Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BW9142

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
Awb 12-177
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering op grond van de WWB. Verzoeker is vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland. Verzoeker heeft geen aanspraken ingevolge artikel 8 EVRM, omdat het aan het COA is om invulling te geven aan een eventuele positieve verplichtiing op grond van artikel 8 EVRM. Indien sprake is van kwetsbaarheid in de zin van het arrest Domenech Pardo, wordt door het COA invulling gegeven aan artikel 8 EVRM. In casu heeft het COA daartoe geen aanleiding gezien. Overigens houdt verzoeker op grond van artikel 10 Vw 2000 aanspraak op noodzakelijke medische zorg. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 12/177 WWB

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

inzake het geschil tussen

(verzoeker) geboren op (...),

alias:(...), geboren op (...)

wonende te Hoogezand-Sappemeer,

verzoeker,

gemachtigde: mw. mr. M.H.J. Geffen, advocate te Amsterdam,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer verweerder,

gemachtigde mw. mr. I.M. Klok

ten aanzien van het besluit van 3 februari 2012.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2012 heeft verweerder geweigerd verzoeker in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Tevens is in dit besluit aangegeven dat, voor zover verzoeker een beroep doet op de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) niet verweerder, maar het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Groningen het bevoegde bestuursorgaan is. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 24 februari 2012 bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op 7 maart 2012 heeft hij de gronden van bezwaar aangevuld. Verweerder heeft gedingstukken en een verweerschrift ingediend.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 19 maart 2012. Verzoeker is in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij genoemde gemachtigde.

3. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.1. Feiten en standpunten van partijen.

Verzoeker wenst in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de WWB en stelt daartoe het volgende.

Verzoeker heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Verzoeker woont in een woning aan de Groen van Prinstererlaan 86 te Hoogezand. Het is een huurwoning, waarvan het huurcontract op naam van de moeder van verzoeker staat. Verzoeker woont er echter al langere tijd alleen. Omdat verzoeker geen inkomsten heeft, is een oplopende huurschuld ontstaan. Ook is een schuld ontstaan voor de vaste lasten die verzoeker niet heeft betaald. Verzoeker heeft aangegeven gezondheidsproblemen te hebben. Verzoeker leidt aan de ziekte colitis ulcerosa. Hiervoor staat hij onder controle van de polikliniek voor maag-, darm- en leverziekten van het Universitair medisch Centrum Groningen (UMCG). Voor het welslagen van de behandeling is een stabiele leefomgeving van groot belang. Als verzoeker zijn woning verliest, is de kans groot dat zijn ziekte verergerd en er wellicht een operatie plaats zal moeten vinden. Verzoeker heeft een aanvraag om verstrekkingen ingediend bij het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA), maar bij besluit van 12 januari 2012 heeft het COA beslist deze aanvraag niet in behandeling te nemen. Uit een door verzoeker overgelegde brief van 16 maart 2012 van het COA blijkt dat verzoeker niet tot de opvang wordt toegelaten en niet in aanmerking komt voor verstrekkingen, ondermeer omdat bij verzoeker geen sprake is van een acute medische noodsituatie. Verzoeker meent als kwetsbare persoon op grond van het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) een rechtstreeks aan deze verdragsbepaling ontleende aanspraak op een WWB-uitkering te hebben.

Verweerder heeft gewezen op het wettelijk kader en de daaruit voortvloeiende regelingen waaruit volgt dat verzoeker een vreemdeling is die niet tot de doelgroep van de WWB behoort. Voor wat betreft de WMO is niet verweerder maar het college van B&W van de gemeente Groningen het bevoegde orgaan. Ter zitting van 19 maart 2012 is gebleken dat laatstgenoemd college ten aanzien van de WMO een afwijzende beslissing heeft genomen. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer de uitspraak van 9 november 2011, LJN: BU4382) heeft verweerder betoogd dat verzoeker op grond van artikel 8 EVRM geen aanspraak op een WWB uitkernig heeft.

3.2. Beoordeling

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Verweerder heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift het wettelijk stelsel van de WWB weergegeven. De voorzieningenrechter verwijst hiernaar en stelt vast dat verzoeker, gegeven dit wettelijk stelsel, geen aanspraak op bijstand krachtens deze wet heeft, omdat hij -kort gezegd- niet tot de doelgroep behoort. Vaststaat verder dat verweerder met betrekking tot de uitvoering van de WMO niet het bevoegde orgaan is. Het wel bevoegde orgaan, het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Groningen heeft inmiddels een beslissing in het kader van de WMO genomen, waartegen een rechtsmiddel openstaat.

De voorzieningenrechter laat een beoordeling van het verzoek, voor zover deze is gebaseerd op de WMO, dan ook achterwege.

Verzoekers standpunt houdt in dat, indien en voor zover verzoeker niet in aanmerking komt voor bijstand ingevolge de WWB, verweerder tòch ingevolge artikel 8 van het EVRM gehouden is verzoeker bijstand te verlenen en dit dan op buitenwettelijke grondslag.

De voorzieningenrechter deelt dit standpunt van verzoeker niet en overweegt daartoe het volgende.

Uit het arrest van 3 mei 2001, van het EHRM in de zaak van Domenech Pardo versus Spanje, nr. 5596/00, volgt dat kinderen en andere kwetsbare personen recht op bescherming ingevolge artikel 8 van het EVRM hebben, indien sprake is van omstandigheden die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt. In dat gevolg is er een positieve verplichting voor de verdragsstaat om de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 EVRM opgenomen waarborg.

In de door verweerder aangehaalde uitspraak van de CRvB van 9 november 2011 is echter door dit college geoordeeld dat, zelfs indien er een positieve verplichting uit artikel 8 EVRM voortvloeit, deze verplichting ten aanzien van vreemdelingen, zoals verzoeker, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Buiten de gevallen die onder de reikwijdte van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva 2005) vallen, is het aan het COA om invulling te geven aan een eventuele positieve verplichting van de Staat.

Het COA heeft hiertoe, blijkens de brief van 16 maart 2012, in het geval van verzoeker geen aanleiding gezien, omdat bij verzoeker geen sprake is van een acute medische noodsituatie of dreiging daarvan.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de CRvB een sluitend systeem bestaat, waarin, waar nodig, een invulling van artikel 8 EVRM wordt gewaarborgd. Indien immers sprake is van kwetsbaarheid in de zin van het arrest Domenech Pardo, wordt de invulling van artikel 8 EVRM gewaarborgd doordat het COA tot het verlenen van bepaalde verstrekkingen overgaat.

Verzoekers standpunt dat verweerder gehouden is om een WWB uitkering te verstrekken nu het COA niet overgaat tot het verlenen van verstrekkingen volgt de voorzieningenrechter niet. Verzoeker heeft medische klachten, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij met die klachten, indien hij geen WWB uitkering zou krijgen, in een acute medische noodsituatie terecht komt. Daarbij komt dat verzoeker, ook buiten de opvang, ingevolge artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000 aanspraak houdt op voortgaande medisch noodzakelijke zorg. De voorzieningenrechter voegt daar nog het volgende aan toe. Verzoeker is geen kind meer.

Hij is in ieder geval 21 jaar, maar wellicht zelfs ouder. Verzoekers situatie is niet te vergelijken met die gevallen in de jurisprudentie waarin door rechters wel toepassing aan artikel 8 EVRM werd gegeven door middel van de WWB. Het betrof in die casus één ouder gezinnen met één of meer jonge kinderen.

De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Het verzoek wordt afgewezen.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

wijst het verzoek af

Deze uitspaak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. H.W. Wind als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2012.

De griffier, De voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: