Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BX0564

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
535051 EJ EXPL 12-65
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opmerking(en): geen (verslagen van) funtioneringsgesprekken, afgedane zaken zijn oude koeien, chantage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0631
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak/rolnummer: 535051 EJ VERZ 12-65

Beschikking van 29 maart 2012

inzake

de besloten vennootschap [A] Recycling B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te [plaatsnaam],

verzoekster,

gemachtigde: mevrouw mr. G.N. Paanakker, advocaat te Groningen (Postbus 723, 9700 AS),

tegen

[B],

wonende te [plaatsnaam], [adres],

verweerster,

gemachtigde: mr. M. Walvius, advocaat te Hoogeveen (Van Limburg Stirumstraat 52, 7901 AS).

PROCESGANG

1. Bij verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 16 februari 2012, heeft verzoekster, hierna [A] te noemen de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met verweerster, hierna [B] te noemen, te ontbinden wegens gewichtige redenen bestaande uit een zodanige verandering van de omstandigheden dat beëindiging van het dienstverband op korte termijn noodzakelijk moet worden geacht.

[B] heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend ter griffie op 9 maart 2012. Daarna heeft [B] nog een productie en [A] meerdere producties in het geding gebracht.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 maart 2012 te Groningen. Beide partijen hebben hun standpunten nader toegelicht bij monde van hun gemachtigden. De gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd. Van het verder verhandelde heeft de griffier aantekeningen gemaakt die bij de processtukken zijn gevoegd. De beschikking is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

2. De kantonrechter is van oordeel dat het volgende vast staat en van belang is.

2.1. [B] is geboren op [1963]. Zij is op 1 december 2008 bij [A] in dienst gekomen als Manager Inkoop. Op 1 maart 2010 is zij Commercieel Directeur geworden. Haar laatstgenoten brutosalaris is € 8.308,25 per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, waaronder een vaste jaarlijkse bonus.

2.2. [A] en [B] hebben e-mail-correspondentie gevoerd over de kwesties [C] en de in het Frans vertaalde brief. In een e-mail van 28 augustus 2011 van [B] aan [A] staat:

Nog even ter bevestiging van het telefoongesprek van vanmorgen.

1. [C], heb nu meerdere malen nu aan je aangegeven dat het niet verstandig is geweest deze brief door mij te ondertekenen.

2. De Franse brief is een brief aan de klanten om te informeren dat we een nieuwe Verkoper hebben. We kunnen discussiëren over de inhoud maar de strekking van de inhoud hebben we geen meningsverschil over en ook niet dat deze is geschreven uit naam van de Commercieel Directeur.

De inhoud en de toonzetting van de brief (23 augustus 2011) en mail (26 augustus 2011) hebben mij persoonlijk erg geraakt. Termen als “misleid” (opzettelijk iemand bedonderen) en laatste waarschuwing anders heeft het gevolgen voor je dienstverband laten mij geen keuze om een jurist in te schakelen.

Heb je gevraagd of het doel van deze brief is uiteindelijke dienstbeëindiging. Je hebt aangegeven dat dit beslist niet het doel van de brief is.

Afgesproken is dat ik een herziene brief van je ontvang waarmee de brief van 23 augustus 2011 vervalt en uit mijn dossier wordt gehaald.

2.3. Gedateerd 23 augustus 2011 heeft [A] een brief geschreven aan [B], door haar in een tweede versie ontvangen op 8 september 2011, ter bevestiging van een gesprek op 2 augustus 2011. In de brief staat voor zover van belang:

(...)

Jij behoorde te weten dat jij geen procuratiebevoegdheden had om deze brief te ondertekenen. Toch heb jij reeds op 17 juni 2011 een brief ondertekend aan [C]met de mededeling dat we bereid waren € 125.000,- te betalen. Eerst op 21 juni 2011 is mij tijdens een DT-vergadering gevraagd met het voorstel accoord te gaan.

