Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX2980

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
30-07-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
18/670083-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Dood en letsel. Roekeloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 18/670083-12

datum uitspraak: 30 juli 2012

op tegenspraak

raadsman mr. R. Oude Breuil

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in PPC Zwolle, Huub van Doornestraat 15 te Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de onderzoeken op de terechtzittingen van

21 mei 2012 en 16 juli 2012.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 februari 2012, te Scheemda, in elk geval in de gemeente Oldambt, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de A7, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (te weten een personenauto), terwijl verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs, en/of terwijl in dat motorrijtuig drie (minderjarige) meisjes, te weten [slachtoffer 1, [slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 3] zaten,

- met een zeer hoge, althans (te) hoge snelheid gereden en/of

- niet voortdurend zijn, verdachtes, (beide) handen aan het stuur gehouden,

en/of

- niet voortdurend zijn, verdachtes, aandacht op de weg en/of op het (overige) op die weg, A7, rijdend verkeer, gehad en/of gehouden en/of

- zich (zonder noodzaak) in zijn bestuurdersstoel omgedraaid en/of (vervolgens) enige tijd naar achteren gekeken naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] die op de achterbank zaten en/of (hierbij) gezwaaid en/of

- zodanig gemanoeuvreerd dat verdachte met dat motorrijtuig

* links van de weg in de (midden)berm is gereden, althans terecht is

gekomen, en/of

* tegen een langs die weg, de A7, aan de linkerkant staande vangrail is

gereden en/of

gebotst, althans die vangrail heeft geschampt, althans geraakt, en/of

* naar rechts is gereden, althans gegaan, en/of

* tegen in een langs die weg aan de rechterkant gelegen slootberm(kant) is

gebotst en/of (waarna) dat motorrijtuig over de kop is geslagen en/of

waardoor dat motorrijtuig in die langs die weg, de A7, gelegen sloot is

terecht gekomen;

tengevolge van welk een en/of ander die [slachtoffer 3] is gedood en/of

tengevolge van welk een en/of ander die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel en/of zodanig lichamelijk letsel is toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie is van mening dat op grond van de stukken in het dossier kan worden bewezen dat verdachte schuld heeft aan de dood van [slachtoffer 3]en aan lichamelijk letsel van [ slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en dat de gradatie van deze schuld als ”roekeloos” moet worden aangemerkt. De officier van justitie is van mening dat het hierbij dan vooral gaat om het “foutieve” rijgedrag van verdachte dat heeft geleid tot het ontstaan van het ongeval. Dat verdachte geen rijbewijs heeft staat hierbij niet voorop. Verdachte heeft te hard gereden, reed soms slingerend over het midden van de weg, had tijdens het rijden (te) veel aandacht voor [slachtoffer 1] en zijn autoradio (met ingebouwd navigatiesysteem), en voorts draaide hij zich zonder noodzaak om in zijn stoel, keek enige tijd naar achteren en zwaaide. Zijn aandacht was derhalve niet voortdurend op de weg gericht. Door op deze manier te rijden zijn door hem welbewust onaanvaardbare risico’s genomen en is hij er op zeer lichtzinnige wijze van uitgegaan dat deze risico’s niet zouden worden gerealiseerd. De risico’s hebben zich echter wel voorgedaan en het rijgedrag van verdachte heeft tot gevolg gehad dat [slachtoffer 3] is overleden en [slachtoffer 2]en [slachtoffer 1] lichamelijk letsel hebben opgelopen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1 ten gevolge van het verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel dan wel zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat hieruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de dagelijkse bezigheden is ontstaan. Beide meisjes hebben slechts schaafwonden opgelopen en [slachtoffer 1] haar rechterheup is gekneusd. Dergelijk letsel kan niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt.

De raadsman is voorts van mening dat niet overtuigend kan worden bewezen dat verdachte te hard heeft gereden direct voorafgaand aan het ongeval. Er zijn weliswaar getuigen die aangeven dat verdachte vermoedelijk 140 km/uur heeft gereden, maar het blijft de vraag in hoeverre deze verklaringen betrouwbaar zijn. Uit het NFI rapport blijkt naar de mening van de raadsman dat verdachte niet te hard heeft gereden en zelfs zachter heeft gereden dan ter plaatse is toegestaan. Daarbij komt dat ook [slachtoffer 1]niet heeft verklaard dat verdachte te hard heeft gereden.

Daarnaast is er geen wettig en overtuigend bewijs voor het omkeren en zwaaien door verdachte waardoor hij in de berm is terecht gekomen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat dit is gebeurd. De verklaring hieromtrent van [slachtoffer 2] is naar de mening van de raadsman blijkens het dossier een afgeleide verklaring van deze verklaring van [slachtoffer 1]. Verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting verklaard dat hij heeft gezwaaid, maar dit zwaaien heeft volgens verdachte niet plaatsgevonden vlak voor het ongeval.

Naar de mening van de raadsman kan louter worden bewezen dat verdachte niet beschikte over een rijbewijs. Verdachte rijdt al vanaf zijn 18e in een auto en heeft ook rijlessen gevolgd. Verdachte heeft zijn rijbewijs niet gehaald omdat hij zijn theorie examen niet kon halen. Uit jurisprudentie blijkt volgens de raadsman dat het rijden zonder rijbewijs hooguit leidt tot de gradatie “aanmerkelijke onvoorzichtigheid.” Er zijn te weinig belastende elementen om tot de gradatie “roekeloosheid” te kunnen komen. Enkel de gradatie “aanmerkelijke onvoorzichtigheid” kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

De verklaring door verdachte op de terechtzitting van 16 juli 2012 afgelegd, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 8 februari 2012 reed ik als bestuurder in een zwarte Volkswagen Golf. Ik had 3 meisjes bij mij in de auto. Ik heb een ongeluk gekregen. Ik had nooit achter het stuur moeten gaan zitten zonder rijbewijs. Ik reed best vaak. Ik rijd vanaf mijn 18de al auto. Ik heb tussen de 30 en 40 autorijlessen gehad. Ik heb op sommige stukken wel te hard gereden. Ik heb wel verkeer ingehaald. Ik heb een keer achterom gekeken en naar iemand gezwaaid. Ik wist dat de meisjes geen gordel om hadden.

Een schriftelijk stuk (los opgenomen document), inhoudende een verslag betreffende het overlijden van [slachtoffer 3] d.d. 9 februari 2012, opgesteld door Th. Bosma, arts, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Conclusie: niet natuurlijke door multitrauma als gevolg van een verkeersongeval.

Een proces-verbaal d.d. 9 februari 2012 en een proces-verbaal d.d. 16 februari 2012,

opgenomen op respectievelijk pagina 67 en 68 van dossier nummer PL01PG 2012013528 d.d. 4 mei 2012, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2], zakelijk weergegeven:

Op 8 februari 2012 zei [verdachte] tegen ons dat wij met hem mee konden rijden naar Veendam. Hij haalde ons op bij de McDonald’s bij de Ikea in Groningen. Ik ben samen met [slachtoffer 3] achterin de auto gestapt. Ik zat achter de bijrijder [slachtoffer 1]en [slachtoffer 3] is achter [verdachte] gaan zitten.

Wij stonden op een gegeven moment voor een stoplicht in de stad Groningen. Ik hoorde [verdachte] behoorlijk tekeer gaan tegen een auto die daar ook stond te wachten. Ik zag dat dit een auto was met een Duits kenteken. Ik hoorde ook dat [verdachte] zijn gaspedaal meerdere malen intrapte. Hij was de Duitser aan het opjagen. Ik zag en ik hoorde dat [verdachte] behoorlijk was opgefokt. Op een gegeven moment ging de radio keihard aan. De muziek stond zo hard dat ik zat te trillen in de auto. Ik zie de hele tijd dat [verdachte] over de middenstreep van de weg rijdt. Ik zie en merk dat hij ook slingerend rijdt. Het is geen slalommen wat hij deed maar het leek er wel een beetje op. Ik hoorde [slachtoffer 1] wel tegen [verdachte] zeggen:"Doe normaal en rij gewoon". Ik heb gehoord dat ze dit meerdere keren heeft gezegd onderweg.

