Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX2335

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-07-2012
Datum publicatie
23-07-2012
Zaaknummer
18/670022-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 en 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 en 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Gevangenisstraf van 3 jaar waarvan 2 jaar voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670022-12 (promis)

datum uitspraak: 5 juli 2012

op tegenspraak

raadsman: mr. G. Meijer

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op datum],

wonende te [plaats],

thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel, Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juni 2012.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na toegestane vordering nadere omschrijving op grond van artikel 314a Wetboek van Strafvordering - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2009 tot en met 16 januari 2012 te Wildervank, althans in de gemeente Veendam, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2009 tot en met 16 januari 2012 te Wildervank, althans in de gemeente Veendam, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende GHB (Gamma-hydroxybutyraat) en/of een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep en/of een of meer hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd,

zijnde GHB (Gamma-hydroxybutyraat) en/of hennep en/of hasjiesj (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 17 januari 2012 te Wildervank, in elk geval in de gemeente Veendam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2882 milliliter, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram GHB (Gammahydroxyboterzuur en/of 4-hydroxyboterzuur) en/of ongeveer 1439 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep

en/of ongeveer 6,6 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en/of ongeveer 11 plakken cake bevattende hennep, en/of ongeveer 12 muffins bevattende hennep en/of ongeveer 17 hennepzaden,

zijnde GHB (Gammahydroxyboterzuur en/of 4-hydroxyboterzuur) en/of hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 17 januari 2012 te Wildervank, in elk geval in de gemeente Veendam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 169,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 44,8 gram in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 1890 pillen in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie verwijst daartoe naar het proces-verbaal van bevindingen van de doorzoeking van de woning van verdachte waarbij GHB, wiet, hashcake, hash, hennep, speed, amfetamine en XTC-pillen zijn aangetroffen. Daarnaast wijst de officier van justitie op de getuigenverklaringen van [getuie 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7] en [getuige 8].

Voorts wijst de officier van justitie op de chatberichten die zijn aangetroffen op de computer van verdachte en op de sms-berichten in de telefoons van verdachte waaruit kan worden afgeleid dat verdachte zich bezig hield met de verkoop van drugs. Uit de in beslag genomen agenda van verdachte kan het gebruik van en de handel in drugs in de periode van april 2010 tot januari 2012 worden afgeleid.

De officier van justitie heeft verder aangevoerd dat ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet bewezen kan worden dat sprake is van medeplegen. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de echtgenote en dochter van verdachte zich hebben bezig gehouden met de handel dan wel de verstrekking van de drugs.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 3 en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie wijst daartoe op het proces-verbaal van doorzoeking van de woning van verdachte, het proces-verbaal waarbij monsters zijn genomen van de aangetroffen middelen en uit de voorlopige tests is gebleken dat sprake is van GHB en THC. Voorts wijst de officier van justitie op het rapport van het NFI waaruit is gebleken dat sprake is van MDMA en amfetamine. De officier van justitie wijst tevens op de verklaring van verdachte waarbij hij erkent dat hij drugs heeft verstrekt tijdens weekend adult party’s alsmede op de eerder genoemde verklaringen van getuigen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Met de officier van justitie is de raadsman van mening dat ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet bewezen kan worden dat sprake is van medeplegen.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen

(zakelijk weergegeven).

Ten laste gelegde onder 1, 2, 3 en 4

De bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd

Een proces-verbaal bevindingen d.d. 19 januari 2012, opgemaakt door J.L.A. van Gelder,

opgenomen op p. 110 van het dossier nr. PLO1PD 2012003580, d.d. 18 mei 2012 van Regiopolitie Groningen

Een proces-verbaal bevindingen opgemaakt door E.W. de Vries en W, Scheper d.d. 18 januari 2012, opgenomen op p. 702 e.v. van voornoemd dossier,

Het NFI rapport d.d. 13 maart 2012, opgemaakt door A.G.A. Sprong, opgenomen op pagina 720 e.v. van voornoemd dossier

Een proces-verbaal d.d. 18 januari 2012, opgenomen op pagina 221 e.v. in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 9]

Een proces-verbaal d.d. 26 januari 2012, opgenomen op pagina 249 e.v. in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1]

Een proces-verbaal d.d. 15 maart 2012, opgenomen op pagina 253 e.v. in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2]

Een proces-verbaal d.d. 15 maart 2012, opgenomen op pagina 258 e.v. in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3]

Een proces-verbaal d.d. 21 maart 2012, opgenomen op pagina 293 e.v. in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 6]

Een proces-verbaal d.d. 22 maart 2012, opgenomen op pagina 368 e.v. in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 7]

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is, met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde van oordeel dat uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander dan wel anderen heeft gehandeld. De rechtbank zal verdachte van dat onderdeel van het onder 1 en 2 tenlastegelegde dan ook vrijspreken.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in het tijdvak van 1 januari 2009 tot en met 16 januari 2012 te Wildervank,

meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd amfetamine en MDMA, zijnde amfetamine en MDMA (telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in het tijdvak van 1 januari 2009 tot en met 16 januari 2012 te Wildervank,

meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd GHB (Gamma-hydroxybutyraat) en hennep en een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd,

zijnde GHB (Gamma-hydroxybutyraat) en hennep en hasjiesj (telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 17 januari 2012 te Wildervank, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2882 milliliter GHB (Gammahydroxyboterzuur en 4-hydroxyboterzuur) en ongeveer 1439 gram hennep en ongeveer 6,6 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en ongeveer 11 plakken cake bevattende hennep, en ongeveer 12 muffins bevattende hennep en ongeveer 17 hennepzaden, zijnde GHB (Gammahydroxyboterzuur en