(…)

Ik vind dit ernstig. Ik vind dit ook ontoelaatbaar. Ik heb betaald omdat ik geen keuze meer had.

(…)

Ik zie dit als een officiële waarschuwing.

2.4. [B] heeft gereageerd met haar brief van 8 september 2011 aan [A]. Daarin staat voor zover van belang:

Op 2 augustus bent u mijn kantoor binnengekomen met de mededeling dat wij u belazerd zouden hebben i.v.m. de kwestie [C]. Daarbij heb ik aangegeven dat in mijn optiek dit geen zins het geval is geweest en ik het graag nogmaals met alle betrokkenen met u zou willen bespreken. De duur van dit gesprek was hooguit 1 minuut.

(…)

Zoals ook door u bericht in het voicemailbericht van 27 augustus en het telefoongesprek van 28 augustus, is het geen kwestie dat u niet voldoende geïnformeerd zou zijn geweest maar dat ondergetekende niet de bevoegdheid heeft soortgelijke brieven te ondertekenen.

(…)

Opnieuw heeft u aangegeven in het telefoongesprek van 8 september dat er geen sprake is van dossieropbouw met als doel uiteindelijke dienstbeëindiging.

Ik ben het met u eens dat het voorstel aan [C]d.d. 17.6.2011 aan u had voorgelegd moeten worden en door u ondertekend had moeten worden. Hierbij nogmaals mijn excuus.

2.5. [A] heeft [B] op 14 september 2011 een brief gestuurd waarin, voor zover van belang, staat:

Hierbij bevestigen wij het gesprek dat dhr. [D] en dhr. [E] [A] op 12 september 2011 met jou hebben gehad. We hadden dit graag in de vorm van een functioneringsgesprek willen doen, maar jij vond de tijd te kort om je voor te bereiden.

(…)

We hebben aangegeven, dat we vooruit wilden kijken. Je excuses in het voorval [C], (…) hebben we geaccepteerd.

(…)

We hadden graag een functioneringsgesprek met je gevoerd. We zullen dit eind dit jaar alsnog doen in de vorm van een functionerings- en beoordelingsgesprek.

2.6. [A] heeft een bladzijde uit de notulen overgelegd van de vergadering van 30 september 2011 van (voor zover de kantonrechter kan beoordelen) [B] en directeur [A] met de RvC. Een van de commissarissen heeft gezegd:

TM: dus onze visie: we willen meer in Europa doen, moet gevolgd worden met welke stappen ga je nemen, en hoe krijg je meer kwaliteit in huis.

TM: op de volgende vergadering graag een voorstel betreffende bovengenoemde aspecten.

2.7. [B] heeft op 26 september 2011 en 4 oktober 2011 e-mailverkeer tussen directeur [A] en de Manager HR, met onder meer een (deel van een) concept functieomschrijving van een medewerker, aan die medewerker doorgestuurd.

2.8. [B] heeft zich op 31 oktober 2011 ziek gemeld. Zij is daarna niet meer aan het werk geweest op het bedrijf van [A].

2.9. De bedrijfsarts heeft gerapporteerd op 10 november 2011:

Betrokkene heeft klachten. Deze klachten komen voort uit de arbeidssituatie. De klachten hebben zich dusdanig ontwikkeld dat er nu gesproken kan worden van medische klachten en daaruit voortvloeiend van arbeidsongeschiktheid op medische gronden.

2.10. Op 22 december 2011 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd:

Er is naar medische maatstaven sprake van arbeidsongeschiktheid. Deze arbeidsongeschiktheid komt voor uit de arbeidssituatie. Er is sprake van adequaat herstelgedrag, waarbij voor professionele begeleiding is gekozen.

(…)

Ik verwacht in januari te kunnen spreken over benutbare mogelijkheden en een reintegratie traject.