Ik vond het best wel heel eng hoe [verdachte] reed. Hij reed ook heel hard. Ik zag ook dat hij op een gegeven moment alleen maar naar [slachtoffer 1] keek en niet meer op de weg lette. Ik heb [slachtoffer 3] een keer aangekeken en zij mij en ik zag dat zij het ook eng vond.

Tijdens de rit in de auto zag ik dat [verdachte] vaak onderuit zat en dan met 1 hand het stuur vast hield. Nadat [verdachte] was gekeerd zag ik dat hij zich omdraaide in de stoel en zwaaide. Hij keek dus niet meer voor zich waar hij reed. Ik zag dat hij nog 1 hand op het stuur had en dat hij met de andere hand zwaaide.

Ik zag dat op het moment dat [verdachte] weer voor zich keek hij naar de andere kant van de rijbaan stuurde. Ik zag dat [verdachte] toen terug stuurde. Ik weet dat [slachtoffer 3] ook nog een ping bericht heeft gestuurd naar [getuige 1].

Een proces-verbaal d.d. 1 juli 2012 opgenomen als los document, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2], zakelijk weergegeven:

Op 7 maart ben ik weer naar school gegaan. De eerste paar weken daarna ben ik vaak veel eerder naar huis gegaan in verband met concentratieproblemen. Ik was heel vaak “vet”moe.

Mijn schoolprestaties zijn heel slechts sinds het ongeval. Ik heb na het ongeluk 4-5 weken fysiotherapie gehad. Ik heb nu nog concentratieproblemen. Soms slaap ik slecht. Ik heb nu nog vaak hoofdpijn en dan kan ik niet veel doen.

Een proces-verbaal d.d. 22 februari 2012 en een proces-verbaal 1 mei 2012 opgenomen op respectievelijk pagina 71 en 72 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven:

[Verdachte] was chagrijnig. Ik had wel het idee dat [verdachte] soms te hard reed. [Verdachte] zat de hele tijd op knopjes te drukken om een andere route, een kortere route of nieuwe route te kiezen. Hij deed dat vaak onderweg. Dat [verdachte]zwaaide heb ik zelf gezien. Hij nam echt de tijd om te zwaaien. Hij draaide zich helemaal om om te zwaaien. Toen reed hij naar links en raakte de vangrail. Toen stuurde hij weer naar rechts en toen kwam dat ongeluk.

Een proces-verbaal d.d. 1 juli 2012 opgenomen als los document, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven:

Op 7 maart ben ik weer naar school gegaan. Ik ben 4-5 weken daarna vaak veel eerder naar huis gegaan in verband met vermoeidheid en concentratieproblemen. Ik heb nu nog steeds concentratieproblemen en ben vaak moe. Ik ga nog naar de psycholoog. Soms heb ik veel hoofdpijn en dan kan ik niet veel doen.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2012 opgenomen op pagina 12 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant, heb de GSM gegevens van slachtoffer [slachtoffer 3] nader onderzocht. Uit de printgegevens van deze GSM bleek het volgende: Laatst verzonden "ping berichten" met [getuige 1].

Woensdag 16.29 uur - 16.31 uur. "Wáar ík ín de auto zítt weej", gevolgd door "Hy lus kk stond volgens mij"; gevold door "Vét hard en eng rijd ie nietnormaal" en als laatste "Als ik dood ga heb jij spijt dat je nu lachtt".

Een proces-verbaal d.d. 18 april 2012, opgenomen op pagina 44 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Op woensdag 8 februari 2012 reed ik om ongeveer 16.05 op de Sontweg voor de Ikea langs en zag toen, ter hoogte van de McDonald’s, in mijn spiegels een zwarte Volkswagen Golf achter mij rijden. Voor de stoplichten op de Sontweg ging ik in het vak voor linksaf staan. Ik zag toen dat die zwarte Golf mij slingerend inhaalde, bijna sneed, want hij voegde nogal wild in naar rechts. Ik moest van het gas af om geen aanrijding te krijgen. Ik zag toen dat die zwarte Golf weer abrupt naar links uitvoegde en met forse snelheid van mij wegreed. Ik vond de bestuurder opvallend slingerend rijden, hij voegde krap in en reed harder dan de toegestane 50 km/u. Voor de stoplichten moesten wij allebei wachten en ik stond naast die zwarte Golf. Die bestuurder was een jonge blanke vent, met kort haar. Naast hem zat een meisje met lang blond haar en achterin zaten ook 2 meiden met lang blond haar.

