Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX4199

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
18/670032-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt werkstraffen op aan trio dat zich herhaaldelijk heeft schuldig gemaakt aan het wegnemen van koper bij bedrijven. Zij knipten daartoe de koperen leidingen door, waardoor veel schade is veroorzaakt. Naast werkstraffen krijgen de drie mannen forse voorwaardelijke straffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670032-12 (promis)

datum uitspraak: 9 augustus 2012

op tegenspraak

raadsman: mr. P.Th. van Jaarsveld

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op datum],

wonende te [plaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juli 2012.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging overeenkomstig artikel 313 Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 16 januari 2012 op 17 januari 2012, te

Veendam, in elk geval in de gemeente Veendam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening vanaf een aan of nabij de Kleine

Vaartlaan liggend terrein en/of welk terrein was omgeven door een hekwerk

heeft weggenomen vijf, althans een of meer kabels, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [naam bedrijf], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 30 september 2011 tot en met 4 november 2011, te Leek, in elk geval in de gemeente Leek,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening vanaf een aan of nabij de Samuel Leviestraat

liggend terrein en/of welk terrein was omgeven door een hekwerk heeft

weggenomen een of meer kabels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever 2] en/of [naam bedrijf] en/of [aangever 3]

en/of [naam bedrijf] en/of [aangever 4] en/of

[naam bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 4 oktober 2011 tot en met 21 november 2011,

te Veendam, in elk geval in de gemeente Veendam,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening vanaf een aan of nabij de Jacob Bruggemalaan

liggend terrein heeft weggenomen een of meer kabels, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5] en/of [naam bedrijf] en/of [naam bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2011 tot en met 24 oktober 2011,

te Zuidbroek, in elk geval in de gemeente Menterwolde,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening vanaf een aan of nabij de Achter de

Wal liggend terrein en/of welk terrein was omgeven door hekwerk en/of

prikkeldraad heeft weggenomen een of meer kabels, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 6] en/of [naam bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 7 november 2011 tot en met 8 november 2011, te Groningen, in elk geval in de gemeente Groningen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening vanaf een aan of nabij de

Aduarderdiepweg liggend terrein heeft weggenomen een of meer kabels, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 7] en/of het

[naam bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de aangiften en de bekennende verklaringen van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in zijn pleidooi gesteld zich in het standpunt van de officier van justitie te kunnen vinden.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d. 17 januari 2012, opgenomen op pagina 159 e.v. van dossier nr. PL01PD 2012009730 d.d. 24 februari 2012.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] d.d. 3 oktober 2011, opgenomen op pagina 197 e.v. van dossier nr. PL01PD 2012009730 d.d. 24 februari 2012;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] d.d. 17 oktober 2011, opgenomen op pagina 214 e.v. van voormeld dossier;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] d.d. 17 oktober 2011, opgenomen op pagina 225 e.v. van voormeld dossier;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] d.d. 17 oktober 2011, opgenomen op pagina 242 e.v. van voormeld dossier.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] d.d. 5 oktober 2011, opgenomen op pagina 202 e.v. van dossier nr. PL01PD 2012009730 d.d. 24 februari 2012;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] d.d. 1 december 2011, opgenomen op pagina 310 e.v. van voormeld dossier.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] d.d. 31 oktober 2011, opgenomen op pagina 255 e.v. van dossier nr. PL01PD 2012009730 d.d. 24 februari 2012.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] d.d. 8 november 2011, opgenomen op pagina 298 e.v. van dossier nr. PL01PD 2012009730 d.d. 24 februari 2012.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de nacht van 16 januari 2012 op 17 januari 2012 te Veendam, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een aan de Kleine

Vaartlaan liggend terrein en welk terrein was omgeven door een hekwerk heeft weggenomen vijf kabels, toebehorende aan [aangever 1] en/of [naam bedrijf], waarbij zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder

zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en inklimming;

2.

hij in de periode van 30 september 2011 tot en met 4 november 2011 te Leek, meermalen, op verschillende tijdstippen, telkens tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een aan de Samuel Leviestraat liggend terrein en welk terrein was omgeven door een hekwerk heeft weggenomen kabels, toebehorende aan [aangever 2] en/of [naam bedrijf] en/of [aangever 3] en/of [naam bedrijf] en/of [aangever 4] en/of [naam bedrijf], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