2.11. Naar aanleiding van de laatste rapportage van de bedrijfsarts heeft directeur [A] op 23 december 2011 een e-mail gestuurd aan [B]. Daarin staat:

Ik heb het rapport van de bedrijfsarts ontvangen. We hebben besloten, dat ik als direct leidinggevende geen contact met jou opneemt. Begin januari zullen 2 commissarissen een gesprek met jou hebben over jou toekomst binnen [A] Recycling Machinery.

2.12. Nadat [B] bij [A] naar de reden voor een gesprek met de RvC heeft geïnformeerd, heeft [A] haar de e-mail van 1 januari 2012 gestuurd. Daarin staat onder meer:

Mijn relatie met jou was mijnerzijds niet slecht. (…) Er zijn vanuit de organisatie nogal wat weerstanden. (…) Er is geen conflict tussen jou en mij voor zover ik weet. Het is daarom dat we hebben besloten, dat 2 RvC-leden een oriënterend gesprek met jou hebben om te inventariseren hoe jou terugkeer het beste kan plaatsvinden.

2.13. In de e-mail van 10 januari 2012 van [A] aan [B] staat onder meer:

Diverse medewerkers van [A] Recycling Machinery voelen zich in het verleden beschadigd door jou. Het is daarom dat we ervoor gekozen hebben, dat 2 leden van de Raad van Commissarissen een gesprek met jou aan gaan.

2.14. Op 13 januari 2011 heeft het gesprek van [B] met de leden van de RvC plaatsgevonden.

2.15. De (toenmalige) vertrouwenspersoon van [B] heeft vervolgens een brief van 20 januari 2012 van de gemachtigde van [A] ontvangen, waarin [B] onder meer wordt verweten:

Er blijken zelfs medewerkers te zijn vertrokken vanwege de handelwijze van uw cliente.

(…)

Voorts is gebleken dat een aantal medewerkers een brief van uw cliente heeft ontvangen waarin gedreigd is met ontslag indien deze medewerkers met de heer [A] contact zouden zoeken over bepaalde kwesties.

2.16. De bedrijfsarts heeft gerapporteerd op 1 februari 2012:

Er is sprake van een escalatie naar een juridisch conflict, hetgeen de stabiliteit van betrokkene niet ten goede komt.

(…)

Advies tot eventuele inzet in reintegratie (aangepast) werk, is gelet op juridische escalatie ook niet meer zinvol, omdat terugkeer niet meer mogelijk lijkt.

2.17. Op 1 februari 2012 heeft [A] aan [B] een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:

Ik doe een laatste oproep aan jou. Wij hebben jou een goed voorstel gedaan. We hebben jou een voorstel gedaan, die een rechter in een rechtszaak ook ongeveer zal uitspreken. Jij hebt altijd gezegd, wanneer jij weg zou moeten nooit uit zou zijn op geld. Toch heb ik jou een eerlijk voorstel gedaan.

Er zijn minstens 10 medewerkers, die vol wrok zitten. Jij hebt ook genoeg mail geschreven, dat niet door de beugel kan. Je weet zelf wel, hoe jij in elkaar zit. Dit wordt van weerszijden een enorme vuilspuiterij. Ik vraag je dat niet te doen.

Je hebt ook nog een man, die voor [A] Recycling Machinery werkt. Ik heb niets tegen [F]. Hij doet goed werk. Wanneer er nu een enorme vuilspuiterij begint, maak je voor hem het werk binnen [A] Recycling Machinery onmogelijk. Er zijn diverse medewerkers, die graag wat op papier zetten. Ik vraag je één ding. Stop daarmee en accepteer vandaag nog ons voorstel. We zitten morgen bij de advocaat met diverse medewerkers. Ik hoop voor een ieder, dat ik de afspraak kan afzeggen en dat we op een redelijke manier uit elkaar gaan. Ik maak me er sterk voor dat [F] gewoon nog geaccepteerd wordt binnen [A] Recycling Machinery en dat we alles op een correcte wijze zullen afwikkelen.