Een proces-verbaal d.d. 10 februari 2012, opgenomen op pagina 40 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3], zakelijk weergegeven:

Op woensdag 8 februari 2012 omstreeks 16:05 uur reed ik in mijn personenauto met daar achter een aanhanger via de oprit bij Westerbroek de Rijksweg A7 op.

Toen ik op de oprit snelheid maakte om de Rijksweg A7 op te gaan werd ik plotseling van links ingehaald. Ik werd ingehaald door een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, kleur zwart. Met mijn personenauto en aanhanger reed al bijna op rechterrijstrook van de Rijksweg A7 in de richting van Nieuweschans. Naast mij op de linkerrijstrook reed ook een personenauto. Ik schrok omdat deze personenauto, merk Volkswagen, type Golf, zich tussen ons door reed terwijl er maar twee rijstroken ter beschikking waren. Ik was stom verbaasd dat deze personenauto dit deed. De personenauto die op de linkerrijstrook reed op de Rijksweg A7 is voor mij opzij gegaan om voor mij ruimte te maken zodat ik de Rijksweg A7 op kon rijden. Mijn snelheid op de Rijksweg A7 was ongeveer 80 km/u. Mijn inschatting was dat de personenauto op de linkerrijstrook ongeveer 120 km/u reed. De personenauto, merk Volkswagen, type Golf kleur zwart reed nog sneller dan de personenauto op de linkerrijstrook. De zwarte Golf haalde toen hij tussen ons door reed zowel mij als de personenauto die links op de A7 reed in. Toen de zwarte Golf mij passeerde heb ik in de auto gekeken en ik kon de bestuurder in zijn gezicht zien. Het betrof hier een jongen met een smal slank gezicht. Wat ik ook zag was dat er nog 3 meiden in de personenauto zaten. Ik zag nog dat de zwarte Golf na het inhalen terug ging naar de rechterrijstrook, toen weer naar de linkerrijstrook ging rijden, maar niet verder kon omdat daar andere personenauto's reden. Ik zag dat de zwarte Golf daar erg dicht achterop reed. Toen de voorganger van de zwarte Golf naar de rechterrijstrook ging zag ik dat hij met hoge snelheid zijn weg vervolgde.

Een proces-verbaal d.d.10 februari 2012, opgenomen op pagina 43 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 4], zakelijk weergegeven:

Op 8 februari 2012 nam ik bij Scheemda de oprit naar de Rijksweg A7 richting Groningen. Bij het invoegen haalde mij op de linkerrijstrook een personenauto in met hoge snelheid. Het betrof hier een personenauto merk Volkswagen, type Golf, kleur zwart. Bij het invoegen op de Rijksweg A7 reed ik met een snelheid van 120 km/u. De zwarte Volkswagen Golf haalde mij met een groot snelheidsverschil in. Als ik de snelheid moet inschatten denk ik dat hij met een snelheid van 140 km/u reed.

Een proces-verbaal d.d. 16 februari 2012, opgenomen op pagina 37 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 5] zakelijk weergegeven:

Ik reed op 8 februari 2012 omstreek 16:30 uur op de A7 in de richting van Hoogezand. Ter hoogte van de inrit naar het Esso tankstation werd ik ingehaald door een zwarte Volkswagen Golf. Ik zag dat hij mij met ongeveer 140-145 km/u inhaalde. Ik reed 120 km/u, mijn auto stond vast in de cruise-control. Hij haalde mij makkelijk in, reed mij spoedig voorbij.

