Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BW8659

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
18/630752-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de jongeman die verantwoordelijk is voor een aantal autokraken. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan opzetheling.

De politie heeft bij de opsporing gebruik gemaakt van een peilbaken dat aan zijn auto was bevestigd. Toen hij eenmaal was opgepakt heeft hij bekennende verklaringen afgelegd.

Om zijn verslaving aan verdovende middelen te kunnen betalen heeft hij de delicten gepleegd. De rechtbank heeft bepaald dat hij zich langdurig moet laten begeleiden door de reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630752-11 (promis)

datum uitspraak: 7 juni 2012

op tegenspraak

raadsman: mr. W. Schoo

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op datum],

thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel, te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 mei 2012.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 november 2011 tot en met 21 november

2011, te Groningen, in elk geval in de gemeente Groningen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een aan of nabij de Laan van

de Vrijheid staande auto (Volkswagen Golf) heeft weggenomen een autoradio, een

versterker en/of een subwoofer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking,

inklimming en/of een valse sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 20 november 2011 tot en met 21

november 2011, te Groningen, in elk geval in de gemeente Groningen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een aan of nabij de

Laan van de Vrijheid staande auto (Volkswagen Golf) heeft weggenomen een

autoradio, een versterker en/of een subwoofer, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan die [medeverdachte 1] en/of aan verdachte,

waarbij die [medeverdachte 1] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse

sleutel,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk

behulpzaam is geweest door toen en daar opzettelijk die [medeverdachte 1] in een

door verdachte bestuurde auto naar en/of in de nabijheid van die auto

(Volkswagen Golf) te vervoeren;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

in of omstreeks de periode van 20 november 2011 tot en met 21 november 2011,

in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland,

een autoradio, een versterker en/of een subwoofer heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van die autoradio, die versterker en/of die

subwoofer, wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 9 oktober 2011 tot en met 10 oktober 2011,

te Groningen, in elk geval in de gemeente Groningen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een aan of nabij de

Coehoornsingel staande auto (Volkswagen Golf) heeft weggenomen een

JBL-installatie, een hoedenplank, een versterker en/of twee achterlichten, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 2], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 22 oktober 2011, te Musselkanaal, in elk geval in de

gemeente Stadskanaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een aan of nabij de Paul

Rubenslaan staande auto (Peugeot 206) heeft weggenomen gereedschap en/of een

keyboard, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 oktober 2011, in de gemeente Stadskanaal, in elk geval

in Nederland,

een keyboard en/of een boormachine heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van dat keyboard en/of die boormachine wist dat het (een)

door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 21 augustus 2011, te Nieuw-Buinen, in elk geval in de

gemeente Borger-Odoorn,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets, een

mobiele telefoon, een portemonnee (inhoudende geld) en/of een of meer sleutels

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 21 augustus 2011, in de gemeente Borger-Odoorn, in elk

geval in Nederland,

een geldbedrag van 40 euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van dat geldbedrag wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden,

dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich de goederen heeft toegeëigend door middel van braak. Verdachte dient derhalve van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken. Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.

Standpunt van de verdediging

Evenals de officier van justitie heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling van een boormachine omdat de boormachine niet in de aangifte is opgenomen.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Een proces-verbaal d.d. 24 november 2011, opgenomen op pagina 62 e.v. van dossier nr. PL01PF 2012037731 d.d. 17 april 2012, inhoudende de aangifte van [aangever 1] zakelijk weergegeven:

(p. 62) Tussen zondag 20 november 2011 en maandag 21 november 2011 werd op de Laan van de Vrijheid te Groningen ingebroken in mijn Volkswagen Golf type 3, voorzien van het kenteken: [kenteken]. Ik had de auto geparkeerd aan de Laan van de Vrijheid. De auto was afgesloten.

(p. 63) Zondag 20 november 2011 was er nog niets aan de hand. Op maandag 21 november 2011 kwam mijn kameraad er omstreeks 15.00 uur achter dat er was ingebroken. Hij zag namelijk dat de motorkap open stond. Hij stond niet op het steunstangetje maar de kap was open geweest en niet goed dicht gedaan. De volgende goederen bleken te zijn gestolen:

- versterker,

- subwoofer,

- speakers.