Het standpunt van [A]

3.1. Vanaf het voorjaar van 2011 is er regelmatig overleg geweest tussen ing. [A], directeur van [A], en de RvC van [A] enerzijds en [B] anderzijds. Het overleg betrof zaken die niet goed liepen. Directeur [A] heeft [B] geadviseerd over verbeterslagen. [B] heeft een functioneringsgesprek geweigerd.

3.2. [B] heeft buiten haar bevoegdheden om een brief ondertekend met een regeling, getroffen met [C], een contractspartij van [A]. Het bestaan van die regeling heeft zij bovendien in het directieoverleg ontkend. Later heeft zij geprobeerd een collega de schuld te geven. Dit voorval heeft geleid tot een schadepost van € 100.000,00 bij [A].

3.3. Ten overstaan van collega’s heeft [B] zich afgezet tegen directeur [A].

3.4. [B] heeft bij afwezigheid van directeur [A] diens kamer gebruikt. Zij heeft de sleutels van de secretaresse gevraagd. Directeur [A] wil niet dat tijdens zijn afwezigheid zijn kamer wordt gebruikt.

3.5. Tijdens een beurs in Engeland is [B] maar een halve dag op de beurs geweest en heeft zij zich misdragen. Zij heeft ’s nachts om 03:00 uur een collega gebeld met de vraag of er nog een pub open was.

3.6. Door toedoen van [B] is een verkeerd vertaalde brief naar de klanten van [A] in Frankrijk gegaan. Zij heeft geprobeerd daarvoor een collega de schuld te geven.

3.7. In mei 2011 is [B] gevraagd om een plan op te stellen over groei van de verkoop buiten de USA. Dit plan kwam er maar niet, wat blijkt uit de notulen van de RvC van 30 september 2011. De RvC vindt [B] ongeschikt voor haar functie. Omdat zij diende te komen met een verkoopplan kon [B] de werkdruk niet meer aan.

3.8. [B] heeft collega’s gedreigd met ontslag. Er zijn collega’s vanwege [B] vertrokken bij [A]. [B] heeft e-mails tussen directeur [A] en personeelszaken over de arbeidsvoorwaarden van een collega aan deze collega gestuurd.

3.9. Er is een ernstige vertrouwensbreuk die te wijten is aan [B]. De arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden zonder ontslagvergoeding.

Het standpunt van [B]

4.1. [B] heeft tot het moment dat zij ziek werd met veel plezier gewerkt en wil re-integreren bij [A]. Zij is per 1 maart 2010 Commercieel Directeur geworden omdat [A] tevreden was over [B]. Naast haar zou een Operationals Director worden aangesteld, wat niet is gebeurd. Directeur [A] is altijd vol lof over haar geweest. Op 30 november 2011 en 7 december 2011 heeft [B] positief en constructief gesproken met directeur [A] over re-integratie, wat zij ook heeft gemeld aan de bedrijfsarts.

Nu, tijdens haar ziekte, worden afgedane zaken aangevoerd en irrelevante voorvallen opgeblazen.

4.2. Er was een conflict met [C]. [B] heeft daarover, met de Financieel Directeur en de bedrijfsjurist, onderhandeld met [C]. Met [C] is een regeling getroffen waarvan [A] op de hoogte was. Met de ondertekening door [B] van de brief van 17 juni 2011 was [A] het niet eens en daarvoor heeft [B] haar excuses aangeboden. De kwestie was daarmee afgedaan.

4.3. Er is geen sprake van dat [B] zich heeft afgezet tegen directeur [A].

4.4. [B] heeft de kamer van directeur [A] gebruikt bij diens afwezigheid. Zij heeft dat gedaan voor de ondertekening van een contract met Poolse klanten terwijl er geen andere representatieve ruimte beschikbaar was. Zij heeft dit dezelfde dag ’s avonds aan [A] gemeld die er geen probleem van maakte.

4.5. [B] heeft tijdens de beursdagen in Engeland normaal haar werk gedaan en zich niet misdragen. Zij heeft niet midden in de nacht gebeld over een pub. [B] heeft daarvoor verklaringen van collega’s overgelegd.

