Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX4200

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
18/650380-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt werkstraffen op aan trio dat zich herhaaldelijk heeft schuldig gemaakt aan het wegnemen van koper bij bedrijven. Zij knipten daartoe de koperen leidingen door, waardoor veel schade is veroorzaakt. Naast werkstraffen krijgen de drie mannen forse voorwaardelijke straffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/650380-12 (promis)

datum uitspraak: 9 augustus 2012

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. M. Helmantel

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op datum],

wonende te [plaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juli 2012.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2011 tot en met 21 december

2011, te Zuidbroek, in elk geval in de gemeente Menterwolde,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening vanaf een aan of nabij de Achter de Wal liggend

terrein en/of welk terrein was omgeven door hekwerk en/of prikkeldraad heeft

weggenomen een of meer kabels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever 1] en/of [naam bedrijf], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de aangiften en de bekennende verklaring van verdachte dat hij 3 keer bij [naam bedrijf] in Zuidbroek kabels heeft weggenomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in haar pleidooi gesteld zich in het standpunt van de officier van justitie te kunnen vinden.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d. 22 november 2011, opgenomen op pagina 317 e.v. van dossier nr. PL01PD 2012009730 d.d. 24 februari 2012;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d. 19 december 2011, opgenomen op pagina 323 e.v. van voormeld dossier;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d. 21 december 2011, opgenomen op pagina 326 e.v. van voormeld dossier.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen met dien verstande dat verdachte ter terechtzitting heeft bekend dat hij drie maal bij [naam bedrijf] in Zuidbroek kabels heeft weggenomen, eenmaal in november 2011 en tweemaal in december 2011. De rechtbank overweegt daarbij dat incident 13 (de diefstal bij [naam bedrijf] in Zuidbroek omstreeks 2 november 2011) ten aanzien van verdachte niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 1 november 2011 tot en met 21 december 2011 te Zuidbroek,

meermalen, op verschillende tijdstippen, telkens tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een aan de Achter de Wal liggend

terrein en welk terrein was omgeven door hekwerk en prikkeldraad heeft weggenomen kabels toebehorende aan [aangever 1] en/of [naam bedrijf], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals verwoord in het rapport van de reclassering d.d. 24 juli 2012. Bij de bepaling van de eis heeft de officier van justitie meegewogen dat verdachte een first offender is.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte uit geldnood de koperdiefstallen heeft gepleegd. Verdachte heeft verklaard dat zijn medeverdachten telkens het initiatief hebben genomen. Verdachte heeft zijn leven nu op orde. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte een baan heeft.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van koperdiefstallen waarbij verdachte al dan niet door middel van braak en verbreking stroomkabels van een bouwplaats in Zuidbroek heeft weggenomen. Diefstallen zijn ergerlijke feiten, die naast schade, vaak veel hinder veroorzaken voor de benadeelden. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten zijn eigen gewin voorop gesteld waarbij hij niet heeft stilgestaan bij de overlast en schade die de benadeelden hebben ondervonden.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is geweest.

In het reclasseringsadvies d.d. 24 juli 2012 is gerapporteerd dat verdachte een tekort heeft aan probleemoplossende vaardigheden. Verdachte is gemotiveerd om aan zijn problematiek te werken. Ondersteuning is van belang om verdachtes leefsituatie meer te stabiliseren en het risico op herhaling terug te dringen.

Op grond van bovenstaande acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal een deel van de werkstraf voorwaardelijk opleggen, enerzijds teneinde te bewerkstelligen dat verdachte zich in de toekomst zal onthouden van het plegen van strafbare feiten en anderzijds om daaraan bijzondere voorwaarden te koppelen.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [naam bedrijf], gevestigd te [plaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 31.280, 83.

Standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot de vordering van [naam bedrijf] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze voor toewijzing vatbaar is tot een bedrag van € 20.805, 81 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de hoofdelijkheidsclausule. Het overige deel van de vordering dient te worden afgewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat niet voldoende duidelijk is bij welke diefstallen verdachte betrokken is geweest.

Beoordeling

Met betrekking tot de vordering van [naam bedrijf] is de rechtbank van oordeel dat de vordering - gelet op de wijze waarop deze is samengesteld - noopt tot het geven van een bewijsopdracht om recht te doen aan het door de raadsvrouw gevoerde verweer. In dat geval zal de rechtbank de zaak moeten aanhouden. De rechtbank heeft overwogen dat aanhouding van de zaak in verband met deze vordering een aanzienlijke vertraging van het strafproces ten gevolge zou hebben. Behandeling van de vordering zal derhalve een onevenredige belasting van het strafproces betekenen. De rechtbank zal daarom bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is, zodat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 120 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 60 uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde voor het einde van dan wel gedurende een proeftijd van 2 jaren een of meer van de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde moet zich houden aan aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet al zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet de veroordeelde zich binnen vijf werkdagen volgend op het onherroepelijke vonnis telefonisch melden bij Reclassering Nederland. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht,

- de hiervoor bedoelde aanwijzingen kunnen ook inhouden dat veroordeelde deelneemt aan gedragsinterventies, te weten een Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVa c.q. CoVa plus) en de module budgetteren,

- draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing met betrekking tot de vordering benadeelde partij

Verklaart de benadeelde partij [naam bedrijf], gevestigd te [plaats], in de vordering niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, F.J. Agema en

J.V. Nolta, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Fennema als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2012.

Mr. F.J. Agema was buiten staat dit vonnis mede te tekenen.