3.

hij in de periode van 4 oktober 2011 tot en met 21 november 2011 te Veendam, meermalen, op verschillende tijdstippen telkens tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een aan de Jacob Bruggemalaan liggend terrein heeft weggenomen kabels, toebehorende aan [aangever 5] en/of [naam bedrijf] en/of [naam bedrijf], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en inklimming;

4.

hij in de periode van 21 oktober 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zuidbroek, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een aan de Achter de Wal liggend terrein en welk terrein was omgeven door hekwerk en prikkeldraad heeft weggenomen kabels, toebehorende aan [aangever 6] en/of [naam bedrijf], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

5.

hij op 7 november 2011 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een aan de Aduarderdiepweg liggend terrein heeft weggenomen kabels, toebehorende aan [aangever 7] en/of [naam bedrijf],

waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en inklimming;

2. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd;

3. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd;

4. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

5. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf van 240 dagen waarvan 224 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport d.d. 23 juli 2012. Voorts heeft de officier van justitie de opheffing gevorderd van het geschorste bevel voorlopige hechtenis. Bij de bepaling van de eis heeft de officier van justitie de onder 1, 2 en 3 ad informandum gevoegde feiten meegenomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de gevorderde straf te matigen omdat verdachte vanaf het begin van het onderzoek open kaart heeft gespeeld. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de onder 1, 2 en 3 ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en die door verdachte zijn erkend.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen een korte periode meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van een flink aantal koperdiefstallen waarbij verdachte al dan niet door middel van braak, verbreking en inklimming stroomkabels van verschillende bouwplaatsen heeft weggenomen. Verdachtes rol bestond onder andere uit het doorzagen van de kabels. Diefstallen zijn ergerlijke feiten, die naast schade, vaak veel hinder veroorzaken voor de benadeelden. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten steeds zijn eigen gewin voorop gesteld. Hij heeft geen moment stil gestaan bij de overlast en schade die de benadeelden hebben ondervonden.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 januari 2012 blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

In het reclasseringsadvies d.d. 23 juli 2012 is gerapporteerd dat verdachte uit financiële nood de delicten heeft gepleegd. Vanwege zijn impulsiviteit en het ontbreken van probleembesef heeft verdachte tot op zekere hoogte niet nagedacht over de gevolgen van zijn handelen. Verdachte heeft aangegeven dat hij beseft dat hij voor een verkeerde probleemhantering heeft gekozen en dat hij gemotiveerd is om aan zijn problematiek te werken.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals verwoord in het reclasseringsadvies d.d. 23 juli 2012 een passende reactie vormt. De rechtbank neemt in overweging dat verdachte gemotiveerd is om aan zijn problemen te werken. De rechtbank zal een flinke voorwaardelijke straf opleggen teneinde te bewerkstelligen dat verdachte zich in de toekomst zal onthouden van het plegen van strafbare feiten.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Met betrekking tot feit 1 heeft als benadeelde partij zich in het strafproces gevoegd [naam bedrijf], gevestigd te [plaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.504,-.

Met betrekking tot feit 2 heeft als benadeelde partij zich in het strafproces gevoegd [naam bedrijf], gevestigd te [plaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.285,-

Met betrekking tot feit 4 heeft als benadeelde partij zich in het strafproces gevoegd [naam bedrijf], gevestigd te [plaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 31.280, 83.

Met betrekking tot het onder feit 5 heeft als benadeelde partij zich in het strafproces gevoegd [naam bedrijf], gevestigd te [plaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 41.268, 94.

Met betrekking tot het onder 2 ad informandum gevoegde feit heeft als benadeelde zich in het strafproces gevoegd [naam bedrijf], gevestigd te [plaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 677, 85.

Standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot de vorderingen van [naam bedrijf], [naam bedrijf] en [naam bedrijf] heeft de officier van justitie aangevoerd dat de vorderingen niet op de juiste wijze zijn ingediend omdat de machtiging ontbreekt. De benadeelde partijen dienen in hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot de vordering van [naam bedrijf] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze voor toewijzing vatbaar is tot een bedrag van € 4.621, 07 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de hoofdelijkheidsclausule. Het overige deel van de vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot de vordering van [naam bedrijf] heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 569, 62 (het totaalbedrag exclusief BTW) met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige deel van de vordering dient te worden afgewezen.