4.6. De brief verstuurd in Frankrijk is vertaald door een medewerker van [A] die Frans heeft gestudeerd. [B] heeft niemand van de vertaalfout de schuld willen geven. [A] heeft eerder zelf ingezien dat de brief vermoedelijk ongelukkig is vertaald.

4.7. Het door [A] gemaakte verwijt van een ernstig functioneringsprobleem wordt door [B] bestreden. Punten van kritiek zijn nooit door [A] met [B] besproken, laat staan dat zij in de gelegenheid is gesteld verbeteringen aan te brengen.

4.8. [B] heeft niet bijgedragen aan het vertrek van [G] bij [A]. Zij had altijd een goed contact met hem.

[A] heeft zonder toestemming van [B] haar mailbox doorzocht. Wat [A] aan [B] verwijt is buiten proportie. De door [B] doorgestuurde e-mails bevatten geen vertrouwelijke informatie. [B] heeft de betreffende persoon willen tonen dat zij achter deze stond en zich sterk maakte.

4.9. [B] heeft betoogd dat er geen reden is de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Wanneer de kantonrechter tot ontbinding mocht beslissen, moet er een ontslagvergoeding worden betaald door [A] van € 80.756,19 bruto. Deze vergoeding is terecht gelet op het afwezig zijn van een ontslaggrond en de wijze waarop [A] [B] onder druk heeft gezet een beëindigingsvoorstel te accepteren.

De beoordeling

5. De kantonrechter gaat er van uit dat het verzoek geen verband houdt met een opzegverbod. [A] heeft de ziekte van [B] wel in verband gebracht met haar door [A] beweerde incompetentie. [A] heeft op zijn minst gesuggereerd dat [B] ziek is geworden omdat zij de werkdruk niet aan kon. De kantonrechter is echter niet gebleken dat [A] [B] kwijt wil vanwege haar ziek zijn. De eerste rapporten van de bedrijfsarts wijzen ook in de richting van herstel en weer aan het werk gaan.

6. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens een ernstige verstoring van de arbeidsverhouding. Gelet op wat [A] over [B] heeft geschreven en gezegd ter zitting is die ernstige verstoring voor de kantonrechter vast komen te staan. [B] heeft op de zitting ook toegeven dat terugkeer op de werkvloer, met directeur [A] als direct leidinggevende, niet mogelijk is.

7. De door [A] beweerde incompetentie van [B] is niet op de vereiste manier geboekstaafd. Er zijn geen verslagen van functioneringsgesprekken. Evenmin zijn er, stel dat partijen het eens zouden zijn over tekortkomingen van [B], programma’s door [A] aan [B] aangeboden om tot verbetering te komen. Het enige stuk waaraan naar het oordeel van de kantonrechter enige objectiviteit lijkt te kleven, de bladzijde uit de RvC-vergadering van 30 september 2011, toont niet aan dat [B] haar functie niet aan kan.

8. De kantonrechter is van oordeel dat [B] niet een regulier functioneringsgesprek heeft geweigerd. Het gesprek waar [A] op doelt, is een gesprek dat [A] en de RvC met [B] wilden hebben op een moment dat er problemen/conflicten zijn. De werkgever moet naar het oordeel van de kantonrechter altijd een gesprek kunnen voeren met zijn werknemer wanneer daar aanleiding voor is. Maar een dergelijk gesprek moet dan niet, zeker met een uitnodigingstermijn van enkele dagen, het stempel functioneringsgesprek krijgen. [B] heeft met recht een gesprek met het stempel “functioneringsgesprek” op zo een korte termijn mogen weigeren, en een “gesprek over de ontstane situatie” wel gehouden.

9. Wanneer de kantonrechter de lijst van verwijten van [A] beziet, komt hij tot de conclusie dat het gewicht ontbreekt. Het lijkt er op dat een en ander wordt aangevoerd om de bij [A] levende wens van [B] af te komen, zo goedkoop mogelijk te laten geschieden.