Een proces-verbaal d.d. 21 februari 2012, opgenomen op pagina 42 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 6], zakelijk weergegeven:

Op woensdag 8 februari 2012, omstreeks 16.30 uur reed ik op de A7 richting Groningen. Ik kwam uit Winschoten en was op naar huis in Groningen. Ik werd op enig moment, voorbij de afslag Scheemda, ingehaald door de bestuurder van een zwarte Volkswagen Golf. Ik reed ongeveer 110-120 km/u en ik vond dat die bestuurder van dat zwarte Golfje mij met hoge snelheid inhaalde. Ik heb die bestuurder gezien, een blanke jonge man met rood/rossig haar.

Tijdens het inhalen keek ik naar links en keek recht in de ogen van een meisje dat naast die bestuurder zat. Achterin die Golf zaten 2 meiden met lang blond haar. Ik schat dat de snelheid waarmee hij inhaalde op ongeveer 150 km/u. Ik haalde vervolgens een vrachtwagen in en reed ongeveer 120 km/u in verband met inhalen van die vrachtwagen. Die bestuurder van dat zwart Golfje reed snel van mij af en reed snel bij mij vandaan.

Een proces-verbaal d.d. 10 februari 2012, opgenomen op pagina 38 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 7], zakelijk weergegeven:

Ik werd na de oprit vanaf Scheemda even na het tankstation ingehaald door een personenauto. De snelheid van deze personenauto schatte ik op 140 km/u omdat het mij met een fors snelheidsverschil passeerde. Ik zag dat het een personenauto was van het merk Volkswagen, type Golf, kleur zwart. Ik zag dat de personenauto naar links reed. Ik zag dat de personenauto de vangrail raakte, schampte. Ik zag dat de bestuurder de macht over het stuur verloor en naar rechts schoot.

Een proces-verbaal d.d. 17 februari 2012, opgenomen op pagina 36 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van getuige 8], zakelijk weergegeven;

Op woensdag 8 februari omstreeks 16:30 uur reed ik als bestuurder in een vrachtauto. Ik reed op Rijksweg A7 in de richting van Groningen. Ik reed op de rechterrijstrook. Mijn snelheid was ongeveer 88 tot 89 km/u, ik had hem namelijk op cruisecontrole staan. Ik zag in mijn linkerbuitenspiegel dat een personenauto mij ging inhalen. Ik zag dat de snelheid hoog lag omdat hij mij snel naderde. Ik schat dat dit zeker 140 km/u was, die auto kwam namelijk heel snel dichterbij. Ik zag dat de personenauto mij inhaalde. Ik zag dat het een personenauto betrof van het merk Volkswagen, type Golf, kleur zwart. Ik zag dat toen de personenauto mij gepasseerd was, hij sterk naar rechts stuurde. Ik zag toen hij op de rechterrijstrook reed hij ook weer sterk naar links stuurde. Het gebeurde op een manier waar bij ik dacht, de bestuurder heeft zijn personenauto niet meer onder controle. Ik zag dat de personenauto links richting de vangrail reed en in de middenberm terecht kwam. Ik zag dat de personenauto weer sterk naar rechts stuurde en recht op mij af kwam. Ik zag dat die personenauto voor mijn vrachtauto langs schoot. Ik zag dat die personenauto in de rechterberm kwam en daarna de sloot in reed en over de kop sloeg.

Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (VOA), nummer 08.02.2012.16.45.5016 d.d. 16 juni 2012, als los document behorend bij voornoemd dossier gevoegd, als relatering van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van de Volkswagen. De bestuurder reed met zijn voertuig over de A7 komende vanuit de richting Nieuweschans en gaande in de richting van Groningen. In de nabijheid van hectometerpaal 225.8 raakte de bestuurder met zijn voertuig in de middenberm. De linker wielen van het voertuig tekenden een rijspoor af in de berm. Aan het eind van dit rijspoor ging het ene rijspoor over in twee slipsporen. Dit duidt erop dat het voertuig al in de berm in een dwarsslip terecht kwam. Deze dwarsslip is zeer waarschijnlijk ontstaan door een te heftige stuurreactie van de bestuurder bij het uitsturen van de middenberm. Het voertuig kwam deels in de middenberm en op de rijbaan in een ongecontroleerde dwarsslip terecht en roteerde met de klok mee naar rechts. Het voertuig beschreef een curve en ging daarbij diagonaal de rijbaan over en raakte in de rechterberm. In deze berm raakte het voertuig een hectometerpaal (225.8). De paal waarop dit bord was bevestigd knikte door de aanrijding net boven de grond. Het bord zelf werd door ons later aangetroffen in de sloot op het ijs.