Standpunt van de verdediging

Evenals de officier van justitie heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [naam bedrijf], [naam bedrijf] en [naam bedrijf]

niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat de machtigingen ontbreken.

Ten aanzien van de vordering van [naam bedrijf] heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd omdat de opgave voor de beperkende bepalingen omtrent de beperkte volmacht van de vestigingsdirecteur niet bij de stukken is opgenomen. Op grond hiervan kan niet worden vastgesteld of de vordering op de juiste wijze is ingediend. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vordering, gelet op de omvang en de materie, een onevenredige belasting voor het strafproces vormt en zich meer leent voor een behandeling bij de burgerlijke rechter. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat indien de rechtbank van mening is dat de vordering geen onevenredige belasting van het strafproces vormt, hij zich kan vinden in het door de officier gevorderde bedrag.

Met betrekking van de vordering van [naam bedrijf] heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de gevorderde BTW niet toe te wijzen en de hoofdelijkheidsclausule toe te passen.

Beoordeling

De vorderingen van [naam bedrijf], [naam bedrijf] en [naam bedrijf] zijn naar het oordeel van de rechtbank niet op de juiste wijze ingediend wegens het ontbreken van een machtiging. De rechtbank zal daarom bepalen dat deze benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn, zodat deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat aanhouding van de zaak een ontoelaatbare vertraging van het strafproces ten gevolge zou hebben.

Met betrekking tot de vordering van [naam bedrijf] is de rechtbank van oordeel dat de vordering - gelet op de wijze waarop deze is samengesteld - noopt tot het geven van een bewijsopdracht om recht te doen aan het door de raadsman gevoerde verweer. In dat geval zal de rechtbank de zaak moeten aanhouden. De rechtbank heeft overwogen dat aanhouding van de zaak in verband met deze vordering een aanzienlijke vertraging van het strafproces ten gevolge zou hebben. Behandeling van de vordering zal derhalve een onevenredige belasting van het strafproces betekenen. De rechtbank zal daarom bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is, zodat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam bedrijf] door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van

€ 569, 62. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Het overige deel van de vordering betreft de BTW. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van dat onderdeel niet-ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Hoofdelijkheid

Verdachte is niet tot vergoeding van bovengenoemd bedrag gehouden voorzover dit bedrag al door verdachtes mededader is voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 200 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank waardeert de dagen die veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op twee uren werkstraf per dag.

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 8 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde voor het einde van dan wel gedurende een proeftijd van 2 jaren een of meer van de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde moet zich houden aan aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet al zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet de veroordeelde zich melden na (schriftelijke) uitnodiging door Reclassering Nederland. Hierna moet hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht,

- de hiervoor bedoelde aanwijzingen kunnen ook inhouden dat veroordeelde deelneemt aan een gedragsinterventie, te weten een Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVa of c.q. CoVa plus),

- dat veroordeelde zich ambulant laat behandelen bij Lentis of de AFPN,

- draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Beslissing met betrekking tot de vorderingen benadeelde partijen

Verklaart de benadeelde partij [naam bedrijf] (feit 1), gevestigd te [plaats], in de vordering niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [naam bedrijf] (feit 2), gevestigd te [plaats], in de vordering niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [naam bedrijf] (feit 4), gevestigd te [plaats], in de vordering niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [naam bedrijf] (feit 5), gevestigd te [plaats], in de vordering niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten te dragen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam bedrijf]

(ad informandum gevoegd feit 2), gevestigd te [plaats], toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 569, 62 (zegge: vijfhonderd negenenzestig euro en tweeënzestig cent).

Verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De veroordeelde is niet tot vergoeding van bovengenoemd bedrag gehouden voorzover dit bedrag al door veroordeeldes mededader is voldaan.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 569, 62 (zegge: vijfhonderd negenenzestig euro en tweeënzestig cent) ten behoeve van de benadeelde partij [naam bedrijf], gevestigd te [plaats], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 569, 62 ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, F.J. Agema en

J.V. Nolta, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Fennema als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2012.

Mr. F.J. Agema was buiten staat dit vonnis mede te tekenen.