De kwestie [C]heeft [B] niet in het geniep uitgevoerd. Daar waren andere functionarissen bij betrokken, waaronder de bedrijfsjurist. [A] heeft wel geroepen dat er schade is geleden, maar niet is aannemelijk gemaakt dat die is ontstaan omdat [B] de brief heeft ondertekend in plaats van directeur [A]. Belangrijker vindt de kantonrechter dat [B] en [A] over deze kwestie inhoudelijk hebben gecorrespondeerd en dat die zaak tussen hen is gesloten. De excuses van [B] zijn door [A] aanvaard.

De kantonrechter is het met [A] eens dat [B] de e-mails over salaris en functieomschrijving van een medewerker, niet aan deze medewerker had mogen sturen. Daarvoor waren die e-mails evident niet bedoeld. De kantonrechter gaat er van uit, ook omdat daarover door [A] niets is gesteld, dat dit doorzenden geen (schadelijke) gevolgen heeft gehad voor [A]. De wijze waarop [A] achter deze faux pas van [B] is gekomen, het doorspitten van haar mailbox nadat [A] had besloten van [B] af te willen, heeft kennelijk niet tot meer “belastend materiaal” geleid. De kantonrechter ziet de handelwijze van [B] als het willen helpen van deze ene medewerker. [B] heeft niet [A] willen beschadigen.

Dat [B] voor een angstcultuur heeft gezorgd, heeft [A] niet aannemelijk gemaakt. De brieven en e-mails waarmee [B] collega’s onder druk zou hebben gezet, heeft de kantonrechter niet gezien. Wel heeft de kantonrechter gelezen dat [A] [B] heeft gedreigd die brieven en e-mails te zullen gebruiken.

De overige kwesties zijn naar het oordeel van de kantonrechter een non-item of vallen in de categorie “waar gehakt wordt vallen spaanders” (de beurs, de directiekamer en de Franse brief).

10. De kwestie is daarmee naar het oordeel van de kantonrechter een van een werkgever die niet langer door een deur kan met een werknemer. Zonder verwijtbaarheid zou dan ontbinding kunnen plaatsvinden met toepassing van de kantonrechtersformule met de factor C = 1. Door de hiervoor besproken door [A] ten onrechte aangevoerde verwijten is de kantonrechter van oordeel dat die factor moet zijn C = 1,25. Omdat echter [A] de brief van 1 februari 2012 heeft geschreven bepaalt de kantonrechter de C-factor op 1,5. Een gegeven is wat partijen op dat moment van elkaar te horen en te lezen hebben gekregen. Een gegeven is het stadium van de onderhandelingen over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarvan uitgaande, kan de kantonrechter de brief van 1 februari 2012 niet anders zien dan een oneerlijk pressiemiddel. Op zijn minst had [A] moeten begrijpen dat die brief zo zou worden opgevat door [B].

11. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 april 2012 en aan [B] wordt een vergoeding ten laste van [A] toegekend van bruto € 60.567,15. Omdat [A] geen vergoeding heeft aangeboden zal zij in de gelegenheid worden gesteld haar verzoek in te trekken. Gelet op de uitkomst van deze zaak moet [A] de proceskosten van [B] betalen, die de kantonrechter begroot op € 500,00 voor het salaris van de gemachtigde.

BESLISSING

De kantonrechter:

stelt [A] in de gelegenheid haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te trekken uiterlijk op vrijdag 6 april 2012 voor 12:00 uur;

en indien het verzoek wordt gehandhaafd:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2012 onder toekenning van een vergoeding aan [B] ten laste van [A] van bruto € 60.567,15;

veroordeelt [A], zowel bij intrekking als bij handhaving van het verzoek, in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [B] begroot op € 500,00 wegens salaris;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 29 maart 2012 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

coll.:

typ: RTjT