Voertuig 1 kwam met zijn voorzijde in de bevroren slootberm terecht en werd daardoor fors vertraagd. Door deze botsing met de slootwal deformeerde de rechter chassispoot van het voertuig waardoor deze naar rechts werd omgezet. Hierdoor braken de motorsteunen van de motor af en kwam de motor vrij uit het voertuig. Doordat het voertuig, nadat het met de voorzijde in de slootwal terecht kwam, nog niet stilstond maar roteerde werd, het motorblok als het ware uit het voertuig geworpen. Dit werd bevestigd door de sporen (stempel-, vloeistofsporen en voertuigdelen) die vanuit de sloot in de richting van de eindpositie van de motor werden aangetroffen. Het voertuig roteerde nogmaals en kwam op zijn dak in de voornoemde sloot terecht. Derhalve is het losraken van het motorblok en het verliezen daarvan, uitgesloten en geen ongevalsoorzaak. Uit onderzoek is vast komen te staan dat de stuurinrichting van voertuig 1 voor het ongeval goed heeft kunnen functioneren.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Uit het proces- verbaal van de VerkeersOngevalsAnalyse blijkt dat de oorzaak van het ongeval moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van de Volkswagen.

Verdachtes veronderstelling dat het ongeval mogelijk is veroorzaakt door een technisch gebrek aan zijn auto wordt weerlegd door de VOA-rapportage.

Voorts blijkt uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband beschouwd, dat verdachte, die een zwarte Volkswagen Golf bestuurde en in zijn auto [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vervoerde, vanaf het vertrek bij de McDonald’s in Groningen tot aan het moment waarop het ongeluk heeft plaatsgevonden, een erg incorrecte verkeersattitude had. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt onder meer dat verdachte tijdens het rijden opgefokt was, vaak te snel en slingerend reed, hij tijdens het rijden veelvuldig op de knoppen van het navigatiesysteem zat te drukken, op gevaarlijke wijze andere voertuigen inhaalde, langdurig achterom keek en met een hand zwaaide, waardoor hij nog maar een hand aan het stuur had en zijn aandacht niet voortdurend op de weg had. Gelet op vorenstaande was er naar het oordeel van de rechtbank zonder meer sprake van zeer onvoorzichtig rijgedrag.

Voorts wist verdachte dat de meisjes die bij hem in de auto zaten geen gordel droegen. Hij heeft desondanks zijn zeer onvoorzichtige rijgedrag gehandhaafd. Daarnaast heeft verdachte op de terechtzitting van 16 juli 2012 verklaard dat hij 30 à 40 autorijlessen heeft gevolgd en al vanaf zijn 18e jaar autoreed. Verdachte moet zich gelet op deze rijervaring bewust zijn geweest van het ernstige gevaarzettende karakter van zijn rijgedrag, te meer nu hij ook de wetenschap had dat hij nog niet van een daartoe bevoegde instantie de bevoegdheid had gekregen om zelfstandig te mogen rijden.

De rechtbank is van oordeel dat uit dit samenstel van gedragingen en omstandigheden volgt dat verdachte met zijn zeer onvoorzichtige rijgedrag welbewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen met mogelijk ernstige gevolgen.

De ernstige gevolgen hebben zich in het onderhavige geval ook verwezenlijkt.

[Slachtoffer 3] is ten gevolge van het handelen van verdachte overleden en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is zodanig lichamelijk letsel toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rechtbank is gelet op vorenstaande van oordeel dat er sprake was van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 en dat de gradatie van schuld als “roekeloosheid” in de zin van artikel 175 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 moet worden gekwalificeerd. De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de hieronder aangehaalde, aangaande de persoon van verdachte opgemaakte rapportages. Deze rapportages doen aan de zojuist weergegeven beoordeling niet af.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 8 februari 2012, te Scheemda, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de A7, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, roekeloos met dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (te weten een personenauto), terwijl verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs, en terwijl in dat motorrijtuig drie (minderjarige) meisjes, te weten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zaten,

- met een te hoge snelheid gereden en

- niet voortdurend zijn, verdachtes, (beide) handen aan het stuur gehouden,

en

- niet voortdurend zijn, verdachtes, aandacht op de weg en op het (overige) op die weg, A7, rijdend verkeer, gehad en gehouden en

- zich (zonder noodzaak) in zijn bestuurdersstoel omgedraaid en (vervolgens) enige tijd naar achteren gekeken naar en in de richting van die [slachtoffer 2]en/of die [slachtoffer 3] die op de achterbank zaten en gezwaaid en

- zodanig gemanoeuvreerd dat verdachte met dat motorrijtuig

* links van de weg in de (midden)berm is gereden en

* tegen een langs die weg, de A7, aan de linkerkant staande vangrail is

gereden en gebotst en

* naar rechts is gereden en

* tegen in een langs die weg aan de rechterkant gelegen slootberm(kant) is

gebotst en dat motorrijtuig over de kop is geslagen en dat motorrijtuig in

die langs die weg, de A7, gelegen sloot is terecht gekomen,

waardoor die [slachtoffer 3] is gedood en waardoor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel is toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeluk betreft waardoor een ander is gedood en aan anderen zodanig letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering van de normale bezigheden is ontstaan en terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d.12 juli 2012, opgemaakt door T.W.D.P. van Os, psychiater en de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 12 juli 2012, opgemaakt door H.A. de Jonge, psycholoog.

De conclusies van deze rapporten luiden, zakelijk weergegeven, dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakzinnigheid op de grens van zwakbegaafdheid. Er is tevens sprake van een gemengde persoonlijkheid met antisociale, narcistische en borderline trekken. Deze gebrekkige ontwikkeling bestond ook ten tijde van het ten laste gelegde. Gezien de verstandelijke beperking in combinatie met persoonlijkheidsproblematiek kan verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

De rechtbank kan zich, gelet op de onderbouwing daarvan, met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daarbij als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringstoezicht, deelnemen aan een COVA+ training; een ambulante behandeling bij Trajectum of een soortgelijke instelling, alsmede het zich houden aan de aanwijzingen van stichting MEE. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafeis onder meer rekening gehouden met de aard en ernst van het feit. Verdachte heeft door zijn rijgedrag onpeilbaar en onvoorstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer en haar omgeving.

