Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BW8391

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
18/670360-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte van verkrachting die in 1992 zou hebben plaatsgevonden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

Parketnummer:18/670360-11

datum uitspraak: 14 juni 2012

op tegenspraak

raadsman: mr. A.C.J. Lina

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoeken op de terechtzitting van

25 november 2011 en 31 mei 2012.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 september 1992 te Oostwold, gemeente Leek, althans in

Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging

met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] heeft

gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of

mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [aangeefster], hebbende verdachte met zijn hand over haar bovenbeen gewreven,

haar broek en onderbroek naar beneden geschoven, met zijn vingers aan haar vagina gevoeld,

zijn stijve geslachtsdeel ontbloot en zijn vinger in haar vagina geduwd/gebracht

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte,

die ten tijde van het delict een volwassen man van 52 jaar was, in beschonken

toestand en kwaad op haar, terwijl die [aangeefster] een meisje van 15 jaar was en midden in de nacht alleen met hem was in een auto op een verlaten weggetje, althans op een

parallelweg van de snelweg A7, over haar heen hing en de autodeur dicht deed en/of (aldus) voor [aangeefster]een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 september 1992 te Oostwold, gemeente Leek, althans in

Nederland, met [aangeefster], geboren op [geboortedatum], die de

leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte

met zijn hand over haar bovenbeen gewreven,

haar broek en onderbroek naar beneden geschoven,

met zijn vingers aan haar vagina gevoeld,

zijn stijve geslachtsdeel ontbloot en

zijn vinger in haar vagina geduwd/gebracht.

Ter terechtzitting is - met instemming van zowel de officier van justitie als de verdediging - bepaald dat nu het subsidiair ten laste gelegde is verjaard (artikel 245 Wetboek van Strafrecht J° artikel 70 lid 1 sub 3 Wetboek van Strafrecht), het subsidiair ten laste gelegde buiten beschouwing zal worden gelaten.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie is van mening dat de aangifte van [aangeefster]

consistent en betrouwbaar is nu de strekking van haar aangifte in overeenstemming is met de strekking van hetgeen zij bij de rechter-commissaris heeft verklaard. Haar verklaring wordt op veel onderdelen bevestigd door het proces-verbaal dat in 1992 is opgemaakt ter zake van het rijden onder invloed van verdachte op 19 september 1992. Daarnaast heeft de zus van aangeefster een getuigenverklaring afgelegd over hetgeen [aangeefster] haar heeft verteld over het seksueel grensoverschrijdende gedrag van verdachte tegenover aangeefster. Ook de verklaring van mevrouw [getuige 1; echtgenote van verdachte], inhoudende dat aangeefster met het gezin [familienaam] naar Marokko is geweest, ondersteunt de verklaring van aangeefster. Daarnaast heeft getuige [getuige 2] verklaard over de gedragsverandering van aangeefster tijdens de zelfstandigheidstraining.

De officier van justitie acht de verklaring van verdachte dat hij op 19 september 1992 met zijn dochter in de auto zat volstrekt ongeloofwaardig, gelet op het tijdstip waarop dit het geval zou zijn geweest, gezien de leeftijd van verdachte zijn dochter.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij niet met aangeefster in de auto heeft gezeten maar met zijn eigen dochter. Uit de registratieset die de politie naar aanleiding van het rijden onder invloed op 19 september 1992 heeft opgemaakt, blijkt niet dat aangeefster bij verdachte in de auto heeft gezeten.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat aangeefster in haar informatieve gesprek met de politie op 9 augustus 2009 heeft aangegeven dat het om een poging tot verkrachting ging. In haar uiteindelijke aangifte op 19 augustus 2009 spreekt aangeefster opeens over een voltooide verkrachting. Het informatieve gesprek wijkt derhalve af van haar aangifte. De verklaring van aangeefster is naar de mening van de raadsman dan ook niet betrouwbaar en kan niet worden aangemerkt als een geldig bewijsmiddel.

Daarnaast blijkt volgens de raadsman uit de verklaring van maatschappelijk werker [getuige 2] niet dat er een link is tussen de vermeende verkrachting op 19 september 1992 en de eventuele gedragsverandering van aangeefster.

De raadsman heeft eveneens opgemerkt dat de verklaring van de echtgenote van verdachte de verklaring van aangeefster niet ondersteunt.

De raadsman is gelet op vorenstaande van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Beoordeling

De rechtbank overweegt het navolgende.

Aangeefster heeft op 19 augustus 2009 aangifte gedaan van verkrachting. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 19 september 1992 in de nachtelijke uren samen met verdachte in de auto zat op de terugweg naar Drachten. Op een weggetje langs de A7 zou verdachte toen met geweld met zijn vinger de vagina van aangeefster zijn binnengedrongen. Aangeefster zou kans hebben gezien uit de auto te komen en verdachte is uiteindelijk met zijn auto in de sloot terecht gekomen.

Blijkens een politiedossier uit 1992 is de politie op 19 september 1992 ter plaatse gekomen en is verdachte aangehouden ter zake rijden onder invloed.

De rechtbank constateert dat aangeefster aangifte heeft gedaan van een feit dat 20 jaar geleden zou hebben plaatsgevonden.

Verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij die betreffende nacht met zijn eigen dochter in de auto heeft gezeten en niet met aangeefster.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden uitgesloten dat de verklaring van verdachte - inhoudende dat hij op 19 september 1992 met zijn dochter en niet met aangeefster in de auto zat - de waarheid behelst. De stelling van de officier van justitie dat deze verklaring ongeloofwaardig is deelt de rechtbank niet. Het enkele feit dat zijn dochter toen 5 of 6 jaar oud moet zijn geweest is daartoe onvoldoende. Dat verdachte in zijn verhoor bij de politie heeft verklaard dat hij niets wist van een ongeval maakt niet dat anders moet worden geoordeeld. Verdachte werd toen voor het eerst geconfronteerd met een gebeurtenis van bijna 20 jaar geleden.

De verklaring van aangeefster wordt weliswaar op onderdelen ondersteund door voornoemd proces- verbaal uit 1992, maar ook uit dit proces-verbaal kan niet worden afgeleid dat aangeefster de betreffende nacht bij verdachte in de auto heeft gezeten. Integendeel, in zijn destijds afgelegde verklaring staat dat hij met zijn dochter in de auto zat. Niet kan worden uitgesloten dat aangeefster de informatie die zij heeft met betrekking tot het in de sloot geraken van de auto van verdachte op een andere wijze dan dat zij het zelf heeft waargenomen vergaard heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt de aangifte ook door de overige bewijsmiddelen onvoldoende ondersteund om tot het oordeel te kunnen komen dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Gelet op vorenstaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

Vordering van de beledigde partij

Als beledigde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [aangeefster], domicilie kiezende te Drachten.

De beledigde partij heeft bij monde van mr. D.J. van der Bij opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de vordering, gelet op zijn standpunt ten aanzien van het bewijs, dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Beoordeling

Verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de beledigde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Beslissing op de vordering van de beledigde partij

Verklaart de beledigde partij [aangeefster], domicilie kiezende te Drachten, in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de beledigde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H. van der Werff, voorzitter, M.J. Oostveen en

A.F. Gerding, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. de Jong, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 juni 2012.