4-hydroxyboterzuur) en hennep en hasjiesj (telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij op 17 januari 2012 te Wildervank, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 169,1 gram amfetamine en ongeveer 44,8 gram MDMA en ongeveer 1890 pillen bevattende MDMA,

zijnde amfetamine en MDMA (telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

4. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van de duur die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, heeft de politie bij de huiszoeking van verdachte niet in strijd met de Aanwijzing Rechtsbijstand Politieverhoor gehandeld waardoor strafvermindering zou moeten volgen. Nu er geen sprake was van een verhoor in de zin van de Aanwijzing bestond er voor de verbalisanten geen plicht om verdachte op zijn recht te wijzen een raadsman te consulteren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat bij de huiszoeking bij verdachte sprake was van een verhoorsituatie en dat de politie in de geest van de Aanwijzing Rechtsbijstand Politieverhoor had moeten handelen. De politie had verdachte op zijn recht moeten wijzen om voorafgaande aan de huiszoeking een raadsman te consulteren. Nu de politie zulks heeft nagelaten moet dit leiden tot strafvermindering.

Voorts heeft de raadsman ervoor gepleit bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De detentie heeft een enorme impact gehad op het leven van verdachte. Verdachte is onder meer zijn baan kwijt geraakt en is in financiële moeilijkheden geraakt waardoor de hypotheek niet meer kan worden betaald.

Gelet op het voorgaande heeft de raadsman er voor gepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van maximaal één jaar dient te worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage van de reclassering, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij zich gedurende drie jaar schuldig heeft gemaakt aan de handel in amfetamine, ecstasy, GHB en hennep. Daarnaast is ten laste van verdachte bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van GHB, hennep en een grote hoeveelheid ecstasypillen.

Dit zijn voor de gezondheid van de gebruikers daarvan schadelijke stoffen waarvan het gebruik niet alleen niet zelden leidt tot ernstige verslavingspro¬ble¬matiek, maar – met name GHB - ook grote risico’s oplevert voor de gezondheid, nu dit kan leiden tot bewustzijnsverlies en - in het ernstigste geval - de dood ten gevolge kan hebben.

Het plegen van dergelijke strafbare feiten rechtvaardigt in beginsel naar het oordeel oplegging van een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Daarin wordt als uitgangspunt voor dergelijke strafbare feiten gepleegd gedurende een dergelijke periode een gevangenisstraf van in beginsel drie jaren gehanteerd.

De rechtbank neemt aan dat de omvang van het drugsgebruik en de drugshandel zich gedurende de bewezen verklaarde periode heeft ontwikkeld van klein naar groot waarbij pas in het laatste jaar die omvang is bereikt die uit de in beslag genomen hoeveelheid drugs kan worden afgeleid.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het nalaten van de verbalisanten, verdachte bij de doorzoeking van zijn woning te wijzen op zijn consultatierecht, geen strafverminderende werking tot gevolg. Daartoe overweegt de rechtbank dat het vragen om toestemming voor de doorzoeking van een woning niet is aan te merken als een (aanvang van een) verdachtenverhoor in de zin van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering aangezien er door de verbalisanten geen vragen aan verdachte werden gesteld betreffende zijn betrokkenheid bij een mogelijk strafbaar feit. Er bestond derhalve geen plicht voor de verbalisanten, verdachte te wijzen op zijn recht een raadsman te consulteren. De rechtbank wijst in dit verband op HR 27 maart 2012, LJN BV8288 en Hof Arnhem 22 september 2010, LJN BO3562.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de hoogte van de straf in aanmerking dat uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 januari 2012 is gebleken dat verdachte niet eerder ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld.

Voorts neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat niet uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte met zijn handel in drugs puur op eigen geldelijk gewin uit was. De drugshandel heeft met name plaatsgevonden in de sfeer van zogenaamde weekend adult party’s die na verloop van tijd een grotere omvang heeft gekregen.

Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat in het reclasseringsadvies d.d. 18 juni 2012 wordt aangegeven dat de kans op recidive laaggemiddeld is.

De rechtbank neemt eveneens in aanmerking dat verdachte door de strafzaak inmiddels zijn baan is kwijtgeraakt en in financiële problemen is geraakt met alle gevolgen van dien.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd. Gelet op de duur van de handel is een straf zoals door de officier van justitie is geëist in beginsel passend. Omdat de rechtbank aanneemt dat de omvang pas in het laatste jaar aanzienlijk is geweest en omdat verdachte, zeker aanvankelijk, niet op puur winstbejag uit was, zal de rechtbank het grootste deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar, mede om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3 en 11 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1, 2 , 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 2 (twee) jaren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, P.H.M. Smeets en M.J.B. Holsink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J. de Wind, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juli 2012.