(p. 65) Werkwijze: men had het portier aan de bijrijderzijde vernield.

De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd (zakelijk weergegeven):

[Medeverdachte 1] en ik waren in de nacht van 20 op 21 november 2011 aan het rondrijden in mijn auto en toen kwam het idee om een auto open te breken. Er zat een subwoofer in de auto. Ik heb de radio gehouden. We hebben de goederen verkocht aan [betrokkene 1].

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 2] d.d. 10 oktober 2011, opgenomen op pagina 68 I e.v. van dossier nr. nr. PL01PF 2012037731 d.d. 17 april 2012;

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] d.d. 26 oktober 2011, opgenomen op pagina 73 J e.v. van dossier nr. PL01PF 2012037731 d.d. 17 april 2012;

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] d.d. 21 augustus 2011, opgenomen op pagina 80 e.v. van dossier nr. PL01PF 2012037731 d.d. 17 april 2012;

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij en zijn medeverdachte in zijn auto hebben rondgereden. Op dat moment is het idee ontstaan om een auto open te breken. Gedurende de uitvoering van het delict heeft verdachte zich daar niet van gedistantieerd. Vervolgens heeft verdachte gedeeld in de opbrengst van de verkoop van de gestolen goederen. Op grond van de inhoud van de verklaring van verdachte is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal door middel van braak.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling van een boormachine. Verdachte dient derhalve van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4 subsidiair ten laste gelegde is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, die schuldheling bewezen acht, van oordeel dat er sprake is van opzetheling. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen omdat verdachte, vrijwel direct nadat aangever de auto had verlaten van zijn medeverdachte een geldbedrag van € 40,- ontving. Gelet op deze omstandigheden had verdachte, zo hij het al niet wist, toch moeten weten dat dat geld afkomstig was van de aangever.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 20 november 2011 tot en met 21 november 2011 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de Laan van de Vrijheid staande auto (Volkswagen Golf) heeft weggenomen een autoradio, een versterker en een subwoofer, toebehorende aan [aangever 1], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

2.

hij in de periode van 9 oktober 2011 tot en met 10 oktober 2011 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de

Coehoornsingel staande auto (Volkswagen Golf) heeft weggenomen een JBL-installatie, een hoedenplank, een versterker en twee achterlichten toebehorende aan [aangeefster 2];

3.

hij op 22 oktober 2011 in de gemeente Stadskanaal een keyboard heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van dat keyboard wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op 21 augustus 2011 in de gemeente Borger-Odoorn een geldbedrag van 40 euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat geldbedrag wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2. Diefstal door twee of meer verenigde personen;

3. Opzetheling;

4. Opzetheling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals genoemd in het rapport van de reclassering. Bij de bepaling van zijn eis heeft de officier meegewogen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een flink aantal vermogensdelicten waarbij hij forse schade heeft aangericht en steeds zijn eigen gewin voorop heeft gesteld. Bij de bepaling van de eis zijn de drie ad informandum gevoegde feiten meegenomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair de rechtbank verzocht om een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren op te leggen met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals genoemd in het rapport van de reclassering. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om naast de gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis op te leggen teneinde verdachte een zinvolle dagstructuur te bieden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en die door verdachte zijn erkend.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen een korte periode schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal door middel van braak, heling en het medeplegen van diefstal. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte, al dan niet door middel van braak, elektronische apparatuur uit verschillende auto’s weggenomen. Auto-inbraken zijn ergerlijke feiten, die naast schade, vaak veel hinder veroorzaken voor de benadeelden. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling en daarmee bijgedragen aan de instandhouding van een afzetmarkt voor goederen, afkomstig van diefstal.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 mei 2012 blijkt dat verdachte eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld.