Daarnaast is te verwachten dat de twee andere meisjes die ook in de auto zaten ten tijde van het ongeluk, nog lang psychisch last zullen houden van hetgeen hen is overkomen. De officier van justitie heeft daarnaast rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman is primair van mening dat verdachte schuld aan het ongeluk heeft in de zin van “aanmerkelijk onvoorzichtig”. Gelet hierop dient er op basis van de LOVS-richlijnen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden opgelegd te worden. Nu verdachte reeds vanaf februari 2012 in voorarrest verblijft, dient verdachte onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld wegens strijd met het anticipatiebeginsel. Indien de rechtbank tot de gradatie “zeer onvoorzichtig” handelen mocht komen, dient er op basis van de LOVS-richtlijnen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden te worden opgelegd. Uit de rapportages blijkt echter dat verdachte op de grens van zwakbegaafdheid zit en verminderd toerekeningsvatbaar is. Voorts zal de rechtbank waarschijnlijk zwaarwegende voorwaarden aan een voorwaardelijke gevangenisstraf verbinden. Gelet op deze twee omstandigheden is de raadsman van mening dat, ook indien de rechtbank tot de gradatie “zeer onvoorzichtig” handelen mocht komen, verdachte lang genoeg heeft gezeten en onmiddellijk in vrijheid dient te worden gesteld.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 8 februari 2012 rijdend over de weg de A7 - terwijl er in zijn auto drie meisjes zaten die geen gordel droegen - roekeloos gereden. Verdachte had onder meer zijn aandacht niet voortdurend bij de weg, reed vaak te snel en slingerend, zat tijdens het rijden op de knoppen van het navigatiesysteem te drukken, haalde op gevaarlijke wijze andere voertuigen in, keek achterom en zwaaide met een hand. Door dit roekeloze rijgedrag heeft verdachte een ongeval veroorzaakt. Verdachte heeft daarmee niet alleen zijn passagiers maar ook zijn medeweggebruikers blootgesteld aan levensgevaar. In dit geval heeft dit levensgevaar zich ook gerealiseerd, waardoor de nabestaanden van het dodelijke slachtoffer en de overlevende slachtoffers zich geconfronteerd zien met onuitwisbare gevolgen. Een jong leven is afgebroken. Voorts is aan twee jonge mensen zodanig lichamelijk letsel toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. De slachtofferverklaringen van zowel de ouders van [slachtoffer 3] als die van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zoals op de terechtzitting van 16 juli 2012 voorgelezen, geven hiervan blijk.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, alsmede met het strafblad van verdachte, waaruit onder meer blijkt dat verdachte in het verleden reeds is veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. De rechtbank constateert dat deze confrontaties met justitie verdachte er niet van hebben weerhouden om auto te blijven rijden zonder rijbewijs.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, de inhoud van de rapporten van de psycholoog en psychiater voornoemd en het advies van de reclassering d.d. 13 juli 2012.

Blijkens de rapportages wordt het recidiverisico als hoog ingeschat indien verdachte niet wordt begeleid en behandeld voor zijn gebrekkige ontwikkeling. De belangrijkste risicofactoren zijn de persoonlijkheidsstoornis met de antisociale attitude, de narcistische opstelling van verdachte, alsmede zijn verstandelijke handicap.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van het feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer passend. De rechtbank acht het echter noodzakelijk tevens bijzondere voorwaarden op te leggen, inhoudende deelname aan gedragsinterventie, een behandelverplichting met betrekking tot zijn agressie- en impulsproblematiek gedurende de proeftijd waarin het toezicht van de reclassering van toepassing is en waarbij verdachte zich tevens dient te houden aan de aanwijzingen van Stichting MEE.

Gezien het hoge recidiverisico en de aard van de stoornis van verdachte acht de rechtbank daarnaast derhalve een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld een langdurig toezicht van belang. Er moet naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De rechtbank zal daarom een langere proeftijd dan gebruikelijk opleggen.

De rechtbank acht tevens een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor lange duur op haar plaats omdat verdachte het feit met een motorvoertuig heeft begaan en door het plegen ervan de verkeersveiligheid in ernstige mate in gevaar heeft gebracht.

Beslag

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een auto, Volkswagen Golf, kenteken PG-GP-36 en een autoradio merk Clarion, moet worden verbeurd verklaard.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat het bewezenverklaarde feit met betrekking tot de in beslag genomen goederen is begaan

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 5 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde voor het einde van dan wel gedurende de proeftijd van 3 jaren één of meer voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

-zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en,

-ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van

een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op

de identificatieplicht ter inzage aanbiedt, en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid,

Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde moet zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen die de

Reclassering hem geeft;

- de veroordeelde moet deelnemen aan de cognitieve vaardigheidstraining+ (CoVa+);

- de veroordeelde moet deelnemen aan behandeling met betrekking tot zijn agressie- en

impulsproblematiek en persoonlijkheidsproblematiek bij Trajectum Zwolle of een

soortgelijke Ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij

verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen en voorschriften die hem in het kader van

die behandeling door of namens de instelling/ behandelaar zullen worden gegeven;

- de veroordeelde wordt verplicht zich te houden aan de aanwijzingen van Stichting MEE.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.

Verklaart verbeurd een auto, Volkswagen Golf, kenteken PG-Gp-36 en een auto radio Merk Clarion.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, L.W. Janssen en

K.K. Lindenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. de Jong, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juli 2012.