Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX0944

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
31-05-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
Awb 12/222
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet kinderopvang. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan afgezien dient te worden van invordering. Deze omstandigheden zijn in dit geval gelegen in het feit dat in de Wko en het beleid geen grondslag gevonden kan worden voor handhaving. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/222

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2012 in de zaak tussen

(…), eiseres

(gemachtigde: mr. J. W. Heida),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Winsum, verweerder

(gemachtigden: S. van Roon en J. de Boer).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van een dwangsom ter hoogte van € 4.000,-.

Bij besluit van 8 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2012. Namens eiseres zijn

T. Verstappen en O. Verstappen verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door genoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Op 2 augustus 2011 is aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd in verband met de overtreding van artikel 1.50 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen (hierna: Wko) in samenhang met artikel 3, eerste en vierde lid, van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen (hierna: de Beleidsregels). In de last onder dwangsom is eiseres tot 17 augustus 2011 in de gelegenheid gesteld de last uit te voeren zonder dat de dwangsom wordt verbeurd. De dwangsom op het niet of niet tijdig voldoen aan de last is gesteld op € 1.000,- per kind, met een maximum van € 12.000,-. Op 13 september 2011 heeft de toezichthouder een inspectie uitgevoerd bij (naam eiseres). De inspecteur heeft geconstateerd dat op deze datum de maximale groepsgrootte van de babygroep met vier kinderen werd overschreden.

2. Het bestreden besluit gaat over de handhaving van de invordering van de verbeurde dwangsommen van in totaal € 4.000,-.

3. Eiseres heeft betoogd dat de door verweerder in het bestreden besluit geconstateerde overschrijding van het maximaal aantal kinderen, zoals vastgelegd in het Besluit register kinderopvang en peuterspeelzalen, niet in de last als overtreding is verwoord. De overtreding van de maximale groepsgrootte zoals verweerder deze in de last heeft opgenomen, heeft niet plaatsgevonden volgens eiseres. Nu evenwel zowel de bepalingen omtrent de groepsgrootte als de bepalingen omtrent het maximale aantal kinderen in de Beleidsregels zijn opgenomen, kan verweerder op basis van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 december 2011 niet overgaan tot handhaving.

4. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht over is gegaan tot invordering van de dwangsommen van € 4.000,-.

Bij besluit van 2 augustus 2011 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd in verband met het overtreden van de maximale groepsgrootte zoals is vastgelegd in artikel 1.50 van de Wko in samenhang met artikel 3, eerste en vierde lid van de Beleidsregels. Eiseres is aangeschreven de overtreding te beëindigen binnen twee weken na dagtekening van het besluit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per kind waarmee de maximaal toegestane groepsgrootte wordt overschreden tot maximaal

€ 12.000,-. Eiseres heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

Bij schrijven van 1 november 2011 heeft verweerder eiseres bericht, dat bij een controle op 13 september 2011 is gebleken dat die dag de maximale toegestane groepsgrootte van de babygroep met vier kinderen is overschreden. Er waren 16 kindplaatsen in plaats van 12. Het overplaatsen van deze kinderen naar de peutergroep leidt eveneens tot een overschrijding van de groepsgrootte, omdat deze groep met 16 kindplaatsen maximaal bezet is. Daarmee zijn volgens verweerder dwangsommen van in totaal € 4.000,- verbeurd en is gesteld dat eiseres een factuur wordt gezonden ter betaling van dit bedrag.

Bij besluit van 16 november 2011 is eiseres op grond van artikel 5:37 van de Awb meegedeeld dat de betreffende dwangsommen tot een bedrag van € 4000,- ingevorderd zullen worden omdat de maximale groepsgrootte van de babygroep met vier kinderen is overschreden.

De rechtbank stelt voorop dat eiseres geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 2 augustus 2011, waarbij haar een last onder dwangsom is opgelegd. Deze last dient in deze procedure dan ook als een gegeven te worden aanvaard. Dat betekent ook dat vast staat dat eiseres als overtreder van het aan de last ten grondslag gelegd wettelijk voorschrift mocht worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt vervolgens dat op basis van de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37 van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 115) ter motivering van een daarop gebaseerde invorderingsbeslissing het bestuursorgaan allereerst zal moeten aangeven op welke gronden het van oordeel is dat de dwangsommen zijn verbeurd (dus: dat de last is overtreden), alsmede tot welk bedrag deze zijn verbeurd. Benadrukt zij dat de invorderingsbeschikking in zoverre een declaratoir karakter heeft. De dwangsommen worden van rechtswege verbeurd door de overtreding van de last. De vaststelling bij beschikking dat en tot welk bedrag dit is geschied, is nodig om de geldschuld te kunnen invorderen, maar doet haar niet ontstaan. Naast dit oordeel over de verbeurte dient het bestuursorgaan de beslissing om tot invordering over te gaan, te motiveren. Doorgaans zal daartoe echter kunnen worden volstaan met de overweging, dat er geen redenen zijn om van invordering af te zien.

In aansluiting op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in dit beroep tegen het invorderingsbesluit derhalve allereerst aan de orde is of de last is overtreden door degene aan wie het invorderingsbesluit is gericht en zo ja, in hoeverre en tot welke verbeuring van dwangsommen dat heeft geleid. De rechtbank stelt vast dat het invorderingsbesluit terecht aan eiseres is gericht nu zij in de last als overtreder is aangemerkt. Voorts is met de overschrijding van de maximale groepsgrootte met vier kinderen de last overschreden en leidt dit tot een verbeuring van dwangsommen tot € 4.000,-.

Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37 van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, p. 115) vergt een adequate handhaving dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen ook worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2011 (LJN: BU8881). In het onderhavige geval strekt de last onder dwangsom, die is opgelegd wegens het overtreden van de regels met betrekking tot de groepsgrootte, eveneens tot handhaving van normen die zijn gesteld in de Beleidsregels. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat, onder verwijzing naar genoemde uitspraak van de Afdeling, ook in dit geval geconcludeerd dient te worden dat artikel 1.50, eerste lid, van de Wko en de Beleidsregels geen grondslag bieden voor handhaving van de regels met betrekking tot de groepsgrootte. De gemeente was dus feitelijk niet bevoegd handhavend op te treden ten aanzien van overtredingen van deze regels. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, ondanks dat de last voorafgaand aan de uitspraak van de Afdeling onherroepelijk is geworden, bij de heroverweging van de invorderingsbeschikking op basis van genoemde uitspraak had moeten besluiten dat in redelijkheid geen gebruik kon worden gemaakt van de bevoegdheid tot invordering.

5. Het beroep wordt gegrond verklaard. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit.

6. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, moet op basis van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 door verweerder aan eiseres wordt vergoed.

7. De rechtbank ziet verder aanleiding verweerder op de basis van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank de kosten in beroep op € 874,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt € 437,00).

Beslissing

De rechtbank

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 8 februari 2012;

- herroept het primaire besluit van 16 november 2011;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van

- € 310,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,00 te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Houtman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Nolles, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.