In het reclasseringsadvies d.d. 21 mei 2012 is gerapporteerd dat het ontbreken van een structurele zinvolle dagbesteding als belangrijkste criminogene factor naar voren is gekomen. Het ontbreken van een dagstructuur leidt bij verdachte tot middelengebruik en het hebben van justitiecontacten. Voorts is er bij verdachte een zwakbegaafd intelligentieniveau geconstateerd. Het recidiverisico wordt hoog ingeschat wanneer verdachte niet langdurig zal worden begeleid.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf een passende reactie vormt. De rechtbank zal een deel van de op te leggen vrijheidsstraf in voorwaardelijke vorm opleggen waaraan de voorwaarden worden gekoppeld zoals verwoord in het advies van de reclassering. De rechtbank neemt in overweging dat verdachte ter zitting heeft verklaard gemotiveerd te zijn om aan zijn problematiek te werken. De rechtbank acht het van belang dat met de begeleiding door Humanitas zo snel mogelijk wordt gestart. De rechtbank zal op grond hiervan en op grond van het bewezen- en strafbaar verklaarde een kortere vrijheidsstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, nu zij deze passend en geboden acht.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Met betrekking tot feit 3 heeft als benadeelde partij zich in het strafproces gevoegd

[aangever 3], wonende te [plaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 581,- aan materiële schade.

Met betrekking tot feit 4 heeft als benadeelde partij zich in het strafproces gevoegd

[aangever 4], [plaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.014,- aan materiële schade.

Met betrekking tot het onder 3 ad informandum gevoegde feit heeft als zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd [naam], wonende te [plaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 760, 98 aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot de vordering van [aangever 3] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze voor toewijzing vatbaar is, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de hoofdelijkheidsclausule.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [aangever 4] dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 40,- en dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De officier van justitie vordert dat tevens de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd en dat de hoofdelijkheidsclausule wordt toegepast.

Met betrekking tot de vordering van [naam] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde niet rechtstreeks schade toegebracht.

Standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de vordering van [aangever 3] heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

Evenals de officier van justitie heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [aangever 4] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 40,- en dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Met betrekking tot de vordering van [naam] heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat primair aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse schade is toegebracht en subsidiair wegens onvoldoende onderbouwing van de vordering.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering [aangever 3] niet voldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is, zodat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat aanhouding van de zaak in verband met deze vordering een ontoelaatbare vertraging van het strafproces ten gevolge zou hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij

[aangever 4] door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 40,-. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Het overige deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard, aangezien dit deel van de vordering niet rechtstreeks in relatie staat met het bewezenverklaarde. Dit deel kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is aan de benadeelde partij [naam] door het bewezenverklaarde niet rechtstreeks schade toegebracht. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemde geldbedragen ten behoeve van de benadeelde partijen aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partijen ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Hoofdelijkheid

Verdachte is niet tot vergoeding van bovengenoemde bedragen gehouden voorzover deze bedragen al door verdachtes mededader zijn voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 311 en 416 Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 4 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde voor het einde van dan wel gedurende een proeftijd van 2 jaren een of meer van de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde moet zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daartoe moet de veroordeelde zich melden na (schriftelijke) uitnodiging door VNN-reclassering, locatie Groningen. Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht,

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd van 2 jaren zal laten begeleiden door Homerun Sappemeer, Humanitas zolang als de reclassering dat in overleg met de woonbegeleider tijdens de proeftijd nodig acht,

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van amfetamine, cannabis en alcohol en ten behoeve van de naleving van dit verbod aan bloedonderzoek of urineonderzoek meewerkt,

- de hiervoor bedoelde voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat veroordeelde verplicht is zich te richten naar de aanwijzingen te geven door de reclassering wat betreft contacten met hem bekenden uit het Stadskanaalse, pro-criminele (jongeren)circuit,

- draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing met betrekking tot de vorderingen benadeelde partijen

Verklaart de benadeelde partij [aangever 3] (feit 3), wonende te [plaats], in de vordering niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] (feit 4), wonende te [plaats], gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 40,- (zegge: veertig euro).

Verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 40,- (zegge: veertig euro) ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 4], wonende te [plaats], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 40,- ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

De veroordeelde is niet tot vergoeding van bovengenoemde bedragen gehouden voorzover deze bedragen al door veroordeeldes mededader zijn voldaan.

Verklaart de benadeelde partij [naam] ( ad informandum gevoegd feit 3), wonende te [plaats], in de vordering niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 12 juni 2012.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, D.M. Schuiling en K.R. Bosker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Fennema als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 juni 2012.