is toegepast, is in strijd met de Wet Gelijke Behandeling op grond van Leeftijd bij Arbeid (WGBL) en dient buiten toepassing te blijven. Er is bovendien geen sprake van dat [A] in een betere positie komt te verkeren wanneer de korting op zijn ontslagvergoeding niet wordt toegepast. Door beëindiging van het dienstverband met toekenning van een vergoeding lijdt [A] schade in de opbouw van (pre-) pensioenaanspraken. Dit nadeel wordt ten onrechte door BAT Niemeyer buiten beschouwing gelaten. Daarnaast dient [A] in aanmerking te komen voor de eenmalige uitkering ter grootte van twee maandsalarissen in overeenstemming met het bepaalde in art. 2.3 van het sociaal Plan. Niet toekennen van deze uitkering betekent in feite dat [A] van de rechter wordt afgehouden.

Standpunt BAT Niemeyer

Het standpunt van BAT Niemeyer komt - kort samengevat en voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang - op het volgende neer:

Gelet op de wijze van totstandkoming is er sprake van een Sociaal Plan als bedoeld in art. 3.7 van de aanbevelingen van de Landelijke Kring van Kantonrechters. Afwijking is slechts mogelijk in individuele gevallen waarin onverkorte toepassing van het Sociaal Plan tot een kennelijk onredelijke uitkomst leidt. In het geval van [A] is hiervan geen sprake. De anticumulatieregeling kan worden gezien als een invulling door de vakbonden van art. 3.5 van de Aanbevelingen van de Landelijke Kring van Kantonrechters.

Door toepassing van die regeling wordt geen verboden onderscheid gemaakt als bedoeld in de WGBL. Voor het onderscheid bestaat namelijk een rechtvaardiging.

[A] heeft, hoewel daartoe tweemaal in de gelegenheid gesteld, de hem aangeboden vaststellingsovereenkomst niet willen ondertekenen. Hij kan dan ook geen aanspraak maken op de eenmalige uitkering.

Beoordeling

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

Niet ter discussie staat dat [A] als gevolg van de noodzakelijk te achten reorganisatie boventalig wordt. De verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van gewijzigde omstandigheden is dan ook gerechtvaardigd en kan worden toegewezen.

Aan [A] dient als gevolg van de ontbinding een vergoeding te worden toegewezen. In beginsel zal bij het bepalen van de hoogte van vergoeding de in het Sociaal Plan neergelegde berekeningsmethode worden gevolgd. De kantonrechter toetst de inhoud van het Sociaal Plan slechts marginaal. [A] heeft primair evenwel een beroep gedaan op de nietigheid van het anticumulatiebeding uit het Sociaal Plan. Dit beding dient, zoals terecht is aangevoerd, te worden getoetst aan de WGBL. Het feit dat een Sociaal Plan tot stand is gekomen in overleg met representatieve vakbonden en de ondernemingsraad staat niet aan een toetsing aan de WGBL in de weg. Evenmin kan met vrucht worden aangevoerd dat enkel in geval van evident onredelijke uitkomsten van het Sociaal Plan, afwijkingen van dat plan zijn gerechtvaardigd.

Tussen partijen is niet in geschil dat toepassing van het anticumulatiebeding een (in)direct onderscheid op grond van leeftijd tot gevolg heeft. Krachtens art. 7 lid 1 sub c WGBL geldt het verbod op het maken van onderscheid op grond van leeftijd niet indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. De bewijslast van een en ander rust op BAT Niemeyer.

BAT Niemeyer heeft in verband hiermee aangevoerd dat het doel is gelegen in het zoveel als mogelijk tegengaan van inkomensverlies voor de ontslagen werknemers. Om een goede balans te verzekeren tussen de gevolgen voor jonge werknemers met een kort dienstverband die relatief snel kunnen terugkeren in het arbeidsproces en oudere werknemers met een lang dienstverband die mogelijk minder snel kunnen terugkeren in het arbeidsproces, is in het Sociaal Plan zowel een outplacementvoorziening getroffen als een anticumulatiebeding opgenomen. Zowel de sociale partners als de Kring van Kantonrechters achten aftopping doorgaans redelijk. Bovendien moet [A] in staat geacht worden zijn schade te beperken.

De kantonrechter is van oordeel dat BAT Niemeyer met de door haar gegeven argumentatie geenszins een objectieve rechtvaardiging heeft gegeven voor het onderscheid. Legitimiteit, doelmatigheid en proportionaliteit van het anticumulatiebeding ontbreken. Dit heeft tot gevolg dat [A] terecht een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het beding.

Bij het bepalen van de aan [A] toe te kennen vergoeding dient het anticumulatiebeding buiten toepassing te blijven. De toegepaste korting is dan ook niet aan de orde bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding.

[A] heeft daarnaast op goede gronden geweigerd te tekenen voor accoord van de hem door BAT Niemeyer aangeboden vaststellingsovereenkomst, waarmee hij een lager bedrag zou hebben geaccepteerd dan hem in feite toekomt. Deze weigering kan hem in redelijkheid niet worden tegengeworpen. Om die reden zal de kantonrechter hem als vergoeding tevens toekennen de eenmalige uitkering ter grootte van twee maandsalarissen.

De door [A] verzochte vergoeding zal worden toegewezen, een en ander zoals in het dictum nader aangegeven.

BAT Niemeyer zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

B E S L I S S I N G

Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 september 2012 onder toekenning van een vergoeding aan [A] van € 242.615,47 bruto;

veroordeelt BAT Niemeyer in de kosten van de procedure tot aan deze uitspraak gevallen en begroot op € 437,-- aan verschotten en op € 500,-- aan salaris gemachtigde;

ontzegt - voor zover nodig - het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.P. van Eerde, kantonrechter, en op 31 mei 2012 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.